Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
[eiser 3]
[eiser 4],
1.De procedure
- het tussenvonnis van 2 januari 2020,
- de akte overlegging productie aan de zijde van eisers op de rol van 29 januari 2020,
- het proces-verbaal van comparitie van 12 februari 2020 waaraan gehecht de spreekaantekeningen van mr. Maliepaard en mr. Franken.
2.De vorderingen en het verweer
3.De feiten ten aanzien van de collectieve vorderingen
universal life”verzekering waarvan de premie wordt belegd in beleggingseenheden om vermogen op te bouwen en waarbij de kosten en de premie voor dekking van het overlijdensrisico wordt onttrokken aan de belegde waarde. De premie voor het verzekeringsgedeelte staat niet vast maar wordt gedurende de looptijd aangepast. Het VGP kende een aantal keuzemogelijkheden waaronder flexibele premiebetaling, het kunnen beleggen in aandelenfondsen, mixfondsen en stallingsfondsen, tussentijdse switchmogelijkheden zonder inhouding van kosten en verschillende opties voor een overlijdensrisicodekking.
Vermogensgroeiplanpolis met de klemtoon op groei” (hierna: de brochure VGP) beschikbaar.
4.De beoordeling van de collectieve vorderingen
Belang
de nodige inlichtingen om de overeenkomst te kunnen kiezen die het beste bij zijn behoeften past” en worden minimumvoorschriften gegeven “
opdat de consument duidelijke en nauwkeurige informatie ontvangt over de wezenlijke kenmerken van de hem aangeboden producten.”
de toepassing van deze regeling (wordt) beheerst door het burgerlijk recht, waarbij bijvoorbeeld ook de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 2 van Pro Boek 6 van hetBurgerlijk
Wetboek) gelden.”
Inlichtingen over de premies voor iedere verzekeringsdekking, zowel dehoofddekking
als de aanvullende dekkingen, indien zulke inlichtingen dienstig blijken.
Verzekeraars zijn, evenmin als de producenten van andere (financiële) producten, niet verplicht inzicht te geven in de kostenstructuur.” Zie TK 1995/1996, nr. 24 456 en 23 669, nr. 12, p 1617.
“door toepassing van de Code (…) de (adspirant)koper van het product inzicht (moet) krijgen in de wijze waarop rendement en risico van beleggingen van invloed zijn op toekomstige uitkeringen uit spaarkasovereenkomsten en individuele kapitaalverzekeringen.”
het bedrag, na aftrek van eventuele kosten, dat tot uitkering komt aan het einde van de looptijd van de levensverzekering c.q. het spaarcontract indien het voorbeeldpercentage jaar voor jaar wordt gerealiseerd. (..)”
“het bedrag van de uitkering of uitkeringen waartoe de verzekeraar zich verplicht of, voor zover dit bedrag niet op voorhand nauwkeurig kan worden bepaald, een nauwkeurige omschrijving van die uitkering of uitkeringen, alsmede van de factoren waarvan de hoogte van de uitkering of uitkeringen afhankelijk is”
“de verzekeringnemer op overzichtelijke wijze inzicht wordt geboden in de wezenlijke kenmerken van de aangeboden overeenkomst van levensverzekering.”
“Bij wezenlijke kenmerken van het product wordt, voor zover van toepassing, onder meer gedacht aan de doelstelling van het product, premie en uitkering, informatie te verstrekken door de verzekeringnemer, risicofactoren, (voorbeeld)waarde van de polis aan het einde van de looptijd, informatie over de afkoop- en premievrije waarde en de invloed van kosten en inhoudingen.”
uitkering kunnen beïnvloeden. Met de systematiek van de nieuwe Code rendement en risico van het Verbond van Verzekeraars, waarbij gebruik wordt gemaakt van rekenvoorbeelden waarin de kosten en inhoudingen worden verwerkt, wordt invulling gegeven aan deze verplichting.”
“de kosten die naast de bruto-premie in rekening worden gebracht;
mponent naast de brutopremie in rekening gebracht. In dat geval is het van belang dat de consument hiervan op de hoogte wordt gebracht. Het betreft hier niet slechts de kostensoorten, maar ook een kwantitatieve weergave van de kosten. Met onderdeel r wordt de verplichting hiertoe geregeld. Voor zover alle kosten al verwerkt zijn in de brutopremie, legt onderdeel r geen extra verplichtingen op ten opzichte van onderdeel q.”
de toepassing van deze regeling (wordt) beheerst door het burgerlijk recht”. Andersom kan de Riav (ook) worden gezien als een invulling van de uit het burgerlijk recht voortvloeiende op de verzekeraar rustende mededelingsplicht bij het aangaan van beleggingsverzekeringen. De wetgever verwijst in de toelichting van beide versies van de Riav – zonder enige beperking – als voorbeeld naar de toepasselijkheid van “de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 2 van Pro Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek)”. Daarmee omvat deze verwijzing naar artikel 6:2 BW Pro zowel de beperkende als de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. Hieruit leidt de rechtbank af dat de Riav in de optiek van de wetgever ruimte biedt voor aanvullende, uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeiende normen. Deze zienswijze strookt met de door de rechtbank toe te passen richtlijnconforme uitleg van de Riav, die inhoudt dat, indien is voldaan aan de drie door het HvJEU geformuleerde eisen, op grond van het ongeschreven recht aanvullende informatieverplichtingen kunnen worden aangenomen.
beleggingen en zo leidt tot meer onttrekkingen en minder vermogensgroei, versterken deze effecten elkaar. Tegenvallende rendementen werken zo versterkt door op de prestatie van de beleggingsverzekering, waarbij er geen uitkering kan plaatsvinden als de waarde tussentijds nihil zou worden.
Het vermogensgroeiplan, waar we kunnen, helpen we” merkt Achmea verder nog op dat steeds werd geadviseerd om een verzekeringsadviseur in te schakelen voordat het product werd afgenomen.
Opmaat Hypotheek” meegestuurd die een toelichting geeft op zowel de hypothecaire lening als de Opmaatverzekering. Vanaf eind 1999 werd bovendien een productleeswijzer meegestuurd. Hierin stond onder meer vermeld wat de kosten en inhoudingen zijn. Bovendien geldt dat op basis van de overeengekomen algemene voorwaarden OMV 96 Achmea heeft geïnformeerd over de in rekening te brengen kosten en de wijze waarop de ORV premie werd berekend (artikel 8A voor 1999 en daarna artikel 8B OMV 96).
- Premie ORV
- Kosten verzekeringsmaatschappij (eerste kosten en doorlopende kosten). De eerste kosten behelzen kosten voor de ontwikkeling en markteling van het product en de winstmarge van Achmea
- Kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur; (Achmea hield kosten in voor de bemiddelende tussenpersoon)
- Aan- en verkoopkosten.
5.De feiten ten aanzien van [eiser 3]
6.De verwijten en individuele vorderingen
B. De VGP brochure was misleidend;
C. De offerte voldeed niet aan de Derde Levensrichtlijn, de Riav 1994 en de CRR 1996;
D. Niet is gewezen op de kosten en de gevolgen ervan / de kosten zijn niet overeengekomen;
E. Oneerlijke bedingen;
F. Niet voldoende gewezen op risico’s.
7.De beoordeling van de vorderingen van [eiser 3]
8.De feiten ten aanzien van [eiser 4]
“(…) het netto rendement over de opgebouwde waarde en toekomstige premie(s) in uw verzekering. Netto betekent dat in dit rendement alle kosten en overlijdensrisicopremies over de gehele looptijd zijn verwerkt.(…)”
“(…) bij een negatief productrendement (…) u op de einddatum minder dan u totaal heb ingelegd op de verzekering. (…)”.
9.De verwijten en individuele vorderingen
10.De beoordeling van de vorderingen van [eiser 4]
de dood of de gladiolen” valt niet te rijmen met zijn stelling dat zijn wens was om veilig te beleggen. Al met al is door [eiser 4] te weinig gesteld op basis waarvan het oordeel kan worden gegeven dat hij een ander product zou hebben gekozen en wat dat dan zou zijn geweest. Hiermee ontbreekt de causale relatie tussen de gestelde schade en de onrechtmatige daad van Achmea. Mitsdien zal vordering 89 worden afgewezen.
11.Kosten
1.086,00(2 punten × factor 1,0 × tarief 543,00)