Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
1
3.Juridisch kader; wettelijke en contractuele medehuur
3
4Mits de samenwoner aan deze twee eisen voldoet, is dus ook hij, kort gezegd, medehuurder, zij het dat de verhuurder daarmee dus eerst moet instemmen dan wel de rechter dit eerst moet constateren, en hij dat dus niet van rechtswege wordt.
5Omdat geen relevant verschil is aan te wijzen tussen beide wetsartikelen, valt dat laatste ook aan te nemen voor de bepalingen van art. 7:266 BW Pro (en voorheen art. 7A:1623g oud BW).
6Dat beide bepalingen van dwingend recht zijn, volgt ook uit de aard daarvan. Beide bepalingen zijn immers gericht op bescherming van samenwonende echtgenoten en geregistreerd partners en andere samenwoners. Het ligt niet voor de hand dat die bescherming in het vergaande stelsel van dwingendrechtelijke huurbescherming dat geldt voor de huur van woonruimte, bij overeenkomst opzij kan worden gezet.
7
8dat dus in art. 7:266 BW Pro is overgenomen. Op aandrang van de Tweede Kamer is ook de positie van de samenwoner in het ontwerp versterkt. De Tweede Kamer heeft daarbij aangedrongen op eenzelfde of vergelijkbare regeling voor de samenwoner als zou gelden voor de echtgenoot, in welke wens de regering uiteindelijk is meegegaan.
9Zie hierover onder meer de volgende passage in de van de kamerstukken deel uitmakende brief van de minister van justitie aan de Tweede Kamer van 3 mei 1979:
10
12Zie voor een en ander ook uitdrukkelijk HR 11 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4772,
13waarin met verwijzing naar diverse citaten uit de wetsgeschiedenis als volgt is overwogen (onderstreping toegevoegd):
het huurderschap van de andere echtgenoot van rechtswege doet eindigen, en dat die uitspraak werking heeft tegenover de verhuurder.Het doel van de rechterlijke toewijzing is immers de woonruimte ten aanzien waarvan al gold dat de echtgenoot van de huurder van rechtswege medehuurder was – bij uitsluiting aan een van de gescheiden echtgenoten ter beschikking te stellen. Dat de andere echtgenoot nog (mede)huurder zou blijven is daarmee niet in overeenstemming te brengen.
16
17dat in beginsel gelijkwaardig is aan dat van de (contractuele) huurder – wie van hen beiden de huur mag voortzetten, dient de rechter als gezegd te beslissen aan de hand van een belangenafweging
18– en dat inhoudt dat hij, zo hij als huurder wordt aangewezen, de huur alléén, dus zonder de (contractuele) huurder, mag voortzetten.
19Voor het zevende lid (thans dus art. 7:267 lid 7 BW Pro) is daarbij verwezen naar het zesde lid van een eerdere versie van art. 1623h, waarin dat (ontwerp)artikel nog alleen een regeling gaf voor samenwoners in het geval van het overlijden van de huurder.
20Die eerdere versie kwam uit de (eerste) Nota van wijzigingen,
21evenals art. 1623g lid 5 oud BW (thans dus art. 7:266 lid 5 BW Pro), in welke nota het vijfde lid van art. 1623g BW nog het derde lid daarvan was.
22Het op dat moment derde lid van art. 1623g BW is in de (eerste) Nota van wijzigingen en de gelijktijdig uitgebrachte Memorie van Antwoord
23toegelicht als is aangehaald in het hiervoor geciteerde gedeelte van HR 11 februari 2000 (zie hiervoor in 3.7). Enige regels lager in die nota en memorie is het zesde lid van art. 1623h BW toegelicht (het huidige art. 7:267 lid 7 BW Pro dus). De nota vermeldt over dat lid:
24
25
26In HR 13 november 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC328727 zijn de ratio en inhoud van art. 7:267 lid 7 BW Pro (toen art. 7A:1623h lid 7 BW) ook in overeenstemming hiermee in dezelfde zin vastgesteld als die van art. 7:266 lid 5 BW Pro, die hiervoor in 3.9 en 3.10 is vermeld. In dat arrest wordt overwogen (cursivering toegevoegd):
ter verkrijging van bescherming van zijn recht op ‘zijn huis’,
zowel tegen de verhuurderals tegen de met hem samenwonende(n).”
29op:
30
32De (tweede prejudiciële) vraag is of de art. 7:266 en Pro 7:267 BW ook van toepassing zijn op contractuele medehuur.
33Dat arrest gaat echter alleen over de bij contractuele medehuur aan te nemen hoofdelijke aansprakelijkheid van de huurders jegens de verhuurder – waarvoor in het arrest mede een beroep wordt gedaan op de regeling van wettelijke medehuur die nu is te vinden in art. 7:266 lid 2 en Pro art. 7:267 lid 4 BW Pro – en niet over de gezamenlijke gebondenheid van de huurders en de andere gevolgen die deze gebondenheid meebrengt. Mijns inziens berust genoemd uitgangspunt veeleer daarop dat als er twee huurders zijn, in beginsel kan worden aangenomen dat dit een gegeven is dat onderdeel vormt van de overeenkomst en dat daarin dus niet eenzijdig door een van partijen verandering kan worden gebracht. Zie in deze zin ook A-G Wissink in zijn conclusie voor HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2018:285 (art. 81 RO Pro). Wissink wijst mijns inziens terecht erop dat uit de overeenkomst anders kan volgen en dat het hier dus niet om een vaste regel gaat, maar enkel om uitleg van de overeenkomst.
34Genoemd uitgangspunt behelst dus niet meer dan hetgeen in beginsel valt aan te nemen als geen aanwijzingen bestaan dat iets anders door partijen is bedoeld. Waar twee partijen als huurder optreden, zullen in de praktijk echter vaak die aanwijzingen ontbreken, doordat over de betekenis daarvan in de huurovereenkomst niets wordt bepaald.
35
36–, doet zich immers als gezegd in dat geval evenzeer voor. En ook hier geldt weer dat niet valt in te zien dat partijen (geacht kunnen worden) afstand (te) doen van deze bescherming, door de huurovereenkomst samen aan te gaan, zo een dergelijke afstand al mogelijk zou zijn, gelet op het dwingendrechtelijke karakter van de bescherming.
Art. 7:266 lid 5 BW Pro kan overeenkomstig worden toegepast indien de woonruimte door de beide echtgenoten tezamen is gehuurd.
38en dat deze in de lagere rechtspraak met regelmaat wordt toegepast.
39
40dit met algemene instemming van de literatuur.
41Veel van die rechtspraak betreft echter alleen de onderlinge verhouding van de contractuele medehuurders – ook zij kunnen volgens die rechtspraak gebruikmaken van de regeling van art. 7:267 lid 7 BW Pro –, zonder dat wordt ingegaan op de werking van de op grond van die regeling te verkrijgen uitspraak tussen de contractuele medehuurders jegens de verhuurder.
42
43In dit verband wordt wel verwezen – naar ik begrijp ‘ter verzachting’ van de onwenselijk geachte gevolgen van dit standpunt – naar de mogelijkheid dat in de procedure ex art. 7:267 lid 7 BW Pro de verhuurder mede in het geding wordt betrokken (gewezen wordt op art. 118 Rv Pro, maar mee dagvaarden van de verhuurder bij de inleidende dagvaarding is natuurlijk ook mogelijk en wel zo makkelijk) en aldus gebonden wordt aan de uitspraak. De gedachte is dan dat in de procedure dan uiteraard wel met de belangen van de verhuurder rekening zal moeten worden gehouden.
44Deze opvatting sluit aan bij die waarin de verhuurder op grond van de redelijkheid en billijkheid gehouden kan zijn om in te stemmen met de voortzetting van de huur door slechts één van de huurders en met de aanwijzing van de huurder die de huur alleen voortzet.
45Als de verhuurder belang heeft bij de verhuur aan twee huurders of bij de verhuur aan de andere contractuele medehuurder dan de contractuele medehuurder die op grond van de onderlinge verhouding van de beide huurders de meest aangewezen persoon is om de huur voortzetten, biedt deze opvatting de huurders echter geen soelaas. De verhuurder zal hen dan immers in beginsel aan genoemde contractuele regel mogen houden.
46
47De huurder en de samenwoner zullen vaak geen reden zien om niet aan dit verzoek gehoor te geven.
48De uitleg dat daarmee van rechtswege de bescherming zou wegvallen van art. 7:267 BW Pro, omdat daardoor geen sprake meer is van wettelijke medehuur, maar van contractuele medehuur, lijkt mij niet aanvaardbaar, alleen al om de reeds genoemde redenen dat praktisch geen verschil bestaat tussen beide gevallen en dat de samenwoner en de huurder zich dat gevolg in de praktijk vrijwel nimmer zullen realiseren (zie hiervoor in 3.23). Mij lijkt dat genoemd geval ook dáárom onder art. 7:267 lid 7 BW Pro valt of is te brengen.
49Dat is dus in beginsel een vrij ruime kring van huishoudens. In het begrip ‘duurzaam’ ligt echter een tamelijk sterke beperking besloten. De gemeenschappelijke huishouding moet een duurzaam karakter hebben (wat kan blijken uit het verleden) of daarop zijn gericht (wat een objectieve verwachting betreft). Dat karakter ontbreekt bij gemeenschappelijke huishoudingen van wat kort kan worden aangeduid als ‘tijdelijke woningdelers’ (studenten, ouders samen met volwassen kinderen, enz.). De stelplicht en bewijslast van de ‘duurzame gemeenschappelijke huishouding’ rusten bovendien bij de samenwoner.
50
en de verhuurder. Is die overeenstemming niet bereikbaar, dan zal een beslissing van de rechter nodig zijn die dan ook werking tegenover de verhuurder heeft.”
51heeft uit deze passage afgeleid dat het twijfelachtig is of een minnelijke regeling tussen de scheidende echtgenoten of partners, die niet wordt bekrachtigd met een rechterlijke beslissing op de voet van art. 7:266 BW Pro, effect heeft ten opzichte van de verhuurder. Dat kan mijns inziens echter niet in deze passage worden gelezen. Er staat niet dat overeenstemming met de verhuurder is vereist en uit de volgende zin – die mede de grond is geweest voor de aangehaalde beslissing in HR 11 februari 2000 – volgt denk ik al dat dit in de gedachtegang van de wetgever niet het geval is. De onderstreepte woorden wijzen inderdaad een andere kant uit, maar dat zal dus denk ik niet zo bedoeld zijn.
52
53Dit ontbreken kan echter worden verklaard uit de achtergrond van de in art. 7:270a BW opgenomen mededelingsverplichting, te weten het voorkomen dat de verhuurder niet weet wie zijn huurder en contractuele wederpartij is, wat bij voortzetting op grond van de art. 7:266, 7:268 en 7:269 BW mogelijk is omdat de verhuurder niet behoeft te weten dat er een wettelijk medehuurder op grond van die bepalingen is.
54Omdat een samenwoner alleen medehuurder op grond van art. 7:267 BW Pro kan worden als de verhuurder daarin toestemt dan wel de rechter dat in een procedure tegen de verhuurder heeft bepaald, is de verhuurder altijd bekend met het bestaan van de medehuurder.
55
56Bij de totstandkoming van de huidige titel in het BW heeft men zich beperkt tot de toevoeging van een enkel – voor de beantwoording van de onderhavige prejudiciële vragen niet van belang zijnd – detail aan die regeling, zoals de bepaling van art. 7:270a BW. De bedoeling en ratio van de regeling zijn echter als gezegd duidelijk genoeg en in de uitspraken van de Hoge Raad is tot nu toe in overeenstemming met die bedoeling en ratio beslist. Het ligt denk ik voor de hand, als eveneens al gezegd, om daarmee door te gaan.
4.Beantwoording prejudiciële vragen
57