Conclusie
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
dezevordering voldoende belang heeft bij haar verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor.
hoogstwaarschijnlijkzal worden afgewezen. [19] Volgens mijn ambtgenoot A-G De Bock legt dit criterium de lat nog te hoog en zou
evidentmoeten zijn dat de vordering in de hoofdzaak niet kan slagen. [20] Dit laatste strookt mijns inziens meer met het uitgangspunt dat de merites van de vordering in de hoofdzaak niet ter toetsing voorliggen. Over de niet-toewijsbaarheid van de vordering moet redelijkerwijs geen discussie mogelijk zijn, wil het verzoek stranden op gebrek aan belang. [21]
geen zicht heeft op een succesvolle vordering in de bodemprocedure” is uitgegaan van een onjuiste, want te strenge maatstaf voor het beoordelen van het belang bij een verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor. Ter toelichting wordt betoogd dat een gebrek aan belang bij het verzoek kan zijn gelegen in een (evident) kansloze vordering in de hoofdzaak en dat de rechter deze afwijzingsgrond terughoudend moet toepassen aangezien volgens vaste rechtspraak in deze procedure de toewijsbaarheid van de vordering in de hoofdzaak niet ter beoordeling voorligt. De door het hof gehanteerde maatstaf maakt het ten onrechte mogelijk de afwijzing van het verzoek te baseren op een slechts als
kansarmbeoordeelde vordering.
onderdeel 4.
3F/Commissieals belanghebbende worden aangemerkt indien zij rechtens genoegzaam aantoont dat de steun haar situatie of die van de werknemers die zij vertegenwoordigt concreet dreigt te beïnvloeden. [39] In het arrest inzake
Commissie/Kronolpy en Kronotexheeft het HvJ overwogen dat een onderneming die niet direct met de begunstigde van steun concurreert, maar voor haar productieproces wel dezelfde grondstof nodig heeft, als belanghebbende kan worden aangemerkt, indien zij genoegzaam aantoont dat de steun haar situatie concreet dreigt te beïnvloeden. [40] Hieruit blijkt dat niet alleen (directe) concurrenten van de steunontvanger als belanghebbende kunnen worden aangemerkt.
er bescherming van de belangen van de justitiabelen, inzonderheid van de partijen die zijn geraakt door een verstoring van de concurrentie als gevolg van de toekenning van onrechtmatige steun“. [42] De nationale rechter moet “
de justitiabelen die zich kunnen beroepen op niet-nakoming van de aanmeldingsplicht“ waarborgen dat volgens het nationale recht alle consequenties daaruit worden getrokken, zowel wat betreft de geldigheid van handelingen tot uitvoering van de steunmaatregelen, als wat betreft de terugvordering van in strijd met deze bepaling verleende financiële steun. [43] In dat kader is de rechter bevoegd te beoordelen of het overheidsoptreden een steunmaatregel in de zin van de artikelen 107 en 108 VWEU vormt, [44] en of de maatregel rechtmatig, dus inachtneming van alle procedurele voorschriften, is toegekend. De nationale rechter kan echter niet over de verenigbaarheid van de steunmaatregel met de interne markt oordelen, dat is aan de Commissie voorbehouden. [45] Voorts kan in een procedure bij de nationale rechter een bevel tot terugvordering van onrechtmatige steunmaatregelen en vergoeding van schade die door deze maatregelen is veroorzaakt worden gevorderd. [46]
Streekgewest Westelijk Noord-Brabant/Staatssecretaris van Financiën. De in 3.21.2 onder (ii) bedoelde vraag speelt in deze zaak niet.
Streekgewest Westelijk Noord-Brabant/Staatssecretaris van Financiën(hierna: het arrest
Streekgewest). [52] Het ging in deze zaak om een belastingmaatregel waarbij enerzijds het tarief op afvalstoffen werd verhoogd en anderzijds een mogelijkheid tot teruggave van afvalstoffenbelasting werd ingevoerd. De maatregel werd aangemeld bij de Commissie, maar de belasting werd reeds geheven voordat de Commissie de maatregel had goedgekeurd. Het Streekgewest Westelijk Noord-Brabant is bij de belastingrechter opgekomen tegen de afwijzing van haar verzoek om een belastingteruggave wegens schending van de standstillbepaling. In cassatie heeft de belastingkamer van de Hoge Raad onder meer de prejudiciële vraag gesteld of een beroep op deze bepaling alleen kan worden gedaan door een justitiabele die als gevolg van de steunmaatregel getroffen wordt door vervalsing van de grensoverschrijdende mededinging. [53]
Streekgewesteen oordeel gegeven over concurrenten en heffingbetalers. Daaruit kan naar mijn mening niet worden afgeleid, dat er niet nog andere gevallen zouden kunnen zijn waarin het Unierecht vereist dat een partij zich voor de nationale rechter moet kunnen beroepen op het rechtstreekse werkende art. 108 lid 3 VWEU Pro. Daarbij plaats ik de kanttekening, dat hiermee niet is gezegd dat het Unierecht vereist dat elke partij dit kan doen.
Streekgewest. Daarmee is niet uitgesloten dat er ook andere categorieën getroffen justitiabelen kunnen zijn.
3F/Commissieen
Commissie/Kronolpy en Kronotex, wordt, ook wanneer het niet gaat om concurrenten van de steunontvanger, de eis gesteld dat een partij aantoont dat de steun haar situatie concreet dreigt te beïnvloeden.
Streekgewest, maar dat het wel moet gaan om personen die als concurrent, heffingbetaler of anderszins concreet in hun belangen worden geraakt. In het midden kan blijven welke gevallen in de restcategorie kunnen vallen. In ieder geval volgt uit de rechtspraak van het HvJ mijns inziens onmiskenbaar, dat art. 108 lid 3 VWEU Pro niet vereist dat een partij die uitsluitend opkomt voor het algemene belang van handhaving van het staatssteunrecht, toegang moet hebben tot de nationale rechter.
Streekgewestoordeelde de Afdeling dat de standstillbepaling kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van houders van effecten die zijn uitgegeven door of met medewerking van een onderneming waaraan staatssteun is verleend. De Afdeling passeerde daarom het beroep op deze bepaling en zag geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen.
Streekgewesteen beperking van de kring van personen die een beroep kunnen doen op de standstillbepaling leest, in ieder geval in die zin dat de door de Afdeling beoordeelde gevallen niet binnen deze kring vielen, en zij deze beperking doortrekt naar het nationale recht. [68]
Streekgewestslaagde niet.
Streekgewestgeen limitatieve lijst van belanghebbenden bij een beroep op de standstillbepaling heeft willen geven, en dat uit HvJ 12 februari 2008, C-199/06 (
CELF), HvJ 5 oktober 2006, C-368/04 (
Transalpine Ölleitung), de definitie van het belanghebbende-begrip in art. 1 onder Pro h Procedureverordening en HvJ 14 november 1994 (C-323/82) blijkt dat het beschermingsbereik van de standstillbepaling ruimer is dan waarvan het hof uitgaat.
Streekgewestniet noodzakelijkerwijs is beperkt tot concurrenten of heffingsbetalers, volgt uit de rechtspraak van het HvJ dat art. 108 lid 3 VWEU Pro niet vereist dat een partij die uitsluitend opkomt voor het algemene belang van handhaving van het staatssteunrecht, toegang moet hebben tot de nationale rechter. Anders dan het onderdeel betoogt, volgt een ander oordeel niet uit de tekst van het arrest
Streekgewest, of de herformulering van de prejudiciële vraag door het HvJ in dat arrest. Dit volgt ook niet uit de omschrijving van de taak van de nationale rechter in de arresten Streekgewest, CELF en
Transalpine Ölleitungom, kort gezegd, de rechten van justitiabelen te beschermen. Het volgt evenmin uit de omschrijving van het begrip belanghebbende in de Procedureverordening. Hierop stuiten de klachten van onderdeel 2 af.
nderdeel 5. Dit klaagt onder verwijzing naar punt 19 van het arrest
Streekgewest, samengevat, dat het hof heeft nagelaten te toetsen of Karmedia er belang bij heeft zich te beroepen op uit het uitvoeringsverbod “om de negatieve gevolgen ongedaan te laten maken van de door de onrechtmatige steunverlening teweeggebrachte concurrentievervalsing”, doordat het hof slechts heeft getoetst of Karmedia een concurrent of een heffingsbetaler is. Daartoe had het hof zich niet dienen te beperken aangezien Karmedia had aangevoerd dat zij overwoog in een procedure tegen de Gemeente een verklaring voor recht of een verbod van onrechtmatig verleende steun te vorderen. Het onderdeel klaagt subsidiair dat op dit punt de motivering van het oordeel van het hof over het beschermingsbereik van artikel 108 lid 3 VWEU Pro tekort schiet.
Streekgewest. Het Hof van Justitie heeft daarin met de categorie justitiabelen die er belang bij hebben zich te beroepen op uitvoeringsverbod “om de negatieve gevolgen ongedaan te laten maken van de door de onrechtmatige steunverlening teweeggebrachte concurrentievervalsing” gedoeld op justitiabelen die door deze concurrentievervalsing zijn getroffen, dus op concurrenten van de steunontvanger. Dat volgt onmiskenbaar uit de eerste prejudiciële vraag zoals die door het Hof van Justitie in punt 14 is geherformuleerd: “Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een justitiabele die niet wordt getroffen door vervalsing van grensoverschrijdende mededinging als gevolg van een steunmaatregel, zich op art. 93 lid 3 laatste Pro volzin Verdrag kan beroepen.” Hierop stranden de klachten van het onderdeel. Overigens stuit het onderdeel ook af op de gronden waarop onderdeel 2 afstuit.