Uitspraak
gevestigd te Brussel, België,
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
14 november 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een bestuurdersaansprakelijkheidsvordering van Allianz Belgium N.V. tegen een voormalig bestuurder van GS Verzekeringen B.V. Allianz vordert betaling van een bedrag wegens onrechtmatig handelen van de bestuurder, die GS heeft tekortgedaan waardoor Allianz schade leed.
De kern van het geschil is het tijdstip waarop de verjaringstermijn van vijf jaar is gaan lopen en of eerdere procedures de verjaring hebben gestuit. Het hof oordeelde dat Allianz al in 1997/1998 bekend was met de schade en de aansprakelijkheid van de bestuurder, en dat eerdere procedures de verjaring niet stuitten. Hierdoor wees het hof de vordering af wegens verjaring.
De Hoge Raad vernietigt dit oordeel. Hij stelt dat daadwerkelijke bekendheid met zowel de schade als de aansprakelijke persoon vereist is, en dat het enkele vermoeden of bekendheid met gedragingen die later schade veroorzaken niet volstaat. De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat Allianz in 1997/1998 al voldoende zekerheid had over het verhaalstekort van GS en de schade daardoor.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat het royement van de eerdere bodemprocedure niet zonder meer de stuiting van de verjaring beëindigt, tenzij partijen dat overeenkomen of de schuldenaar erop mocht vertrouwen dat de procedure niet wordt hervat. Het hof heeft onvoldoende gemotiveerd dat de bestuurder dit vertrouwen mocht hebben.
De zaak wordt terugverwezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling en beslissing, waarbij deze aspecten opnieuw moeten worden gewogen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling vanwege onvoldoende motivering over het aanvangsmoment van de verjaring en de stuiting daarvan.