Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Besschikking van 16 juli 2019
Stichting Karmedia,
Gemeente Rotterdam,
Het geding
Beoordeling van het verzoek
Grief Iis gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Karmedia eerst de beslissing op de incidentele vordering op grond van artikel 843a Rv af moet wachten. Volgens Karmedia is dit oordeel strijdig met het uitgangspunt dat een voorlopig getuigenverhoor ertoe dient de verzoeker in staat te stellen in een zo vroeg mogelijk stadium te beoordelen of het instellen dan wel doorzetten van een vordering zinvol is. Met
grieven II en Vkomt Karmedia op tegen het oordeel van de rechtbank dat het aan de bodemrechter is om te beoordelen of er aanleiding is voor nader feitenonderzoek door middel van het horen van getuigen. Volgens Karmedia wil zij met een voorlopig getuigenverhoor juist meer duidelijkheid krijgen over haar bewijspositie om haar positie in een bodemprocedure te kunnen beoordelen. Bovendien bestaat een gerede kans dat de bodemprocedure enkele jaren zal duren. Om te voorkomen dat bewijs verloren gaat heeft Karmedia er belang bij dat nu getuigen worden gehoord, aldus Karmedia. Met
grief IIIbetoogt Karmedia dat de rechtbank heeft miskend dat bij de beoordeling van een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor niet de toewijsbaarheid van de beoogde vordering ter toetsing voorligt.
Grief IVis gericht tegen de overweging van de rechtbank dat de stukken die Karmedia met haar vordering op grond van artikel 843a Rv in bezit wil krijgen, (gedeeltelijk) verband houden met onderwerpen waarover Karmedia getuigen wil doen horen. Karmedia wijst erop dat zij juist opheldering wil over feiten die niet schriftelijk zijn vastgelegd.