Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
OF
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Zoals in het arrest …/G is overwogen, zou het stellen van die eis niet in overeenstemming zijn met het voor een behoorlijk verloop van het rechtsverkeer te aanvaarden uitgangspunt dat een beroep op rechtsdwaling in het algemeen niet kan worden aanvaard, en zou het in strijd met de rechtszekerheid zijn wanneer de aanvang van de verjaring afhankelijk is van het tijdstip waarop de benadeelde de juiste juridische beoordeling van de feiten duidelijk is geworden. Voorts zou het, zoals in dat arrest is overwogen, in strijd zijn met de bescherming die de korte verjaringstermijn beoogt te bieden, als de benadeelde zonder hinder van die termijn zou kunnen profiteren van een eerst veel later bekend geworden inzicht met betrekking tot de juridische situatie ten tijde van het ontstaan van de schade, terwijl de aansprakelijke persoon zijn gedrag heeft gericht naar de toen geldende inzichten.’
voorzijdebeschermd. Juist echter voor gevallen waarin de regel toepassing vindt dat de juridische beoordeling van de bij de benadeelde daadwerkelijk bekende feiten en omstandigheden buiten beschouwing blijft, heeft – zo behoort te worden aangenomen – de bedoelde lijn in de rechtspraak haar betekenis behouden. [20] Zo kan aan de achterzijde alsnog worden tegengegaan dat een adviseur aan de cliënt tegenwerpt dat deze op de juistheid en volledigheid van het door hem gegeven advies heeft vertrouwd, of hem het bestaan van indicaties voor de ondeugdelijkheid van zijn advies voor de voeten werpt, die hij eerder zelf heeft ontkend of gebagatelliseerd. Ook kunnen zo ongewenste prikkels aan de zijde van de adviseur worden tegengegaan en wordt het gevaar van strijd met het EVRM weggenomen.
subonderdelen 1.2 en 1.3evenmin slagen. Eerstbedoeld subonderdeel bevat een motiveringsklacht voor het geval dat het hof de bedoelde stellingen van [eisers] niet in de processtukken heeft gelezen. Laatstbedoelde onderdeel bevat een voortbouwklacht.
subonderdeel 2.1zo dat het hof zou miskennen dat het enkele versturen (dan wel het enkele ontvangen) van een mededeling, niet zonder meer tot zodanige bekendheid met de inhoud van die mededeling leidt dat daaruit de voor art. 3:310 lid 1 BW Pro vereiste bekendheid valt af te leiden. Indien het hof dit niet heeft miskend, zou het hof zijn oordeel onvoldoende hebben gemotiveerd.
subonderdeel 2.3uitgaat van de lezing dat het hof de vordering van [eiser 1] persoonlijk niet beoordeelt. Wat het hof heeft bedoeld, lijkt mij onzeker; de aangevallen overweging kan op beide manieren worden uitgelegd. In beide lezingen treft het middel mijns inziens doel. Uitgaande van de eerstbedoelde lezing heeft het hof met de overweging dat voor zover [eiser 1] persoonlijk van de belastingaanslagen nog niet op de hoogte was, hem dit niet kan baten, omdat de aanslagen naar de vennootschappen zijn verstuurd, inderdaad – zoals subonderdeel 2.2 aanvoert – miskend dat wetenschap van de vennootschappen niet zonder meer kan worden gelijkgesteld aan wetenschap bij [eiser 1] persoonlijk. Indien het hof dit niet heeft miskend is zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Uitgaande van de laatstbedoelde lezing, slaagt de klacht dat het hof er ten onrechte vanuit gaat dat alleen de vennootschappen een vordering instellen. Ook [eiser 1] persoonlijk heeft immers een vordering tegen [verweerster] ingesteld.
nietop de hoogte was (‘Voor zover [eiser 1] persoonlijk nog niet op de hoogte was…’). Ik doe geen poging om het arrest van het hof op dit punt te redden, omdat mijns inziens ook andere klachten slagen en het arrest hoe dan ook geen stand kan houden (zie hierna).
subonderdeel 3.1);
subonderdeel 3.2), waarbij [eisers] verwijzen naar een groot aantal door hen betrokken stellingen, die erop neerkomen dat van de zijde van [verweerster] steeds in sterke bewoordingen is tegengesproken dat uit achtereenvolgens de belastingaanslagen, de beslissing op bezwaar en de uitspraken van de rechtbank en het gerechtshof zou volgen dat de geadviseerde constructie onjuist was en men van een goede afloop bleef uitgaan;
subonderdelen 3.3 en 3.4).
subonderdeel 5.1zou het hof hiermee miskennen dat voor stuiting aansprakelijkstelling niet vereist is, als maar ondubbelzinnig duidelijk wordt gemaakt dat eventueel aanspraak op schadevergoeding wordt gemaakt. In
subonderdeel 5.2wordt erover geklaagd dat wanneer het hof dit niet heeft miskend, het zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd, gelet op de stellingen van [eisers] :
met opzetde benadeelde op het verkeerde been zet, wat volgens het hof zich niet heeft voorgedaan. Die opening – die samenvalt met het geval van de verlengingsgrond van art. 3:321 lid 1 aanhef Pro en onder f BW – is te beperkt. Voor de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen zijn alle omstandigheden van het geval van belang. [38]
onderdeel 7.