ECLI:NL:GHSHE:2006:BA4204
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Van Etten
- Den Hartog Jager
- Van den Bergh
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over huurbetaling en tussentijdse beëindiging huurovereenkomst bedrijfsruimte
In deze zaak staat centraal of de huurovereenkomst tussen verhuurder [X.] en huurder [Y.] tussentijds in onderling overleg is beëindigd. [X.] verhuurde een bedrijfsruimte aan [Y.] vanaf 1 augustus 2001 voor vijf jaar. [Y.] betaalde slechts de waarborgsom en de eerste drie maanden huur, verliet de ruimte in november 2001 en leverde de sleutels in. Vanaf die datum betaalde hij geen huur meer. [X.] verhuurde de ruimte vanaf 1 januari 2003 aan een derde.
In eerste aanleg oordeelde de kantonrechter voorshands dat de huurovereenkomst op 7 november 2001 in onderling overleg was geëindigd, maar vond het tegenbewijs van [X.] onvoldoende en wees de vordering af. In hoger beroep herbeoordeelde het hof de zaak volledig aan de hand van alle stukken, getuigenverklaringen en bewijsstukken.
Het hof concludeerde dat [Y.] niet kon bewijzen dat partijen een tussentijdse beëindiging waren overeengekomen. Getuigenverklaringen waren tegenstrijdig en strookten niet met schriftelijke bewijsstukken, waaronder een opzeggingsbrief van 7 november 2001 die eenzijdige opzegging betrof. Ook het innemen van sleutels en het zoeken naar een nieuwe huurder door [X.] vormden geen bevestiging van een onderlinge beëindiging.
Het hof wees het bewijsaanbod van [Y.] om dezelfde getuigen opnieuw te horen af, omdat dit geen nieuw bewijs opleverde. De vordering van [X.] tot betaling van de huur over de periode van november 2001 tot januari 2003 werd alsnog toegewezen, met wettelijke rente en kostenveroordeling tegen [Y.].
Uitkomst: De vordering van verhuurder tot betaling van huur en rente wordt toegewezen; huurder wordt veroordeeld tot betaling en proceskosten.