Uitspraak
kantoorhoudende te Zwolle,
gevestigd te [plaats] ,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
24 april 2020.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of de kortgedingrechter de afstemmingsregel heeft geschonden door zijn oordeel te baseren op de meest recente bodemuitspraak, die later door de Hoge Raad werd vernietigd. Tevens werd beoordeeld of een juridische misslag in de bodemuitspraak automatisch leidt tot misbruik van executierecht bij tenuitvoerlegging.
De feiten betreffen transacties uit 2010 tussen [verweerster], [A] B.V. en [B] Inc., waarbij een lening en verrekening tussen partijen centraal stonden. Na faillissement van [A] vorderde de curator betaling van een schuld, waarbij [verweerster] zich verweerde met verrekening. De rechtbank wees de vordering toe, het hof vernietigde dit en kende verrekening toe. De curator stelde cassatie in tegen het hofarrest.
In het kort geding vorderde [verweerster] terugbetaling van een bedrag dat zij aan de curator had betaald, terwijl de curator in reconventie uitvoerlegging van proceskosten wilde verbieden. Het hof oordeelde dat de kortgedinguitspraak moest worden afgestemd op het hofarrest in de bodemprocedure, ondanks het cassatieberoep. De Hoge Raad bevestigde dit en oordeelde dat een juridische misslag niet zonder meer misbruik van executierecht betekent, zeker als subsidiaire verweren nog beoordeeld moeten worden.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde de curator in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de kortgedinguitspraak moet worden afgestemd op de meest recente bodemuitspraak, ook als die later wordt vernietigd.