Conclusie
[eiser],
gevestigd te Hilversum,
PSH,
vice versa.
Overzicht
business planvoor die gemeente heeft PSH eind 2003 besloten om, in combinatie met de verkoop van de aandelen Drafcentrum aan [eiser] , te herinvesteren in vastgoedparticipaties op aanwijzing van [eiser] . Op de transactiedatum heeft het Drafcentrum op aanwijzing van [eiser] vastgoedparticipaties gekocht en de HIR op hun kostprijs afgeboekt, waarna PSH op dezelfde dag de aandelen in het Drafcentrum aan [eiser] heeft overgedragen.
i.e. correctie in het laatste open staande belastingjaar) heeft de inspecteur in 2007 de vrijval van de HIR (
i.e.alsnog in de belaste winst vallen wegens niet-tijdige afboeking) betrokken in de aanslag vennootschapsbelasting 2003 van het Drafcentrum. Volgens de inspecteur was de HIR vrijgevallen ofwel (i) omdat PSH/Drafcentrum eind 2002 geen of nog maar een beperkt (42,9%) herinvesteringsvoornemen had, ofwel (ii) de wijziging van het belang in het Drafcentrum (de overname door [eiser] ) eind 2003 de HIR deed vrijvallen door activering van art. 15e Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) (thans art. 12a Wet Vpb), een bepaling gericht tegen fiscale handel in ongebruikte-HIR-vennootschappen.
ofde HIR is vrijgevallen, noch tot welk bedrag; de aanslag ter zake van de HIR-vrijval staat onherroepelijk vast. Het gaat er om wat de contractueel tussen PSH en [eiser] overeengekomen garanties ter zake van de HIR fiscaalrechtelijk betekenen en welke gevolgen dat heeft voor de vraag voor wiens rekening de heffing over de vrijval van de HIR komt: de koper of de verkoper van het Drafcentrum.
totde transactiedatum voor rekening van de verkoper PSH komt en dat activering van de antimisbruikbepaling van art. 15e Wet Vpb
opde transactiedatum voor rekening van de koper [eiser] komt. Aldus komt volgens het Hof 57,1% van de belasting over de HIR-vrijval voor rekening van PSH en 42,9% voor rekening van [eiser] . Bij de schadebepaling heeft het Hof rekening gehouden met de latente belastingschuld over de HIR (ooit zal fiscaal afgerekend moeten worden over de doorgeschoven stille reserve, al dan niet geleidelijk door lager afschrijvingspotentieel) die verdisconteerd was in de verkoopprijs. Hij heeft [eiser] ’s schade daarom bepaald op 57,1% van het verschil tussen (i) de belasting over de HIR-vrijval inclusief heffingsrente en (ii) de belastinglatentie waarmee al rekening was gehouden in de verkoopprijs. Over het aldus door PSH te vergoeden schadebedrag heeft het Hof de wettelijke rente berekend vanaf het moment waarop de zaak in eerste aanleg aanhangig werd gemaakt, omdat niet duidelijk is of in [eiser] ’s compromis met de Belastingdienst ook de rente over de aanslag was besloten.
PSHmeent dat (i) de boekwaarde-eis pas relevant is bij daadwerkelijke herinvestering, c.q. dat het Hof ten onrechte is uitgegaan van een beperkt herinvesteringsvoornemen ad slechts € 4,9 mio per ultimo 2002: PSH had ruimere herinvesteringsvoornemens, waaraan weinig eisen worden gesteld; (ii) de aan- of afwezigheid van een HIR op transactiedatum niet volgens de koopovereenkomst voor haar rekening komt, nu de koopprijs al gekort is met een belastinglatentie voor de HIR; (iii) [eiser] ’s schade verkeerd is berekend doordat het Hof (a) een percentage van het verschil neemt tussen de vrijvalbelasting en de gepassiveerde belastinglatentie in plaats van die latentie als betaling door PSH te zien en (b) ten onrechte de heffingsrente als schade heeft gezien.
[eiser]meent dat (i) het Hof een verkeerde maatstaf heeft aangelegd bij de beoordeling van PSH’s herinvesteringsvoornemen door te veronachtzamen of dat voornemen binnen de herinvesteringstermijn nog wel uitvoerbaar was; (ii) de boekwaarde-eis in art. 3.54(2) Wet IB 2001 meebrengt dat de HIR in september 2002 niet slechts deels, maar geheel is vrijgevallen; (iii) de heffing op grond van art. 15e Wet Vpb niet volgens de koopovereenkomst voor rekening van [eiser] komt; (iv) het volledige aanslagbedrag als schade van [eiser] moet worden beschouwd omdat [eiser] moet worden gecompenseerd alsof PSH niet zou hebben gewanpresteerd; (v) de wettelijke rente berekend had moeten worden vanaf 17 februari 2007 (het moment waarop de aanslag werd opgelegd).
PSH verweert zich als volgt:
ad middel (i): PSH kon het ene herinvesteringsvoornemen vervangen door een ander, ook tegen het einde van de investeringstermijn.
Ad middel (ii): de boekwaarde-eis is pas relevant bij afboeking van de HIR op de kostprijs van het nieuwe bedrijfsmiddel. Uit de rechtspraak waarop [eiser] wijst, volgt niet dat een HIR slechts kan worden aangehouden als de voorziene herinvestering boven de boekwaarde van het onteigende uitgaat; die rechtspraak erom ging of de boekwaarde-eis op het moment van herinvestering (dus niet daarvóór) leidde tot HIR-vrijval.
Ad middel (iii): PSH acht geenszins onbegrijpelijk ‘s Hof’s uitleg van de koopovereenkomst dat [eiser] het risico draagt van toepassing van art. 15e wet Vpb.
Ad middel (iv): PSH acht de door [eiser] gewenste schadeberekening (belasting over de HIR-vrijval
plusrente
énbehoud van de in de koopprijs begrepen korting voor de HIR-belastinglatentie) niet adequaat. Van te vergoeden schade kan pas sprake zijn als de door [eiser] te betalen belasting en rente die niet voor haar rekening behoort te komen méér bedraagt dan de korting wegens belastinglatentie begrepen in de koopprijs.
Ad middel (v): wettelijke rente is pas verschuldigd vanaf het moment waarop [eiser] schade lijdt, dus pas als [eiser] de aanslag betaalt. Nu onduidelijk is wanneer [eiser] de aanslag heeft betaald, is renteberekening vanaf de dagvaardingsdatum (die vóór de datum van het fiscale compromis lag) niet onjuist of onbegrijpelijk.
[eiser] verweert zich als volgt:
ad middel (i): het Hof heeft terecht geoordeeld (r.o. 4.11.4) dat het herinvesteringsvoornemen van PSH/Drafcentrum per ultimo 2002 beperkt was tot € 4.900.000. Gelet op de boekwaarde-eis is dat onvoldoende om de HIR in stand te laten. De boekwaarde-eis komt niet pas aan de orde als vervanging plaatsvindt. PSH heeft andere investeringsvoornemens niet aannemelijk gemaakt. De verleende termijnverlenging zegt niets over de vraag of daadwerkelijk nog binnen de termijn kan worden geherinvesteerd.
Middel (ii)faalt volgens [eiser] omdat ‘s Hofs oordeel niet nader gemotiveerd hoefde te worden om begrijpelijk te zijn, nu uit de tekst van art. 5(3) van de koopovereenkomst voortvloeit dat PSH het risico draagt voor de aan- of afwezigheid van de HIR: zij staat immers in voor zowel de vorming van de reserve als de handhaving nadien van het vervangingsvoornemen.
Ad middel (iii)meent [eiser] dat, nu zij is aangeslagen voor € 2.460.879 terwijl in de koopprijs rekening is gehouden met een belastinglatentie ad € 1.274.645, het verschil schade van [eiser] is. Daarna rijst pas de vraag voor wiens risico die schade komt. Dat oordeel behoefde volgens [eiser] geen verdere motivering om begrijpelijk te zijn.
business planvan september 2002 nog ononderbroken een vervangingsvoornemen bestond. Mij is niet duidelijk waarom het Hof de toetsing van het bestaan van dat voornemen ophangt aan de boekwaarde-eis, maar dat is niet relevant, nu het Hof op dit punt feitelijk heeft geoordeeld dat na september 2002 niet méér herinvesteringsvoornemen ononderbroken voortbestond dan ter waarde van € 6,9 mio, waarvan € 2 mio (de ‘tweede fase’ van het
business plan) buiten de wettelijke termijn. Dat feitelijke oordeel lijkt mij voldoende gemotiveerd en daarmee in cassatie onaantastbaar. Hof’s oordeel dat PSH niet ononderbroken een voldoende (hippisch) herinvesteringsvoornemen had na september 2002, kan niet succesvol worden bestreden met PSH’s betoog (sub b) dat uit de herinvestering in vastgoedparticipaties volgt dat tijdige en voldoende herinvestering klaarblijkelijk wel degelijk realiseerbaar was. Het Hof bestrijdt immers niet dat het hippische voornemen vervangen kon worden door een vastgoed-voornemen, maar acht een
in omvangonvoldoende voornemen aanwezig na september 2002, zodat niet onafgebroken
voldoendevoornemen aanwezig is geweest om de HIR af te kunnen boeken.
evenredigekorting (voor 57,1%; zie r.o. 4.11.4) op de HIR per september 2002 lijkt mij daarom in strijd met art. 3.54(2) Wet IB 2001. Ik meen dat op basis van ’s Hofs feitelijke oordeel dat in september 2002 nog slechts ter waarde van € 4,9 mio een herinvesteringsvoornemen bestond, de hele HIR reeds toen belast is vrijgevallen. De literatuur en beleidsregels die PSH aanhaalt, zien op gevallen waarin na een
gedeeltelijkeherinvestering een nog steeds voortdurend voornemen bestaat tot verdere herinvestering. Het hof heeft echter feitelijk vastgesteld dat bij PSH/Drafcentrum na september 2002 geen verder voornemen meer bestond dan ter waarde van € 6,9 mio, waarvan € 2 mio buiten de verlengde termijn.
fraus legisomdat PSH niet instond voor adequate benutting van de HIR en [eiser] behoorde tot een groep die bedrijfsmatig vennootschappen opkocht en in vastgoed investeerde. Het Hof heeft de HIR-vrijval-aanslag voor 57,1% toegerekend aan de toepassing van art. 3.54 Wet IB (ontbreken van een voldoende HIR op transactiedatum; voor rekening van PSH) en voor het restant aan de toepassing van art. 15e Wet Vpb (oneigenlijk gebruik van de HIR; voor rekening van [eiser] ).
fraus legisvoor rekening komt van de kennelijk professioneel in HIR-vennootschappen doende [eiser] .
fraus legis, resulterende in vrijval van de (resterende) HIR voor risico van [eiser] . Dit fiscaalrechtelijke oordeel wordt in cassatie niet bestreden en het is rechtskundig juist, zodat ook als de HIR niet in 2002 voor risico van PSH was vrijgevallen, zij in 2003 voor risico van [eiser] in de belaste winst van het Drafcentrum zou zijn opgenomen. Maar als de HIR in 2002 al volledig is vrijgevallen voor risico van PSH, kan zij niet (deels) nogmaals eind 2003 vrijvallen voor rekening van [eiser] . Het gaat hier echter om contractuele aansprakelijkheid wegens wanprestatie, die pas kan ontstaan als er een contract is. Het schadeveroorzakende feit lag dus op zijn vroegst op de transactiedatum 31 december 2003, toen de overeenkomst werd gesloten. De schadeveroorzakende feiten liggen dus niet in de HIR-vrijval, maar in het gegeven dat PSH iets garandeerde dat zij niet kon garanderen (gezien de vrijval in 2002),
tegelijkmet de aandelenoverdracht die de antimisbruikbepaling van art. 15e Wet Vpb activeerde. De partijen hebben op hetzelfde moment bij dezelfde transactie gegokt dat hun anti-HIR-vrijval-constructie zou slagen, PSH gokkende dat het goed zou zitten met het herinvesteringsvoornemen en [eiser] gokkende dat zij niet door art. 15e Wet Vpb of
fraus legiszou worden getroffen. In 2007 bleek de inspecteur echter – in het midden latend of het kwam door art. 3.54(2) Wet IB (onvoldoende voornemen) of door art. 15e Wet Vpb (misbruik) – toch de HIR te belasten in het belastingjaar 2003.
alsart. 15e Wet Vpb geactiveerd. Volgens ’s Hofs uitleg van art. 5(3) van de overeenkomst komt de laatste omstandigheid niet voor rekening van PSH en de eerste omstandigheid niet voor rekening van [eiser] , maar beide oorzaken zijn elk op zichzelf voldoende voor het ontstaan van de schade (daarom liet de inspecteur het ook in het midden). Het lijkt hier te gaan om afzonderlijke dubbele causaliteit (beide oorzaken doen zich tegelijk voor en zijn elk op zichzelf in staat om de gehele schade te veroorzaken) of alternatieve dubbele causaliteit (beide oorzaken zijn elk op zichzelf in staat om de gehele schade te veroorzaken, maar doen zich (kort) na elkaar voor).
triggeringvan art. 15e Wet Vpb, dan wel beide) niet in 2002 zit(ten), maar op hetzelfde moment op 31 december 2003, in dezelfde transactie, die het risico van het één toedeelt aan de ene partij en het risico van het ander aan de andere partij. De feitenrechter moet op basis van de uitkomst daarvan ook de toerekening van de heffingsrente bezien, die die uitkomst zou kunnen volgen.
dies a quovan de wettelijke rente (middelonderdeel (v) [eiser] ) meen ik dat het Hof kon uitgaan van de datum van de inleidende dagvaarding, gegeven (i) de onduidelijkheid over de bestrijding en de houdbaarheid van de aanslag door diens betrokkenheid in omvattende compromisonderhandelingen met de fiscus, (ii) het intrekken van het bezwaar tegen de aanslag door [eiser] in het kader van dat veel meer omvattende compromis met de groep waartoe [eiser] behoorde, (iii) het door [eiser] onduidelijk gelaten moment van betaling van de aanslag én de onduidelijkheid over het al dan niet belopen zijn van (hoeveel) invorderingsrente over de aanslag en (iv) dat de compromisdatum lag ná de datum van de inleidende dagvaarding, zodat dit onderdeel strandt.
2.Feiten en procesverloop
Feiten
.
i.e.verkoop van de aandelen in het Drafcentrum.
4.11.1 Beoordeling van de vordering
3.Het geschil in cassatie
in2002 nog de beoogde draf- en renbaan kon worden gerealiseerd na een positief besluit van de gemeente, en dat PSH dat voornemen niet kon vervangen door een ander voornemen (tot herinvestering in vastgoed). PSH was echter wel degelijk bevoegd om haar aanvankelijke voornemen te vervangen door een ander, ook nog tegen het einde van de herinvesteringstermijn.
- PSH’s klacht in haar schriftelijke toelichting ad middelonderdeel (i) sub a is niet dezelfde klacht als in de procesinleiding onder dat subonderdeel geformuleerd over ’s Hofs beoordeling of eind 2002 een herinvesteringsvoornemen bestond;
- PSH’ schriftelijke toelichting stelt dat zij in middelonderdeel (ii) sub b heeft betoogd dat ’s Hofs oordeel ontoereikend gemotiveerd is gelet op hetgeen PSH in feitelijke instanties heeft aangevoerd. De stellingen waar PSH naar verwijst, komen echter niet tot uitdrukking in genoemd subonderdeel van haar cassatiemiddel.
- Als de toelichting ad middelonderdeel (iii) sub c een aanvulling van de klacht inhoudt inhoudende dat een aanslag over 2002 in strijd zou zijn met het vertrouwen dat de inspecteur met de termijnverlenging heeft opgewekt, is zij tardief;
- In de schriftelijke toelichting schrijft PSH ad middelonderdeel (iii) “dat van schade geen sprake kan zijn omdat de HIR sowieso geheel op grond van artikel 15e Wet Vpb zou zijn vrijgevallen, ook al zou geen gedeeltelijke vrijval per eind 2002 hebben plaatsgevonden.” [eiser] acht de klacht van PSH in de procesinleiding echter beperkter geformuleerd, nl. gebaseerd op de gedachte dat de inspecteur uitsluitend vennootschapsbelasting heeft geheven over 2003 vanwege een vrijval van de herinvesteringsreserve in 2003 op grond van de toepassing van art. 15e (oud) Wet Vpb. Daarmee bouwt de klacht voort op middelonderdeel (i) sub c van het cassatiemiddel van PSH. Voor zover PSH heeft beoogd haar klacht te verruimen, is dat ongeoorloofd;
- PSH’ schriftelijke toelichting betoogt dat de heffingsrente over de periode na 15 december 2003 voor de schadeberekening buiten beschouwing moeten blijven. Middelonderdeel (iii) bevat echter geen klacht van die strekking.
4.Wet- en regelgeving
nietgeldende - beperking in lid 4 is de volgende:
5.Behandeling van de middelen
Herinvesteringsvoornemen? Middelonderdeel (i) PSH en middelonderdeel (i) [eiser]
helemaalgeen voornemen meer had om te herinvesteren. Hij heeft PSH gelijk gegeven dat het voornemen
tot een nieuwe draf- en renbaanpas is vervallen op de algemene ledenvergadering van 15 december 2003, toen PSH besloot om het Drafcentrum
in vastgoedparticipatieste laten herinvesteren. Die participaties hadden weliswaar niet dezelfde bedrijfseconomische functie als een draf- en renbaan, maar dat was op zichzelf geen grond voor HIR-vrijval: het stond PSH ingevolge art. 3.54(9) Wet IB 2001 immers vrij om te herinvesteren in een bedrijfsmiddel met een andere functie, nu de HIR was gevormd ter gelegenheid van overheidsingrijpen (onteigening).
in een draf- en renbaante investeren als zodanig, niet op de
omvangvan die voorgenomen investering. Over die
omvanggaat het pas in r.o. 4.11.4. Het Hof oordeelt daar in wezen dat PSH’s hippische investeringsvoornemens vanaf september 2002, gezien het toen aan de gemeente gepresenteerde
business plan, hoogstens tot een herinvestering ad € 6,9 mio zouden leiden, waarvan bovendien € 2 mio (uitbreiding tribune) buiten de wettelijke herinvesteringstermijn, zodat na september 2002 nog slechts ter waarde van € 4,9 mio het volgens HR BNB 2013/21 [9] vereiste ononderbroken herinvesteringsvoornemen bestond. Het Hof heeft in dat verband overwogen dat PSH/Drafcentrum kennelijk niet (meer) voornemens was om in grond te herinvesteren (anders dan in Hilversum het geval was) en dat PSH/Drafcentrum niet heeft gesteld of aannemelijk gemaakt dat zij in september 2002 nog andere voornemens tot herinvestering hadden dan vervat in het bij de gemeente ingediende
business plan. Het Hof volgt daarmee mijns inziens in wezen het subsidiaire standpunt van de inspecteur zoals vervat in diens boven (2.21) geciteerde brief van 22 november 2010.
onvoldoende hippisch voornemen resteerde: ruim vóór PSH’s besluit/voornemen van 15 december 2003 tot aankoop van door [eiser] aan te wijzen vastgoedparticipaties was het voordien bestaande voornemen tot voldoende omvattende herinvestering in Almere al grotendeels vervallen, nl. al in september 2002, aldus het Hof. PSH heeft volgens ’s Hofs vaststellingen niet gesteld dat
toenal enig ander herinvesteringsvoornemen, bijvoorbeeld in vastgoedparticipaties, bestond of ontstond, zoals vereist om een
ononderbrokenvoldoende herinvesteringsvoornemen tot de transactiedatum te kunnen aannemen. ’s Hofs feitelijke oordeel dat op 15 december 2003 PSH’s aanvankelijke hippische herinvesteringsvoornemen is omgezet in een plan tot koop van vastgoedparticipaties – welk voornemen PSH heeft gehandhaafd tot transactiedatum, zodat PSH in zoverre haar garantie heeft waargemaakt – ziet dus slechts op het na september 2002 nog resterende beperkte hippische herinvesteringsvoornemen ter waarde van € 4,9 mio vervat in het bij de gemeente ingediende
business plan.
De bodemboekwaarde van art. 3.54(2) Wet IB 2001: [eiser] ’s middelonderdeel (ii)
in casu. Als ik een grote auto met een boekwaarde van 10 verkoop voor 20 en voor de boekwinst ad 10 een HIR vorm, maar vervolgens binnen de herinvesteringstermijn nog slechts van plan ben om een kleiner autootje voor 8 te kopen, kan ik dat autootje betalen uit de eerste 10 en heb ik de tweede 10 daar niet voor nodig. Die tweede 10 valt dan in de belaste winst. Dat zegt ook onderdeel 2.3, 2e alinea van het in 4.7 geciteerde Besluit (‘voor zover die uitgaat boven de boekwaarde van het vervreemde bedrijfsmiddel’).
datmoment echter wel degelijk een
voldoendeherinvesteringsvoornemen onafgebroken aanwezig blijven om de HIR te kunnen benutten zonder beneden de bodemboekwaarde te komen. PSH miskent dat ’s Hofs oordeel niet ziet op 1997, maar op 2002. De boekwaarde-eis kan dus wel degelijk relevant zijn vóór herinvestering, bijvoorbeeld als wel een voornemen bestaat tot herinvestering, maar niet in bedrijfsmiddelen met een zelfde economische functie of als, zoals
in casuvolgens het Hof, het aanvankelijk bestaande herinvesteringsvoornemen is gekrompen tot een bedrag beneden de ‘oude’ boekwaarde. De citaten uit literatuur en beleidsregels die PSH aanhaalt, zien op gevallen waarin na een
gedeeltelijkeherinvestering een nog steeds voortdurend voornemen bestaat tot
verdereherinvestering. Het hof heeft
in casuechter feitelijk vastgesteld dat bij PSH/Drafcentrum na september 2002 geen verder voornemen meer bestond dan ter waarde van € 4,9 mio. PSH’s in dat verband gedane beroep (op vertrouwen) op de verlenging van de herinvesteringstermijn door de inspecteur tot eind 2003 miskent dat de inspecteur met zo’n verlenging geenszins toezegt dat een onafgebroken voldoende herinvesteringsvoornemen niet nodig zou zijn gedurende die volledige verlenging tot aan het moment van voldoende herinvestering.
evenredigekorting (voor 57,1%; zie r.o. 4.11.4) op de HIR per september 2002 lijkt mij daarom in strijd met art. 3.54(2) Wet IB 2001. Dat zou mijns inziens slechts anders kunnen zijn als PSH/Drafcentrum gesteld zou hebben dat de ren- en drafactiviteiten structureel met 57,1% werden ingekrompen, zodat ook de ‘oude’ boekwaarde met hetzelfde percentage gekort zou moeten worden. De onteigenings-vergoeding zou dan voor 57,1% worden toegerekend aan de structurele inkrimping en voor 42,9% aan de structureel minder kapitaalintensieve voortzetting. Dat zou het geval kunnen zijn bij een bedrijf dat dezelfde omzet/productie kan halen uit een nieuw, verbeterd, kleiner bedrijfsmiddel dat niet meer dan de ‘oude’ boekwaarde kost, terwijl wel een boekwinst wordt gemaakt op de vervreemding van het oude, grotere en duurdere bedrijfsmiddel. PSH heeft echter niets van dien aard gesteld, maar integendeel steeds gesteld dat het plan
volledigeherinvestering was, en zij heeft in december 2003 op aanwijzing van [eiser] ook het hele bedrag van de na verliesverrekening resterende onteigeningsvergoeding in vastgoedparticipaties gestopt.
’s Hofs uitleg van art. 5(3) koopovereenkomst (garanties; risicoverdeling): [eiser] ’s middelonderdeel (iii) en PSH’s middelonderdeel (ii)
nietop transactiedatum was overgaan naar [eiser] en (ii) [eiser] het risico droeg van toepassing van de antimisbruikbepaling van 15e Wet Vpb of
fraus legisomdat PSH niet instond voor adequate benutting van de HIR en [eiser] behoorde tot een groep die bedrijfsmatig vennootschappen opkocht en in vastgoed investeerde. Het Hof heeft de HIR-vrijval-aanslag op die basis voor 57,1% toegerekend aan de toepassing van art. 3.54 Wet IB (ontbreken van een voldoende HIR op transactiedatum; voor rekening van PSH) en voor het restant aan de toepassing van art. 15e Wet Vpb (oneigenlijk gebruik van de HIR; voor rekening van [eiser] ).
voornemenhandhaaft tot de transactiedatum; niet dat zij het op de transactiedatum (nog) bestaan van de herinvesterings
reservegarandeert of dat zij succesvolle afboeking garandeert, ook niet als zij het belang in het Drafcentrum zou hebben behouden. Een HIR kan ook vrijvallen door andere oorzaken dan het ontbreken van een herinvesteringsvoornemen, bijvoorbeeld door de toepassing van een antimisbruikbepaling of
fraus legis. Anders dan [eiser] bij verweer lijkt te stellen, houden de garanties dat (i) een HIR is gevormd en (ii) het herinvesteringsvoornemen wordt gehandhaafd tot transactiedatum dan ook niet automatisch in dat ook succesvolle afboeking van de (hele) HIR op de kostprijs van de vastgoedparticipaties wordt gegarandeerd. In zoverre lijkt mij ’s Hofs uitleg van art. 5(3) niet helemaal begrijpelijk. Maar duidelijk is wel dat het Hof feitelijk heeft geoordeeld dat reeds in september 2002 PSH’s herinvesteringsvoornemen was gekrompen tot € 6,9 mio, waarvan € 2 mio buiten de verlengde herinvesteringstermijn. Gegeven een hogere ‘oude’ boekwaarde, volgt daaruit fiscaalrechtelijk (zie onderdeel 5.B hierboven) dat de HIR eind 2002 geheel is vrijgevallen.
fraus legisvoor rekening komt van de kennelijk professioneel in HIR-vennootschappen doende [eiser] .
Causaal verband en schadeberekening: onderdeel (iii) PSH en onderdeel (iv) [eiser]
i.e.57,1% van – volgens het Hof [14] – € 1.174.250, ofwel € 670.497. Het Hof heeft ook 57,1% van de heffingsrente ad € 319.631,
i.e.€ 182.509 toegerekend aan PSH’s wanprestatie.
fraus legis, die volgens ’s Hofs risicoverdeling voor rekening van [eiser] komt, zodat zonder uitgebreider motivering niet valt in te zien waarom het Hof meent dat [eiser] voldoende causaal verband tussen PSH’s wanprestatie en de aanslag aannemelijk heeft gemaakt.
condicio sine qua non: [17] ongeacht of PSH al dan niet voldoende onafgebroken herinvesteringsvoornemens had, en gegeven het ontbreken van navorderingsbevoegdheid over 2002, was als gevolg van de toepasselijkheid van art. 15e Wet Vpb of
fraus legishoe dan ook een HIR-verval-aanslag 2003 ten laste van het Drafcentrum/ [eiser] gevolgd. Het ontbreken van voldoende herinvesteringsvoornemen bij PSH én de ondeugdelijkheid van PSH’s garantie zijn volgens ’s Hofs fiscaalrechtelijke oordeel inderdaad geen van beide noodzakelijke voorwaarde voor de HIR-aanslag over 2003 (waarin voor zoveel nodig 2002 was begrepen op basis van de foutenleer). Het Hof heeft in r.o. 4.11.5 immers fiscaal-rechtelijk geoordeeld dat de feitelijke omstandigheden van de aandelenverkoop tot de conclusie nopen dat voldaan werd aan de voorwaarden voor toepassing van art. 15e Wet Vpb of
fraus legis, ook voor zover er wél (nog) een herinvesteringsvoornemen was, resulterende in vrijval van de (resterende) HIR voor risico van [eiser] . Dit fiscaalrechtelijke oordeel wordt in cassatie niet bestreden en het lijkt mij rechtskundig juist, gegeven de rechtspraak van uw belastingkamer over oneigenlijk gebruik van andermans HIR. [18] Daaruit volgt dat ook als de HIR niet in 2002 voor risico van PSH was vrijgevallen, zij in 2003 voor risico van [eiser] in de belaste winst van het Drafcentrum zou zijn opgenomen.
triggeringvan art. 15e Wet Vpb. Het gaat in deze zaak immers om contractuele aansprakelijkheid. Die kan pas ontstaan als de overeenkomst is geschonden, hetgeen pas kan gebeuren ná het sluiten ervan (ik zie even af van precontractuele goede trouw). Het schadeveroorzakende feit lag dus op zijn vroegst op de transactiedatum (31 december 2003), toen de overeenkomst werd gesloten. De relevante schadeveroorzaking ligt niet in de HIR-vrijval, maar in het gegeven dat PSH op 31 december 2003 iets garandeerde dat zij – achteraf bezien – niet kon garanderen,
tegelijkmet de aandelentransactie die de antimisbruikbepaling van art. 15e Wet Vpb of
fraus legisactiveerde die volgens ’s Hofs uitleg van de overeenkomst voor risico van [eiser] komt. De partijen hebben alles temporeel zoveel mogelijk samen laten vallen om zo weinig mogelijk risico te lopen. Beide partijen hebben op hetzelfde moment bij dezelfde transactie gegokt dat hun anti-HIR-vrijval-constructie zou slagen, PSH gokkende dat het goed zat met het herinvesteringsvoornemen en [eiser] gokkende dat zij niet door art. 15e Wet Vpb of
fraus legiszou worden getroffen. (Pas) in 2007 bleek de inspecteur echter – in het midden latend of het kwam door art. 3.54(2) Wet IB (onvoldoende voornemen) of door art. 15e Wet Vpb (misbruik) – toch alsnog de HIR te belasten in het belastingjaar 2003. Nu het gaat om contractuele aansprakelijkheid en contractuele risicoverdeling, en de schadeveroorzaking zich pas op 31 december 2003 op het transactiemoment voordoet, lijkt op dat transactietijdstip sprake van een dubbele causaliteit [19] onder de schade (de aanslag). Op 31 december 2003, bij dezelfde transactie, werd zowel een achteraf ondeugdelijk blijkende garantie gegeven
alsart. 15e Wet Vpb geactiveerd. Volgens ’s Hofs mijns inziens voldoende gemotiveerde uitleg van art. 5(3) van de overeenkomst komt de laatste omstandigheid niet voor rekening van PSH en de eerste niet voor rekening van [eiser] . Beide oorzaken zijn elk op zichzelf voldoende voor het ontstaan van de volledige schade (daarom liet de inspecteur het denkelijk ook in het midden).
Leeuwarden/ […], [21] op basis van de uitgangspunten dat (i) de HIR eind 2002 al was vrijgevallen door gebrek aan voldoende herinvesteringsvoornemen, maar (ii) de schadeveroorzakende gebeurtenis(sen) (wanprestatie c.q.
triggeringvan art. 15e Wet Vpb) niet in 2002 zit(ten), maar op hetzelfde moment op 31 december 2003 vallen, in dezelfde transactie, die het risico van het één toedeelt aan de ene partij en het risico van het ander aan de andere partij. Dat suggereert een 50-50-verdeling van de schade, maar laat ik mij daar in cassatie niet mee bemoeien.
carry forwardin latere jaren belasting wordt bespaard. Dat het daarvan eventueel niet is gekomen, al dan niet als gevolg van faillissement, valt mijns inziens onder het ondernemersrisico van [eiser] .
in casublijkt te zijn, wordt de belastingvoorziening daarvoor in de overdrachtsbalans en de koopprijs niet tegen een geschatte contante waarde verwerkt, maar tegen de nominale waarde;
in casukennelijk € 2.460.879, gezien het bedrag van de HIR-vrijval-aanslag. Ik acht daarom ’s Hofs uitleg van de overeenkomst aldus dat de in de koopprijs verdisconteerde latentie in mindering komt op een eventueel door PSH aan [eiser] te betalen schadevergoeding wegens onverhoopte acuutheid van de fiscale HIR-claim niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
Dedies a quovan de wettelijke rente (middelonderdeel (v) [eiser] )
in casu: PSH kan niet alsnog een voldoende voornemen gaan koesteren – de vordering tot schadevergoeding wordt ingesteld wegens wanprestatie, is de schuldenaar op grond van art. 6:83(b) BW zonder voorafgaande ingebrekestelling in verzuim en is de wettelijke rente verschuldigd vanaf het moment waarop de schade is geleden. [22]