Uitspraak
[requirant 1], wonende te
[woonplaats], handelende voor zichzelf en in zijn hoedanigheid van bestuurder van de besloten vennootschap [A] en [B] , beiden gevestigd en kantoorhoudende te
, alsmede
[requirant 2], wonende te
[woonplaats].
bijpersonen … worden …. niet in beslag genomen, moet worden gelezen en verstaan in verband met de artikelen 94 en 97 Wetboek van Strafvordering en wel aldus, dat het hier uitsluitend gaat om inbeslagneming
ter plaatse vande verblijf- of woonplaats van de beslagene en, in elk geval, van goederen waarover deze nog de feitelijke zeggenschap of beschikking heeft. Dit nu kan niet gezegd worden van correspondentie of afschriften daarvan waarover deze, in casu de geheimhouder, de feitelijke beschikking niet (meer) heeft.
strekkingvan artikel 98 eerste Pro lid, van het Wetboek van Strafvordering is geschonden’’; mogelijk wil de rechtbank hiermede zeggen dat niet de letter van artikel 98 doch Pro een onderliggend rechtsbeginsel is geschonden. Dit wordt in de daaropvolgende alinea echter onvoldoend gemotiveerd. De vertrouwensrelatie die hier wordt bedoeld wordt in de jurisprudentie eng geïnterpreteerd (vgl. H.R. 25 oktober 1983, N.J. 1984, 132, waar het ‘’aanzienlijke’’ belang van een goede strafrechtspleging moet prevaleren boven het door registeraccountants gepretendeerde verschoningsrecht). Bovendien betreft het hier schriftelijke stukken gewisseld tussen de advocaat en een rechtspersoon in een kennelijk civiele kwestie, terwijl het gerechtelijk vooronderzoek is gericht tegen één van de partners bij bedoelde rechtspersoon en de advocaat niet is de raadsman van deze verdachte in de strafprocedure. De 3e alinea van de 8e overweging is daarom onbegrijpelijk.
doorof
aanverschoningsgerechtigden gedane mededelingen tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt.
19 november 1985.