Conclusie
Fraus legis
convertiblescivielrechtelijk een lening?
Algemeen
1.Samenvatting
limited partnership(het Fonds) dat als doel heeft overnames van bedrijven om op de wederverkoop ervan na een aantal jaren vermogenswinst te behalen. De inleg van de deelnemers in het Fonds, dat in totaal € 5,4 miljard eigen vermogen heeft bijeen gebracht, wordt verdeeld over door het Fonds beheerste Franse
Fonds Commun de Placement à Risques(FCPR’s) en Britse
limited partnerships(
LP’s)
.Het Fonds heeft met het oog op de overname van de [X-groep] in Nederland drie rechtspersonen opgericht, [Y] U.A. ( [Y] ), die de aandelen [B] BV ( [B] ) hield, die op haar beurt de aandelen [C] BV ( [C] ) hield. [C] was de overnameholding. Gedrieën waren zij een fiscale eenheid [A] voor de heffing van de vennootschapsbelasting. De belanghebbende is, kort gezegd, de rechtsopvolger van die fiscale eenheid. Het investeringsvermogen gebruikt voor de overname van de [X-groep] is door het Fonds verdeeld over vier van zijn FCPR’s die respectievelijk 30%, 30%, 30% en 10% in [Y] hielden en daardoor niet verbonden waren in de zin van art. 10a Wet Vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb).
convertible instruments(een hybride lening). Het ledenkapitaal is ingelegd door de vier FCPR’s (€ 74,67 miljoen), het management van het Fonds (€ 1,96 miljoen) en [D] LLC ( [D] ) (€ 1,38 miljoen). Op de door haar uitgegeven
convertible instrumentsheeft [Y] € 61,5 miljoen ontvangen, € 60,4 miljoen van de FCPR’s en € 1,1 miljoen van [D] . Op de
convertiblesis [Y] 13% rente per jaar verschuldigd, die niet wordt betaald maar rentedragend wordt bijgeboekt. Ten slotte hebben de vier FCPR’s aan [Y] nog € 5 miljoen verstrekt als
Interest-free Loan Notes. Binnen de fiscale eenheid [A] heeft [Y] alle door haar ontvangen bedragen gestort in haar dochter [B] , die op haar beurt aan haar dochter [C] (de overnameholding) € 72,64 miljoen als kapitaal en € 62,36 miljoen als lening heeft verstrekt.
senior facilityad € 113,75 miljoen uitgeleend en [D] en [E] hebben haar een
mezzanine facilityad in totaal € 35 miljoen uitgeleend.
before closing’haar rechten en plichten uit deze overeenkomst overgedragen aan [C] , die op 21 januari 2011 voor € 265 miljoen de aandelen heeft gekocht, die op 31 januari 2011 zijn geleverd. Daardoor werd [X] BV per 31 januari 2011 ontvoegd uit de fiscale eenheid [G] Group BV. Op diezelfde datum is zij opgenomen in de fiscale eenheid [A] , en heeft [C] een lening ad € 25 miljoen verstrekt aan haar Duitse dochter [I] GmbH ( [I] ), rentende 9% ‘s jaars.
convertibles(2011/2012) geschrapt en de rente op de lening aan [I] omhoog gecorrigeerd naar een zijns inziens zakelijke voet. De Rechtbank achtte de aftrekweigering terecht omdat de financiers volgens haar met de
convertiblesdeelnamen in belanghebbendes ondernemersrisico. Verder stond volgens haar de EU-vestigingsvrijheid, met name de per-element-benadering van de fiscale eenheid, niet in de weg aan heffing over de rente ontvangen van [I] . Wel gegrond achtte de Rechtbank belanghebbendes bezwaren tegen de bonusaftrekweigering en tegen de opwaartse correctie van de rente op de [I] -lening.
convertiblescivielrechtelijk een lening zijn en fiscaalrechtelijk geen deelnemerschapslening, (ii) aftrek van de
convertibles-rentebijboeking niet als onzakelijk kan worden geweigerd en (iii) ook art.10a Wet Vpb renteaftrek niet verhindert nu de volgens lid 4 vereiste verbondenheid tussen de FCPR’s ontbreekt. Toch weigerde het Hof de renteaftrek omdat hij de financieringsstructuur als
fraus legisbeschouwde. Binnen het zakelijke doel (met eigen risicokapitaal bedrijven opkopen en daar vermogenswinst op behalen) hadden de door de belanghebbende aan de FCPR’s uitgegeven
convertiblesgeen andere functie dan creëren van fiscaal voordeel door winstdrainage in Nederland zonder
pick upelders. Ook het Hof zag de EU-vestigingsvrijheid niet in de weg staan aan heffing over de van [I] ontvangen rente. Op het incidentele hoger beroep van de Inspecteur heeft het Hof geoordeeld dat de aan het management van [X] uitbetaalde bonussen niet bij de belanghebbende in aftrek komen.
convertibles fraus legiszou zijn; (ii) de heffing over de van [I] ontvangen rente en (iii) de weigering van aftrek van de bonussen. De voorwaardelijk incidentele middelen van de Staatssecretaris van Financiën (Staatssecretaris) bestrijden ‘s Hof oordelen dat (i) de
convertiblescivielrechtelijk een lening zijn (ii) zij fiscaalrechtelijk geen deelnemerschapslening zijn; (iii) art. 10a(4) Wet Vpb niet aan aftrek in de weg staat en (iv) de rente geen onzakelijke last is ex artt. 8 en 8b Wet Vpb.
fraus legistoegepast op de gehele
convertiblelening; (b) het Hof heeft buiten het geschil geoordeeld dat aan de groepering van belanghebbendes gerechtigden slechts fiscale motieven ten grondslag lagen; (c) de wetgever heeft het bereik van art. 10a Wet Vpb beperkt tot gevallen van verbondenheid bedoeld in lid 4, zodat geen ruimte meer bestaat voor constatering van
fraus legisbij ontbreken van die verbondenheid; (d) aan de motief- en normvereisten van
fraus legisis niet voldaan en gegeven de zakelijkheid van de aankoop doet de vormgeving van de reële financieringsbehoefte niet ter zake; (e) renteaftrekweigering is in strijd met de vrijheden van vestiging en kapitaalverkeer.
fraus legissteunt niet op onzakelijkheid van het doel van de financiering (aankoop van [X] c.q. financiering van [I] ), dus niet op verband met een besmette rechtshandeling, maar op de constructie van de financiering, met name op zijn oordeel dat invoeging van de
convertiblesmet de belanghebbende als debiteur geen ander dan een antifiscaal doel had. Zijn motivering steunt vooral op analyse van de vorm van de financiering van de [X] -aankoop, maar de vorm van de financiering van de [I] -lening is dezelfde. Uit het dossier blijkt dat de fiscus de gehele
convertibles-renteaftrek bestreed, zij het dat hij zou afzien van heffing over de van [I] rente ontvangen als de
convertibles-rente ziende op de [I] -lening onaftrekbaar zou zijn. Het Hof heeft geoordeeld dat de (alle)
convertibles, dus ook die verstrekt aan [D] (die eveneens lid was), geen andere functie hadden dan behalen van fiscaal voordeel en hij heeft expliciet verband gelegd tussen het vervallen van de correctie wegens – door de fiscus gestelde - onzakelijkheid van de [I] -lening en - door de inspecteur gestelde - onaftrekbaarheid van de gehele rentelast op de
convertibles. Ik meen daarom dat dit onderdeel faalt.
convertiblesmet de belanghebbende als debiteur een antifiscaal motief ten grondslag lag. Ik meen daarom dat dit onderdeel faalt.
fraus legiskan worden vastgesteld in gevallen die geconstrueerd zijn om die verbondenheid kunstmatig te vermijden, maar waarin desondanks het door de wetgever beoogde resultaat (voorkoming van geconstrueerde rentaftrek op commercieel nutteloze leningen) wordt gefrustreerd. Met een hard criterium voor verbondenheid (1/3e belang) in een bepaling die renteaftrek bestrijdt op leningen met geen ander reëel doel dan belastingontwijking, heeft de wetgever mijns inziens niet aangegeven dat hij (wél) aftrek zou aanvaarden van geconstrueerde rente op een commercieel nutteloze lening in gevallen waarin de onderlinge verbondenheden van de financiers (net) om de criteria van art. 10a Wet Vpb heen zijn geconstrueerd, maar de (hybride) leenverhouding nog steeds geen ander doel dient dan winstdrainage in Nederland zonder
pick upelders. Ik meen daarom dat dit onderdeel faalt.
fraus legisoordeel baseert op een interne verhanging, maar uit ’s Hofs uitspraak volgt dat niet. Voor het
fraus legisoordeel is beslissend dat de commercieel zinloze opsplitsing van het eigen vermogen van het Fonds bij de FCPR’s en de geleiding langs [Y] c.s. als Nederlandse, met de
targette voegen debiteur, een commercieel zinloze schuld creëert leidende tot renteaftrek tegenover de winst van de
target, zonder wezenlijke verandering in de vermogenspositie van de FCPR’s en met geen andere dan een antifiscale functie. Dat lijkt mij een niet-onbegrijpelijk feitelijk oordeel. Het stond het Hof als feitenrechter vrij om bij zijn onderzoek naar de motieven voor de structuur er mede betekenis aan te hechten dat de aanvankelijke koopovereenkomst was gesloten door [F] , die niet in Nederland als rentedebiteur gevoegd kon worden met de
target. Het Hof zag vervolgens strijd met (i) doel en strekking van (de verbondenheidscriteria en de dubbele zakelijkheidstoets van) art. 10a Wet Vpb, maar ook met (ii) doel en strekking van de daaraan ten grondslag liggende ruimere norm, te kennen uit onder meer HR
BNB2015/165 (
Mauritius), HR
BNB1996/4 en HR
BNB2009/123, nl. dat doel en strekking van de Wet Vpb geen renteaftrek verdragen op leningen die geen (andere dan antifiscale) functie vervullen in de financiering van een onderneming. Nu art. 10a Wet Vpb een dubbele zakelijkheidstoets inhoudt, moet de rechter die toets mijns inziens ook in acht nemen bij de beoordeling of die bepaling kunstmatig vermeden wordt, dus mede toetsen of ook de financiering van het zakelijke doel zakelijk is dan wel commercieel zinloze tussenstappen omvat. Weliswaar was volgens HR
BNB2005/169 met de zakelijkheid van een overname ook de zakelijkheid van de financiering gegeven, maar uit
Mauritiusblijkt dat na de besmetverklaring van ook externe acquisities in art. 10a Wet Vpb dat arrest geen maatstaf meer is bij de toepassing van die bepaling. HR
BNB2005/169 is daardoor mijns inziens evenzeer achterhaald bij de beoordeling van mogelijke ontduiking van art. 10a Wet Vpb. Dat de feiten anders zijn dan in
Mauritiusimpliceert niet dat er geen onzakelijke omleiding/omzetting van eigen vermogen zou kunnen zijn. Ook commercieel nutteloze tussenstappen kunnen als omleiding worden beschouwd. Gezien HR
BNB1996/4 en HR
BNB2009/123 heeft het Hof terecht getoetst of in het samenstel van rechtshandelingen met zakelijk einddoel (overname [X] ; financiering [I] ) rechtshandelingen zijn opgenomen die voor dat doel zinloos zijn buiten hun antifiscale effect.
convertibles, eigen vermogen antifiscaal is omgezet in vreemd vermogen. Zijn oordeel komt erop neer dat het in de economische werkelijkheid gaat om uiteindelijk één centraal geleid fonds dat € 5,4 miljard risicodragend eigen vermogen bijeen heeft gebracht voor overnames, dat parallel heralloceerbaar wordt geleid langs zeer nauw met het Fonds en elkaar verweven hybride FCPR’s naar keuze die feitelijk als een
tax havenfungeren, zulks bij deze overname mede om de wettelijke verbondenheidscriteria en daarmee de renteaftrekbeperking te frustreren, en langs een met de
targette voegen commercieel zinloos tot debiteur van de FCPR’s gemaakte Nederlandse vennootschap.
fraus (art. 10a) Wet Vpbonverenigbaar had moeten achten met het vrije verkeer van kapitaal en de vestigingsvrijheid. Als de FCPR’s in Nederland waren gevestigd, zou voldaan zijn aan de compenserende heffingstoets ex art. 10(3)(b) Wet Vpb; doordat zij in Frankrijk zijn gevestigd en daar fiscaal transparant zijn, kunnen zij niet aan die toets voldoen. Ik meen dat die gevallen niet objectief vergelijkbaar zijn, nu fiscaal transparant en fiscaal niet-transparant niet vergelijkbaar is en fiscaal onderworpen en fiscaal niet-onderworpen evenmin. Als dat anders is, acht ik het onderscheid gerechtvaardigd door de noodzaak - zelfs de verplichting - om misbruik van recht tegen te gaan. Uit HR
BNB2004/142, HR
BNB2012/213 en HR
BNB2017/162 volgt dat als de beoogde renteaftrek misbruik van recht inhoudt, geen beroep kan worden gedaan op de EU-verdragsvrijheden en dat de rechter zowel art. 10a Wet Vpb als
fraus legisEU-rechtconform toepast, en uit de Deense zaken voor het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) C-115/16, C-118/16, C-119/16 en C-299/16, (
N Luxembourg 1 e.a.) volgt dat de lidstaten verplicht zijn misbruikelijk beroep op EU-recht te bestrijden.
mismatch) met ook volgens de EU te bestrijden grondslaguitholling tot gevolg. Uit de HvJ EU-zaken
X Holding,
Lidl Belgium,
Krankenheim Ruhesitz, en
Timac Agrovolgt mijns inziens dat Nederland niet verplicht is een buitenlands verlies (de rentelast van de uitsluitend in Duitsland onderworpen dochter [I] ) te importeren om heffing over binnenlandse winst (ontvangen rente) onmogelijk te maken als Nederland ook niet heft over de tegenover die buitenlandse lasten/verliezen staande buitenlandse winsten, mede omdat fiscale neutraliteit van intragroepstransacties behoort tot het wezen van fiscale consolidatie en niet eenzijdig door Nederland bereikt kan worden hij gebrek aan jurisdictie in Duitsland. Uit HvJ EU
Groupe Stériavolgt dat de vestigingsvrijheid belastingplichtigen niet de mogelijkheid biedt om naar eigen inzicht te bepalen in welke fiscale jurisdictie zij rentebaten en renteaftrek laten vallen, laat staan de mogelijkheid om naar eigen inzicht een
deduction/no inclusionte creëren. Ik acht principaal middel (ii) daarom ongegrond. De genoemde Deense zaken
N Luxembourg 1 e.a.eisen juist van de lidstaten dat zij misbruik van (EU-)recht tegengaan.
BNB2000/269, zodat op basis van dat arrest passivering niet meer uitgesteld kon worden.
targetbonusdebiteur, zodat de bonusverplichting met de
targetmeeging naar de koper, maar de geraamde bonuskosten zijn in mindering gebracht op de verkoopprijs. De ontvoegingsbalans is mijns inziens een continuïteitsbalans, zodat het niet om een totaalwinstvraag of ‘realisatiemoment’ gaat, maar om een boekjaarwinstvraag en daarmee om goed koopmansgebruik. Wat er zij van diens motivering, meen ik met het Hof dat als de kans dat de bonusvoorwaarden niet vervuld worden verwaarloosbaar is (dat is een feitelijk oordeel), goed koopmansgebruik niet toestaat om de daardoor op balansdatum vast staande verplichting te veronachtzamen. Ook incidenteel middel (iii) faalt daarom mijns inziens.
BNB2018/60 de Staatssecretaris in de weg: uw criteria voor fiscaalrechtelijke kwalificatie van een civielrechtelijke lening als fiscaal eigen vermogen (deelnemerschapslening) worden ‘in zijn algemeenheid’ niet ‘materieel’ toegepast maar op basis van wat is overeengekomen. De Staatssecretaris meent dat op dit ‘algemene’ uitgangspunt (dus) uitzonderingen bestaan in ‘extreme’ gevallen zoals in casu, waarin de rente 13% per jaar beloopt, maar niet betaald wordt of kan worden maar rentedragend wordt bijgeboekt, waardoor bij een daadwerkelijke 40-jarige looptijd een ondraaglijke rentelast zou ontstaan, terwijl duidelijk is dat de looptijd gelijk is aan de duur van de investering en de
yieldin wezen gelijk is aan die op het ledenkapitaal en pas betaald zal (kunnen) worden na wederverkoop van de
target. Dan hebben volgens hem de civielrechtelijk overeengekomen rentevergoeding en looptijd geen zelfstandige betekenis. HR
BNB2018/60 is echter juist gebaseerd op de wens rechtszekerheid te bieden door de civielrechtelijke vorm te volgen, zodat uitzonderingen en nuanceringen op basis van een vaag criterium als ‘extreem’ niet voor de hand liggen. Een ‘materiële’ beoordeling lijkt alleen aangewezen in hetgeen u in HR
BNB2018/60 aanduidde als gevallen waarin aan bedingen in de leningsovereenkomst geen zelfstandige betekenis toekomt, waarmee u mijns inziens het oog had criteria-ontduiking (zoals een ‘vaste’ looptijd van 95 jaar) en op - ook civielrechtelijke - schijnhandelingen. Het Hof heeft dus geen onjuiste rechtsopvatting gevolgd. De vraag of aan bepaalde bedingen in de
convertibles-overeenkomst zelfstandige betekenis moet worden ontzegd, lijkt mij vervolgens een vooral feitelijke vraag van contractuitleg waarover u niet gaat en die het Hof mijns inziens niet-onbegrijpelijk ontkennend heeft beantwoord.
fraus art. 10a Wet Vpb.
convertibleste nemen, een veel hoger en hoogstwaarschijnlijk niet-vast rentepercentage eisen. ’s Hofs bewijsoordeel dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat er geen derden te vinden zouden zijn die onder dezelfde voorwaarden zouden meedoen, lijkt mij inderdaad uit te gaan van een verkeerde bewijslastverdeling of onvoldoende gemotiveerd omdat het de Inspecteur de onmogelijke opdracht geeft om te bewijzen dat iets zich
nietvoor kan doen en omdat de inspecteur volgens HR
BNB2012/37 aannemelijk maken dat de overeengekomen rente niet op armslengte is en dat evenmin een niet-winstafhankelijke armslengte rente valt te bepalen. Onvoldoende gemotiveerd lijkt mij ‘s Hofs oordeel dat 13% nooit betaalde, maar bijgeboekte rente per jaar niet onzakelijk is omdat een
transfer pricingrapport van [...] dat zegt, hoewel het gaat om een financiering die in de vrije markt niet bestaat en [...] de armslengte van de overige
convertibles-voorwaarden helemaal niet heeft onderzocht. Volgens HR
BNB2012/37 moet worden nagegaan of tussen niet gelieerde partijen een zakelijke vaste rente kan worden vastgesteld uitgaande van overigens
dezelfdevoorwaarden. Het
transfer pricingrapport en de
mezzanine facilitywaarmee het Hof vergelijkt, gaan echter uit van andere voorwaarden dan die overeengekomen ter zake van de
convertibles, terwijl de verstrekker van die mezzanine bovendien geen onafhankelijke marktpartij is, maar een lid/
convertibles-houder. Als u aan dit middel zou toekomen, zou het mijns inziens dus doel treffen en, voor zover beroep op de artt. 8 en 8b Wet Vpb nog relevant zou zijn voor de beslissing van de zaak, tot vernietiging en verwijzing leiden voor feitelijk onderzoek naar de merites van het rentepercentage.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
limited partnershipnaar Engels recht. Beheerder en adviseur (Management Company) van het Fonds is [L] SAS, een Franse
private equityonderneming. Het Fonds (de partnership) bestaat op zijn beurt uit Britse
limited partnerships(LP’s) en Franse
fonds commun de placement à risques(FCPR’s). Fondsinvesteringen in een
targetlopen via de FCPR’s of via de LP’s. Investeerders nemen als
limited partnerdeel in de LP’s of als aandeelhouder in de FCPR’s. Voor investeerders in het Fonds is een
Private Placement Memorandum(PPM) opgesteld. Als een investeerder zich inschrijft voor deelname in een investering door het Fonds, is nog niet bekend in welke FCPR of FCPR’s (of LP of LP’s) hij zal deelnemen.
convertible instruments’ (in eigen vermogen converteerbare leningen) (de
convertibles). Het ledenkapitaal is verstrekt door de FCPR’s (€ 74,67 miljoen), het management van het Fonds (€ 1,96 miljoen) en [D] LLC ( [D] ) (€ 1,38 miljoen). Als
convertiblelening heeft [Y] € 61,5 miljoen ontvangen, € 60,4 miljoen van haar leden (de vier FCPR’s) en € 1,1 miljoen van [D] . Ten slotte hebben de vier FCPR’s € 5 miljoen als
Interest-free Loan Notesaan [Y] verstrekt.
convertiblesvastgelegd: (i) looptijd 40 jaar; (ii) vergoeding (
yield) 13% van de hoofdsom, die niet betaald wordt, maar rentedragend wordt bijgeschreven bij de hoofdsom, (iii) een conversierecht te allen tijde voor de debiteur ( [C] ) en (iv) achtergesteld bij al belanghebbendes schulden, maar met hogere rang dan
Membership Rights Aen gelijk met eventuele toekomstige converteerbare obligatieleningen,
Membership Rights Ben de
Interest-free Loan Notes(zie r.o. 16 Rechtbank). De vergoeding wordt niet betaald zonder toestemming van de betrokken banken (zie 2.7 hieronder). De
yieldkan met terugwerkende kracht aangepast worden om “fiscale redenen”. [Y] kan de
convertiblesop elk door haar gewenst moment omzetten in ledenkapitaal of aflossen tegen nominale waarde plus bijgeschreven vergoeding, óók in geval van haar déconfiture. Wordt de looptijd van 40 jaar volbracht, dan worden de
convertiblesnaar keuze van [Y] omgezet in ledenkapitaal of afgelost. De houders van de
convertibleskunnen gedurende de looptijd geen afwikkeling afdwingen, ook niet deels.
senior facility(een lening) ad € 113,75 miljoen aangetrokken van een bankensyndicaat (ING, ABN Amro en Rabobank), met een looptijd van 6 à 7 jaar. Het bankensyndicaat heeft bedongen dat de investeerders in het Fonds minimaal 45% van de totale financieringsbehoefte in cash zouden inbrengen. [C] heeft tenslotte ook een m
ezzanine facility(een lening) aangetrokken ad € 35 miljoen, waarvan € 25 miljoen van [D] en € 10 miljoen van [E] (een onderdeel van [BB] ). De rente op de
mezzanine facilitybedroeg minimaal 11,5%, waarvan een deel periodiek werd betaald en het overige werd bijgeschreven. De verstrekkers van de m
ezzanine facilityhadden de mogelijkheid om te participeren in de structuur. [D] heeft daarvan gebruik gemaakt (zie 2.5). Worden bepaalde ratio’s niet gehaald (ik neem aan: door [C] ), dan wordt de
mezzanine facilityomgezet in kapitaal (
debt for equity swap).
before closing’haar rechten en verplichtingen ter zake van de overname zal overdragen aan [C] .
closing) voor € 265 miljoen. Op 31 januari 2011 zijn de aandelen in [X] BV geleverd aan [C] . Daardoor werd [X] BV per 31 januari 2011 ontvoegd uit de fiscale eenheid [G] . Terstond bij de overname zijn de daarvoor in aanmerking komende vennootschappen van de [X-groep] per 31 januari 2011 gevoegd in de fiscale eenheid [A] .
Format EBITDA and Cashflow Scheme (terms and conditions) van 7 december 2009 (FECS
scheme) zijn de toenmalige aandeelhouder [G] -groep en [X] BV overeengekomen dat aan bepaalde werknemers van de [X-groep] onder opschortende voorwaarden FECS-bonussen worden toegekend. Na de overname van de [X-groep] door [Y] c.s. is op basis daarvan binnen 10 werkdagen daadwerkelijk de eerste tranche [1] (50%) van die bonussen uitgekeerd.
convertiblesbetaalde rente (volledig) ten laste van [Y] ’s fiscale winst kwam.
FECS schemeafgeleid dat uitbetaling van het eerste deel van de bonussen pas na de levering op 31 januari 2011 van de aandelen in de [X-groep] juridisch afdwingbaar was. Zij overwoog dat goed koopmansgebruik toestaat winst uiterlijk te nemen op het moment van het vervullen van de opschortende voorwaarden in de
FECS scheme. Nu [X] BV met ingang van 31 januari 2011 is gevoegd met [Y] en het eerste boekjaar van [Y] loopt tot en met 31 januari 2011, achtte de Rechtbank aftrek van de bonussen mogelijk.
convertibles, anders dan de Inspecteur, geen schijnlening, maar civielrechtelijk een leningsovereenkomst omdat een terugbetalingsverplichting bestond. Met de Inspecteur meende de Rechtbank echter dat de
convertiblesfiscaalrechtelijk een deelnemerschapslening zijn omdat de schuldeisers in zekere mate deelnemen in de onderneming van de schuldenaar. De Rechtbank verwees naar HR
BNB1998/208: een deelnemerschapslening doet zich (slechts) voor als (i) de vergoeding afhangt van de winst van de debiteur; (ii) de lening is achtergesteld bij alle concurrente schuldeisers en (iii) de lening geen vaste looptijd heeft (dat is in beginsel het geval bij een looptijd van 50 jaar of meer) maar slechts opeisbaar is bij faillissement, surséance van betaling of liquidatie van de debiteur, en naar HR
BNB2006/82, inhoudende dat een ‘vaste’ looptijd van 95 jaar zodanig lang is dat daaraan geen zelfstandige betekenis toekomt. Volgens de Rechtbank heeft het criterium ‘geen vaste looptijd’ niet onder alle omstandigheden dezelfde betekenis. Al is de overeengekomen looptijd korter dan 50 jaar, zoals in casu, dan is daarmee niet per definitie een vaste looptijd gegeven, omdat het er volgens de rechtbank op aan komt of de lening in feite functioneert als eigen vermogen. De
convertiblesfunctioneerden volgens de Rechtbank feitelijk als eigen vermogen omdat feitelijk geen sprake is van een vaste looptijd, maar van een looptijd die afhangt van de vraag wanneer de
targetweer verkocht wordt, en omdat de verschuldigdheid van de vergoeding feitelijk afhangt van de (verkoop)winst van de belanghebbende op de
target. De Rechtbank achtte de rente op de
convertiblesdaarom niet aftrekbaar.
Groupe Stériaarrest van het HvJ EU (per element benadering van de fiscale eenheid), omdat [I] bij binnenlandse vestiging gevoegd had kunnen worden in de fiscale eenheid [A] , overwoog de Rechtbank dat zulks tot een
mismatchzou leiden: niet-belasting in Nederland van in Duitsland wél aftrekbare rente. Daarom is weigering van dit fiscale-eenheid-element volgens de Rechtbank gerechtvaardigd op grond van de noodzaak van (internationale) fiscale coherentie. De rechtbank heeft het beroep op de vrijheid van vestiging daarom afgewezen.
NTFR2018/550) meende dat de Rechtbank terecht is nagegaan of de lening met een looptijd van 40 jaar desondanks feitelijk fungeert als eigen vermogen:
NLF2018/0303) daarentegen achtte de uitspraak van de Rechtbank onhoudbaar omdat u in het recente arrest HR
BNB2018/60 heeft geoordeeld dat de criteria voor de deelnemerschapslening niet materieel moeten worden toegepast:
member convertible loan; PJW) vast is (veertig jaar) en de rente niet winstafhankelijk is, zodat er geen sprake is van een deelnemerschapslening als bedoeld in artikel 10, lid 1, onderdeel d, Wet VpB 1969.”
convertibleseen schijnlening zijn; (ii) zo neen, of zij feitelijk functioneren als eigen vermogen ex art. 10(1)(d) Wet Vpb (deelnemerschapslening); (iii) zo neen, of hun rentelasten geheel of ten dele onaftrekbare onzakelijke lasten zijn; (iv) zo neen, of art. 10a Wet Vpb in de weg staat aan aftrek, en (v) zo neen, of dan
fraus legisin de weg staat aan renteaftrek. Verder was in geschil (vi) of heffing over de van [I] ontvangen rente de EU-vestigingsvrijheid schendt en (vii) of de hoogte van die rente zakelijk is. Tot slot was in geschil (viii) of de FECS-bonussen in aftrek komen bij de belanghebbende.
convertiblesgeen schijn maar civielrechtelijk een lening. Ad (ii) heeft het Hof daarentegen de kwalificatie van de
convertiblesals deelnemerschapslening op basis van art. 10(1)(d) Wet Vpb afgewezen omdat hij aan de looptijd van 40 jaar (wel) zelfstandige betekenis toekende, waardoor niet werd voldaan aan één van de cumulatieve criteria voor een deelnemerschapslening. Ad (iii) zag het Hof geen onzakelijke rentelast of onzakelijke lening, nu belastingplichtigen, afgezien van
fraus legis, bij de financiering van zakelijke doelen keuzevrijheid hebben, de zakelijkheid van de rente ook moet worden bezien in het licht van de waarde(ontwikkeling) van de gefinancierde activa, de zakelijkheid van het rentepercentage 13% gesteund wordt door een
transfer pricingrapport en niet aannemelijk is gemaakt dat geen derden te vinden zouden zijn die op dezelfde voorwaarden als de FCPR’s tot verstrekking van de
convertiblesbereid zouden zijn geweest.
fraus legisvoordoet die in de weg staat aan aftrek van de rente op de
convertiblesomdat (i) de Inspecteur is geslaagd in het bewijs dat antifiscale redenen de doorslag hebben gegeven bij de
convertibles-structuur en (ii) de wijze waarop de financiering is gestructureerd in strijd komt met doel en strekking van de Wet Vpb. Binnen het zakelijke doel om met bijeengebracht risicokapitaal aankopen te doen en daarop
capital gainste realiseren, had de aan de FCPR’s verschuldigde lening geen andere functie dan het creëren van een fiscaal voordeel door renteaftrek. Dat art. 10a Wet Vpb niet rechtstreeks toegepast kan worden omdat niet voldaan wordt aan diens verbondenheidscriterium verhindert niet het oordeel dat doel en strekking van de Wet Vpb, waaronder ook de bedoeling van art. 10a Wet Vpb, worden geschonden.
Groupe Stéria-arrest van het HvJ EU. Hij zag daarom geen reden om de door [I] verschuldigde rente niet tot de belastbare winst van de fiscale eenheid [A] te rekenen.
NTFR2019/1547) achtte ‘s Hofs oordeel dat er een ‘onzakelijke omleiding’ was opmerkelijk:
FutD2019/1342 ziet geen
frausart. 10a Wet Vpb, maar kan zich wel vinden in ’s Hofs oordeel dat de verstrekte lening geen reële functie vervullen binnen de financiering van een onderneming:
NLF2019/1226) gaat in op de toepassing van
fraus legisnaast art. 10a Wet Vpb:
Fraus legis naast artikel 10a Wet VpB 1969
V-N2019/33.7 meent dat de term ‘omleiding’ de lading niet dekt omdat de financiering niet wordt omgeleid via een andere concernvennootschap. Zij ziet de door het Hof als overbodig beoordeelde rechtshandeling in de opsplitsing van het eigen vermogen van de FCPR’s in ledenkapitaal (eigen vermogen) en
convertibles(vreemd vermogen):
3.Het geding in cassatie
(i) met de aftrek van de rentelast op de
convertibles in fraudem legiszou zijn gehandeld (r.o. 4.20 - 4.22.20 Hof);
(ii) de door [Y] van [I] ontvangen rente belastbaar is (r.o. 4.23 - 4.26.3 Hof); en
(iii) de bonussen niet in aftrek komen bij [Y] (r.o. 4.27 - 4.40 Hof).
middel (i)betoogt de belanghebbende dat het Hof ten onrechte (a) de
gehelerentelast op de
convertiblesgebruikt voor de aankoop van [X] en de uitlening aan [I] van aftrek heeft uitgesloten; (b) buiten het geschil is gegaan met het oordeel dat de verdeling over de vier FCPR’s doorslaggevend berustte op fiscale motieven; (c)
frausart. 10a Wet Vpb heeft aangenomen ter zake van renteaftrek op de
convertibles, die immers door niet-verbonden lichamen zijn verstrekt; (d) heeft geoordeeld dat [Y] met het aanvaarden van de rentelast heeft voldaan aan het motiefvereiste en het normvereiste van
fraus legis; en (e) weigering van aftrek bij [Y] niet in strijd heeft geacht met de artt. 49, 52, 63 en 65 VwEU.
BNB2019/19 (X BV) gaat om een verschil dat volgt uit de gecombineerde toepassing van art. 15 en Pro art. 8 Wet Pro Vpb. De rente die [Y] ontvangt van [I] moet daarom, met de lening van [Y] aan [I] , fiscaal buiten aanmerking blijven. Gelet op de arresten
X BV en X NVen
Groupe Stériavan het HvJ EU is een mogelijke onevenwichtigheid tussen onbelastbaarheid van de rente bij [Y] en aftrekbaarheid bij [I] geen rechtvaardiging voor de belemmering van de vestigingsvrijheid.
ad middel (i)(a) en (c), dat het Hof terecht ook belanghebbendes doorlening aan [I] en schuld aan mede-investeerder [D] als onderdeel van het handelen
in fraudem legisheeft beschouwd, onder meer omdat op de doorlening aan [I] een onzakelijke negatieve rentemarge van 4% (-13% + 9%) wordt behaald en daarmee een verlies wordt gecreëerd. Zonder de renteaftrek op de
convertibleswordt volgens de Staatssecretaris uiteindelijk geen verlies op deze transactie gemaakt en wordt het gecreëerde verlies weggenomen. De Inspecteur heeft ermee ingestemd dat als de gehele rentelast wordt geschrapt, de correctie voor de [I] -doorlening vervalt. De rente op de schuld aan mede-investeerder [D] is terecht in aftrek geweigerd omdat ook deze schuld onderdeel is van de door het Hof als nutteloos - buiten de renteaftrek - aangemerkte leenverhouding.
middel (i)(b)meent de Staatssecretaris dat het Hof niet buiten de rechtsstrijd is getreden. ‘s Hofs beoordeling van de verdeling van ledenkapitaal over de fondsen past in het kader van de stelling van de inspecteur dat zich
frausart. 10a Wet Vpb voordoet. Voor het overige bestrijdt dit onderdeel volgens de Staatssecretaris een feitelijk en niet onbegrijpelijk oordeel.
middel (i)(d)meent de Staatssecretaris dat [L] ’s verwerving van [X] weliswaar zakelijk was, maar niet dat de rechten en plichten eerst door [F] zijn verworven en vervolgens verhangen zijn naar [C] . Het Hof heeft dat terecht aangemerkt als een besmette handeling met een ontgaansmotief omdat zij geen wezenlijke wijziging in de vermogenspositie van de FCPR’s bracht. Volgens de Staatssecretaris stelt
fraus legisook grenzen aan de keuzevrijheid bij aankoopfinanciering als de financieringskeuze reële betekenis mist en slechts wordt gemaakt overwegend om belastingheffing onmogelijk te maken. Dat is in casu het geval, nu de belanghebbende de aankoop heeft gefinancierd door tussenschuiving van hybride rechtspersonen en hybride financiering zonder compenserende heffing over de af te trekken rente. Gelet op het Mauritius-arrest (HR
BNB2015/165) heeft het Hof terecht een frauslegiaanse omleiding gezien, nu het van de beleggers aangetrokken investeringsvermogen niet rechtstreeks is verstrekt aan de overneemster [C] .
middel (i)(e)meent de Staatssecretaris dat als de nationale belastingwet wordt ontdoken, de belastingplichtige zich niet met vrucht kan beroepen op de EU-verkeersvrijheden, gezien HR
BNB2012/213, HR
BNB2017/162 en het arrest
N Luxembourg e.a. van het HvJ.
middel (ii)betoogt de Staatssecretaris dat ‘s Hofs oordelen dat (i) de rentebate bij belanghebbende rechtstreeks samenhangt met de rentelast bij [I] ; (ii) voeging van [I] en [C] beide renteposten zou neutraliseren en (iii) het door de belanghebbende gewenste voordeel rechtstreeks voortvloeit uit het consolidatieregime, geen blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting.
middel (iii)meent de Staatssecretaris dat het Hof vanuit de totaalwinstbenadering een op een juiste rechtsopvatting gebaseerde beslissing heeft genomen. Ook in een jaarwinstbenadering zouden de bonussen op grond van goed koopmansgebruik al vóór de overname in aanmerking moeten komen, omdat de overeenkomst is gesloten voor de overname en de daarin opgenomen werkzaamheden eveneens zijn verricht voor de overname.
convertiblesgeen schijnlening, althans eigen vermogen zijn; (ii) de
convertiblesgeen deelnemerschapslening ex art. 10(1)(d) Wet Vpb zijn; (iii) art. 10a(4) Wet Vpb niet van toepassing zou zij op grond van zijn tekst, hoewel die bepaling naar doel en strekking ook ziet op gevallen zoals dit, waarin de achterliggende samenwerkende beleggers allen hetzelfde doel hebben; (iv) geen sprake zou zijn van een onzakelijke maar (dus) van een
arm’s lengthlast ex artt. 8 en 8b Wet Vpb hoewel hij heeft geoordeeld dat het om een nutteloze leenverhouding gaat.
incidenteel middel (i): volgens de Staatssecretaris lopen de houders van de
convertiblesin wezen dezelfde risico’s als de verstrekkers van ledenkapitaal omdat geen echte terugbetalingsverplichting bestaat. De belanghebbende, hoewel schuldenaar van de
convertibles, is verder op geen enkele wijze betrokken bij haar eigen financiering; zij heeft de door het Fonds uitgedachte financiering voetstoots uitgevoerd. De Staatssecretaris meent dat civielrechtelijk de situatie niet eenduidig is en dat dan beslissend is of de geldverstrekkers aansprakelijk zijn voor de schulden van de debiteur (de belanghebbende). Volgens hem volgt uit de vastgestelde feiten dat belanghebbendes verplichting ter zake van de hoofdsom jegens de houders van de
convertibles, vanwege de afwijkende contractuele bepalingen civielrechtelijk gelijk is aan haar verplichting jegens de houders van ledenkapitaal.
incidenteel middel (ii)betoogt de Staatssecretaris dat bij de gegeven investeringsstructuur geen enkele gekozen looptijd reële betekenis heeft omdat uit aard, opzet en effect van de investeringsstructuur volgt dat de
convertiblesworden geïnvesteerd in (de koperstructuur van het)
targeten dat hun terugbetaling bij desinvestering onlosmakelijk is verbonden met de kapitaalverstrekking. Hun looptijd is dus gelijk aan de duur van de risicodragende kapitaalverschaffing. Het criterium van art. 10(1)(d) Wet Vpb is of de lening onder zodanige voorwaarden is aangegaan dat zij feitelijk functioneert als eigen vermogen. In casu is dat volgens de Staatssecretaris het geval omdat uit de vaststaande feiten en omstandigheden in onderling verband bezien volgt dat er geen vaste looptijd is en dat de verschuldigdheid van de vergoeding afhangt van de winst van de [X-groep] . Uit HR
BNB2018/60 (de rechtsopvatting dat de criteria voor een deelnemerschapslening materieel moeten worden toegepast, is in haar algemeenheid niet juist), leidt de Staatssecretaris af dat in extreme casusposities zoals die van de belanghebbende wél “materieel” kan/moet worden getoetst.
incidenteel middel (iii): gegeven het antimisbruikkarakter van art. 10a(4) Wet Vpb moeten de feiten volgens de Staatssecretaris getoetst worden aan doel en strekking en niet slechts aan de letter van die bepaling. Uit HR
BNB2008/266 volgt dat u inderdaad niet alleen naar de tekst maar ook naar doel en strekking van art. 10a Wet Vpb kijkt. Met art. 10a Wet Vpb wil de wetgever gekunstelde renteaftrek tegengaan. Het is normaal gesproken alleen mogelijk om een geldlening met renteaftrek te construeren als de crediteur een zekere mate van invloed heeft bij de debiteur. Daarom is art. 10a Wet Vpb beperkt tot winstdrainage binnen een groep, hetgeen wordt uitgedrukt in het verbondenheidscriterium. De Staatssecretaris ziet in casu een vergelijkbare verbondenheid via een samenwerkende groep met het gezamenlijke doel fiscale renteaftrek te optimaliseren. Zo’n gecoördineerde gezamenlijke investering moet zijns inziens voor de toepassing van art. 10a Wet Vpb als een kwalificerend ‘belang’ worden beschouwd, ook al geschiedt zij via meer lichamen. Het Hof heeft miskend dat er zo’n samenwerkende groep is en dat de zeggenschap in de FCPR’s moet worden toegerekend aan het Fonds, dat bij alles de dienst uitmaakt, met name in de targetbepaling en de financieringsstructuur en zelf ook financieel belang heeft.
incidenteel middel (iv)acht de Staatssecretaris onbegrijpelijk dat een door het Hof als nutteloos aangemerkte leenverhouding desondanks door het Hof als zakelijk wordt beschouwd. Bovendien heeft het Hof de (on)zakelijkheid van de rente ten onrechte mede beoordeeld in het licht van latere omstandigheden, zoals de latere winst bij verkoop van de onderneming. Bij verkoop van een onderneming worden in wezen de toekomstige EBITDA's in één keer verkocht; dat zegt niets over de capaciteit tot jaarlijkse betaling van rente en aflossing. Volgens de Staatssecretaris moet de zakelijkheid van de rente in beginsel worden beoordeeld bij het aangaan van de schuld. Gegeven de cumulerende rente op de
convertibleskon op dat moment geen winst worden verwacht, zeker niet als de volledige beweerdelijke looptijd van 40 jaar zou worden volgemaakt, omdat die termijn zou leiden tot een cumulatieve schuld ad € 8,1 miljard, wat er naar alle waarschijnlijkheid toe zou leiden dat er voor de verstrekkers van het ledenkapitaal niets zou resteren.
incidenteel middel (i)betoogt belanghebbende dat het Hof gelet op HR
BNB2007/104 terecht heeft geoordeeld dat formeel getoetst wordt of een geldverstrekking civielrechtelijk is aan te merken als eigen of vreemd vermogen. Van een civielrechtelijke niet-eenduidige situatie is volgens haar geen sprake.
incidenteel middel (ii)wijst de belanghebbende op HR
BNB2018/60, waaruit volgt dat de criteria van de deelnemerschapslening niet ‘materieel’ worden toegepast.
incidenteel middel (iii)ziet de belanghebbende in tekst noch ontstaansgeschiedenis van art. 10a(4) Wet Vpb, noch in de door de Staatssecretaris aangevoerde rechtspraak over samenwerkende op zichzelf niet-kwalificerende groepen aandeelhouders in de inkomstenbelasting genoeg steun voor de invulling van de term ‘belang’ als ‘samenwerkende groep’.
incidenteel middel (iv)meent de belanghebbende dat het Hof enkel in het kader van zijn
fraus legisbeoordeling heeft geoordeeld dat de leenverhouding nutteloos was; niet bij de beoordeling van de zakelijkheid van de
convertibles. Het Hof heeft volgens de belanghebbende de juiste maatstaf gebruikt voor zijn beoordeling of een derde bereid zou zijn geweest hetzelfde debiteurenrisico te aanvaarden. Het Hof heeft terecht geoordeeld dat hetgeen de Inspecteur in dat kader naar voren heeft gebracht, niet de conclusie kan dragen dat voorwaarden onzakelijk zijn overeengekomen.
Het principale beroep (de belanghebbende)
4.De grote lijn
convertibles(schijn, althans civielrechtelijk geen lening) (ii) (subsidiair) hun fiscaalrechtelijke kwalificatie (deelnemerschap), (iii) de uitleg van ‘verbonden’ in art. 10a(4) Wet Vpb bij samenwerkende gerechtigden met hetzelfde doel en (iv) de (on)zakelijkheid van de rente en de lening in het licht van artt. 8 en 8b Wet Vpb. De Staatssecretaris meent dat de rechter niet aan
fraus legiszou moeten hoeven toekomen omdat de renteaftrek al zou moeten sneuvelen op een van deze vier gronden.
fraus legiskan de rechter conceptueel echter inderdaad pas toekomen als de overige stellingen van de fiscus op basis van de gewone rechtsvindingsmethoden tot niets leiden. Het Hof heeft dan ook eerst alle andere stellingen van de Inspecteur behandeld alvorens aan diens beroep op
fraus legistoe te komen. De Staatssecretaris vraagt u om hetzelfde te doen, dus om eerst alle voorwaardelijk incidentele middelen te beoordelen, óók als ’s Hofs oordeel juist zou zijn dat aan de voorwaarden van
fraus legisis voldaan. Als dat oordeel juist is, heeft beoordeling van de incidentele middelen echter geen zin, nu zij niet tot een andere uitslag kan leiden. Het nut van hun beoordeling voor andere gevallen valt te bezien: andere gevallen zullen andere feiten, contracten en financieringsstructuren hebben. Of het daarbij civielrechtelijk al dan niet om (schijn)leningen gaat, of de geldverstrekker(s) al dan niet deelnemen in het ondernemingsrisico van de overnemer, hoe nauw of verdacht de samenwerking van formeel opgesplitste geldverstrekkers met hetzelfde doel is, of een lening al dan niet nutteloos is en of rente al dan niet onzakelijk is, hangt af van de feitelijke omstandigheden, contracten en financieringsstructuren, over de vaststelling en uitleg waarvan u niet gaat.
fraus legis-oordeel stand houdt en dat beoordeling van de incidentele middelen dus geen zin heeft, maar ik ga er in de onderdelen 8-11 hieronder wel op in voor het geval u het principale beroep wel gegrond acht, of uit leerstellig oogpunt
obiter dictumwilt gaan voor die andere gevallen.
targetsin casu kunstmatig is gesplitst en voor de helft is omgezet in een voor dat zakelijke doel zinloze lening geleid langs de met de
targette voegen [C] , (ii) zonder wezenlijke wijziging te brengen in de vermogenspositie van het samenstel van eigen vermogen bijeenbrengende lichamen, met name van de FCPR’s (HR
BNB1989/217 en
MauritiusHR
BNB2015/165), zodat aan de rechtshandelingen strekkende tot die commercieel nutteloze splitsing en geleiding geen zelfstandige betekenis kan worden toegekend in het kader van het gestelde overnamedoel en de belanghebbende zich niet kan beroepen op de financieringsvrijheid bedoeld in HR
BNB2005/169), zulks (iii) met gebruik van (iiia) hybride financiering en (iiib) hybride lichamen om een
mismatch(
deduction, no pick up) te bewerkstelligen (dus geen compenserende heffing). Het geheel in zijn samenhang overziende, zag het Hof een met de
targetin een fiscale eenheid gevoegde en kunstmatig met een rentelast belaste overnameholding, strekkende tot wegpoetsen van de belastbare winst van de Nederlandse
targetzonder compenserende heffing elders en met oneigenlijke frustratie van art. 10a Wet Vpb c.q. van de Wet Vpb als geheel omdat het in de economische werkelijkheid gaat om uiteindelijk één centraal geleid fonds dat € 5,4 miljard risicodragend eigen vermogen bijeen heeft gebracht voor overnames dat parallel heralloceerbaar [7] wordt geleid langs zeer nauw met het Fonds en met elkaar verweven hybride FCPR’s naar keuze die feitelijk als een
tax havenfungeren, zulks bij
dezeovername mede om de wettelijke verbondenheidscriteria en daarmee de renteaftrekbeperking te frustreren, en langs een met de
targette voegen commercieel zinloos tot debiteur van de FCPR’s gemaakte Nederlandse vennootschap.
convertiblesen de FCPR’s en [Y] c.s. antifiscaal was. Die feitelijke conclusie over het motief voor de financieringsstructuur acht ik goed gemotiveerd: het Hof heeft alle relevante feiten en documenten uitgeplozen en elke contractuitleg en elk feitelijk oordeel of op vaststaande feiten gebaseerd vermoeden uitvoerig onderbouwd in de r.o. 4.20 t/m 4.22.14. Hij mocht voor de feitelijke vraag naar de motieven voor de structuur mede betekenis toekennen aan het aanvankelijk als koper optreden van de niet-voegbare [F] en het
Project Swan Initial strawman tax structure papervan [...] . [8] Voor zover het Hof zich bij zijn onderzoek naar de motieven – subsidiair - heeft gebaseerd op een door vaststaande feiten en overeenkomsten geschraagd vermoeden, is de belanghebbende er niet in geslaagd het Hof te overtuigen dat niet-fiscale redenen de doorslag gaven voor de gedeeltelijke omzetting in een commercieel zinloze, hybride achtergestelde lening en voor de
routingvan het voor overnames bijeengebrachte risicodragende eigen vermogen langs een te voegen Nederlandse commercieel zinloos gecreërde debiteur. Ook dat bewijsoordeel is aan de feitenrechter.
fraus legisgeweigerd kan worden, komt het dan aan op de vraag of met die aftrek doel en strekking van de Wet Vpb geweld wordt aangedaan. Het Hof zag zowel (i) strijd met doel en strekking van specifiek art. 10a Wet Vpb doordat de financieringsconstructie via de vier FCPR’s de in art. 10a(4) Wet Vpb bedoelde verbondenheid zéér nabij komt en - wat de aankoop van [X] betreft - overigens voldaan is aan de criteria van die bepaling en geen compenserende heffing aannemelijk is gemaakt, als (ii) ruimer strijd met doel en strekking van de Wet Vpb, die zich volgens uw rechtspraak, met name HR
BNB1989/217 en HR
BNB1996/4-6, verzet tegen renteaftrek op een lening die geen functie heeft in de financiering van een onderneming, terwijl de belanghebbende de bij externe acquisities in beginsel ex HR
BNB2005/169 vigerende financieringsvrijheid te buiten is gegaan door een financieringsafsplitsing die het Hof als commercieel nutteloze ‘omleiding’ aanduidt, daarmee kennelijk bedoelend dat de vier hybride FCPR’s beschouwd kunnen worden als het equivalent van de
tax havenbedoeld in uw omleidingsrechtspraak, met name het
Mauritiusarrest HR
BNB2015/165 en dat de geleiding langs [C] weliswaar op zichzelf geen strijd met doel en strekking van de wet oplevert, maar wel het – in de gegeven overige omstandigheden - commercieel zinloos
debiteurmaken van [C] jegens de FCPR’s. Die rechtsoordelen lijken mij op basis van uw door het Hof aangehaalde rechtspraak correct.
5.Middel (i): Fraus Legis
fraus legiskunnen feitelijke en rechtshandelingen genegeerd of gesubstitueerd worden door de zonder misbruikbedoelingen voor de hand liggende handelingen als voldaan wordt aan twee cumulatieve criteria: (i) het objectieve rechtskundige criterium dat het door de belastingplichtige beoogde (fiscale) resultaat onverenigbaar is met doel en strekking van de (belasting)wet en (ii) het subjectieve feitelijke criterium dat het doorslaggevende oogmerk van de belastingplichtige was verijdeling van volgens de bedoeling van de wetgever aangewezen belastingheffing.
convertiblesverschuldigde rente. Binnen het doel van het Fonds - risicodragend kapitaal bijeenbrengen voor acquisities waarop vermogenswinst valt te maken - had de door de FCPR’s verstrekte
convertiblelening volgens het Hof geen andere functie dan creëren van fiscaal voordeel door renteaftrek in Nederland (zonder
pick upelders). Het Hof ziet geen wezenlijke wijziging in de vermogenspositie van de FCPR’s door het voor aankoop beschikbare risicovermogen deels af te splitsen als leenvermogen voor [Y] ter middellijke financiering van die aankoop. Daarmee is volgens hem aan het motiefvereiste voldaan, waaraan niet afdoet dat de aankoop op zichzelf zakelijk was: hij betrekt
fraus legisniet op het financieringsdoel (de aankoop), maar op de doorslaggevend fiscaal gedreven wijze waarop met tussenschakeling van Nederlandse tussenhoudsters en creatie van een anders dan om fiscale redenen nutteloze leenverhouding - en daarmee gekunsteld – het op zichzelf zakelijke plan is uitgevoerd. Dat belastingverijdeling met een hybride financierings
mismatchvoorop stond, ziet het Hof ook in de vermelding van de
convertiblesin de jaarrekeningen van de FCPR’s als
interest free convertible loans. Hoe dan ook acht het Hof het vermoeden gerechtvaardigd dat aan de gecreëerde rentelast doorslaggevend fiscale redenen ten grondslag lagen, welk vermoeden de belanghebbende niet heeft ontzenuwd. Het antifiscale motief aldus reeds aannemelijk zijnde, acht het Hof dan van ondergeschikt belang dat (ook) aan de verdeling van de investeerders over vier FCPR’s slechts een fiscaal motief ten grondslag lijkt te liggen.
fraus legismeent het Hof dat de gekunstelde financieringsstructuur zowel doel en strekking van art. 10a Wet Vpb als die van de Wet Vpb als geheel schendt, omdat de verbondenheid van/met de FCPR’s de in art. 10a bedoelde verbondenheid zo nabij komt dat aftrek van de gecreëerde rente doel en strekking van art. 10a Wet Vpb schendt, resp. omdat het beoogde resultaat ook in strijd komt met de aan art. 10a Wet Vpb ten grondslag liggende norm die volgt uit de in diens parlementaire geschiedenis genoemde jurisprudentie, met name HR
BNB1989/217 en HR
BNB1996/4-6: de wetgever wilde rente op een geldlening die naast verijdeling van belastingheffing geen functie in een onderneming heeft niet in aftrek toestaan. Dat die rechtspraak zag op interne verhangingen en niet op externe acquisities, leidt het Hof niet tot een andere conclusie omdat in 2007 het bereik van art. 10a Wet Vpb is uitgebreid naar rentelasten ter zake van externe acquisities, die evenzeer als verdachte transacties zijn aangemerkt bij financiering met vreemd vermogen.
convertiblesvan [D] wel aftrekbaar omdat het daarbij gaat om een lening door een volstrekte derde ten opzichte van het Fonds/de FCPR’s met een belang kleiner dan 2% in de overname.
fraus legis, maar heeft toegezegd dat als de gehele rentelast zou worden geschrapt, zijn correctie ter zake van de rente op de doorlening aan [I] zou vervallen. De schuld aan [D] valt volgens de Staatssecretaris wel degelijk ook onder het bereik van
fraus legisomdat ook die lening onderdeel is van de door het Hof als nutteloze leenverhouding aangemerkte structuur.
mezzanine-lening de mogelijkheid om net als de investeerders in het Fonds te participeren in de structuur (r.o. 20 Rechtbank), dus om als lid deel te nemen in [Y] . [D] heeft daadwerkelijk als lid deelgenomen en als zodanig mede € 1,12 miljoen euro op
convertiblesaan [Y] verstrekt (r.o. 15 Rechtbank). In ‘s Hofs benadering is dus ook hier eigen vermogen omgezet in vreemd vermogen door hybride financiering met tussenschakeling van [Y] , [B] en [C] , leidende tot een rentelast bij Nederlandse vennootschappen. ’s Hofs constatering van
fraus legissteunt niet op onzakelijkheid van het doel van de financiering (aankoop van [X] c.q. financiering van [I] ), dus niet op verband met een besmette rechtshandeling, maar op de constructie van de financieringsstromen, met name op zijn oordeel dat invoeging van de
convertiblesgeen andere dan een antifiscale functie heeft. Zijn motivering steunt inderdaad vooral op analyse van de vormgeving van de financiering van de [X] -aankoop, maar de vormgeving van de financiering van de [I] -lening is dezelfde. Het ligt mijns inziens voor de hand dat het Hof het standpunt van de Inspecteur heeft opgevat als ziende op alle omzettingen en dus terecht diens standpunt heeft opgevat als ook betreffende de renteaftrek op de
convertiblesgenomen door [D] en op de
convertibles-rente ziende op de financiering van de lening aan [I] . De belanghebbende had de mogelijkheid om de zakelijkheid van het gebruik van de
convertiblesaannemelijk te maken, maar is er volgens het Hof niet in geslaagd om het vermoeden van doorslaggevende fiscale redenen voor de rentelast te ontzenuwen.
convertiblesen hun gebruik voor (i) de acquisitie van [X] en (ii) de lening aan [I] , is het Hof mijns inziens niet buiten het geschil gegaan. In de
Crédit Suissezaken HR
BNB2017/162 t/m HR
BNB2017/164 [9] werd inderdaad de renteaftrek dat niet als misbruik van het
Bosal-gat beschouwd kon worden, niet verhinderd door
fraus legis(u zie r.o. 3.2.3.9 en 3.2.3.10 van HR
BNB2017/162), maar in casu strekt de renteaftrek op de (alle)
convertiblesvolgens het Hof, zowel die bij [D] geplaatst als die bij de FCPR’s geplaatst, en zowel bij de koop van [X] als bij de uitlening aan [I] tot verijdeling van heffing van vennootschapsbelasting. Dat oordeel lijkt mij grotendeels feitelijk, niet onbegrijpelijk en niet buiten het geschil.
fraus legisheeft het Hof over die verdeling overwogen:
convertiblesjegens een commercieel nutteloos tot debiteur van de FCPR’s gemaakte Nederlandse overnameholding een antifiscaal motief ten grondslag ligt. Uit ‘s Hofs r.o. 4.22.10 en 4.22.14 volgt dat ook als het Hof niet getwijfeld had aan de overwegendheid van de niet-fiscale verklaring voor de verdeling over de vier FCPR’s, hij niet tot een ander feitelijk oordeel zou zijn gekomen dan dat het overwegende motief voor het commercieel nutteloze van de beschikbare
equityafsplitsen van
convertiblesom [C] commercieel zinloos debiteur van de FCPR’s te maken antifiscaal was.
fraus legister zake van verbondenheid als aan lid 4 niet is voldaan. Zij ziet steun in de arresten HR
BNB1988/289 t/m 291 en de parlementaire toelichting bij de uitbreiding van het begrip verbonden lichaam tot een samenwerkende groep in het huidige lid 6 in 2017. Met de harde grens van een belang van ten minste 1/3e heeft de wetgever volgens de belanghebbende uitdrukkelijk aanvaard dat belastingplichtigen hun belangen zodanig kunnen structureren dat zij buiten bereik van art. 10a(4) Wet Vpb vallen. Dat de wetgever dat heeft aanvaard, volgt volgens haar uit (i) zijn bevinding in 2017 dat art. 10a(4) Wet Vpb werd ontweken bij overnamestructuren en dat daarom het huidige lid 6 nodig was, en (ii) het gegeven dat hij bij de invoering van art. 8b Wet Vpb geen aansluiting heeft gezocht bij art. 10(4) Wet Vpb vanwege mogelijke manipulatie van verbondenheid (zie onderdeel 11.7). Door deze bewuste aanvaarding verschilt haar geval van HR
BNB2008/266 (ontwijking van de vroegere term ‘geldlening’ – thans ‘schuld’ - door structurering via een lijfrenteverplichting; zie 5.17 hieronder), aldus de belanghebbende.
BNB1988/289 [10] , HR
BNB1988/290 [11] en HR
BNB1988/291 [12] betroffen de vraag of een belastingplichtige door uitgifte van bepaalde typen aandelen zoals cumulatief preferente, in strijd handelde met doel en strekking van art. 39 Wet Pro IB 1964 (aanmerkelijk belang). U overwoog in HR
BNB1988/290 dat:
BNB1974/132 en (ii) evenmin gezegd kan worden dat de wetgever in 1996 bij de invoering van de verbondenheidscriteria eenvoudig had kunnen voorzien – laat staan dat hij zou hebben aanvaard - dat gekunsteld op winstdrainage gerichte overname- en financieringsstructuren zoals - vereenvoudigd - weergegeven in 2.13 hierboven ontwikkeld zouden worden.
BNB1992/308 [13] betrof de houder van 25 aandelen in een onroerend-goedlichaam die in 1980 de economische eigendom van de overige 25 aandelen kocht met het recht tot aanwijzing aan wie juridisch geleverd zou worden. In 1986 liet hij de juridische eigendom van 15 aandelen leveren aan een BV waarvan hij enig aandeelhouder was. U oordeelde voor de overdrachtsbelasting dat zich geen
fraus legisvoordoet als aangenomen moet worden dat de wetgever een voorziening zou hebben getroffen als hij een voor de hand liggende ontgaansmogelijkheid had willen uitsluiten:
pick upelders, mede gegeven dat de wetgever zich in 2011 realiseerde dat de overbrenging, in 2007, van de renteaftrekbestrijding bij fiscaal gevoegde overnameholdings uit art. 15ad Wet Vpb naar art. 10a Wet Vpb - door toevoeging van de externe acquisitie aan de verdachte handelingen in art. 10a Wet Vpb (zie 5.37 hieronder) – niet voldoende antimisbruikeffect had, reden om art. 15ad Wet Vpb in 2012 [14] weer in te voegen en om in 2017 het huidige lid 6 van art. 10a Wet Vpb in te voeren. Daaruit blijkt mijns inziens dat zijn bedoeling en daarmee doel en strekking van de wet steeds is geweest, ook in de tussenliggende jaren, om renteaftrek in geval van structuren zoals de litigieuze tegen te gaan.
BNB2008/266 [15] blijkt dat ook art. 10a Wet Vpb
frauslegiaansontdoken kan worden. De zaak betrof de verkoop van de aandelen in een BV door de in Zwitserland wonende enige aandeelhouder aan een door die aandeelhouder beheerste Holding-BV (de belanghebbende) tegen een schuldig gebleven koopsom. De schuld wordt omgezet in een geldlening en die geldlening werd weer omgezet in een lijfrenteverplichting van de belanghebbende jegens de aandeelhouder die jaarlijks werd opgerent. Art. 10a Wet Vpb sloot destijds nog aan bij ‘geldleningen’ en niet bij ‘schulden’. U overwoog dat het Hof ten onrechte art. 10a(1) Wet Vpb toepasselijk had geacht, en overwoog vervolgens over het onbehandeld gelaten beroep van de Inspecteur op art. 10a(2)(b) Wet Vpb als volgt:
BNB2009/237 [16] oordeelde u dat wetgeverlijke traagheid bij de bestrijding van antifiscale constructies niet betekent dat die constructies geen
fraus legiszouden zijn:
BNB2013/151 (flitspartners) [17] betrof de overdrachtsbelasting; twee mede-eigenaren van onroerende zaken gingen voor één dag een geregistreerd partnerschap aan om beroep te kunnen doen op de vrijstellingen van overdrachtsbelasting bij inbreng en scheiding waarbij zij beiden van een aantal onroerende zaken de volle eigendom verkregen. Hoewel de wetgever bij de totstandkoming van de geregistreerd-partnerschapsregeling was gewezen op de ontgaansmogelijkheid doch afdichting achterwege had gelaten, constateerde u toch
fraus legis:
fraus legiskan worden vastgesteld in gevallen die geconstrueerd zijn juist om die verbondenheid te vermijden, maar waarin wel degelijk – zoals het Hof feitelijk heeft vastgesteld - renteaftrek gecreëerd wordt op een commercieel nutteloze leenverhouding. Met een hard criterium voor verbondenheid (1/3e belang) in een bepaling die renteaftrek bestrijdt op leningen met geen ander reëel doel dan belastingontwijking, heeft de wetgever mijns inziens niet aangegeven dat hij (wél) aftrek aanvaardt van geconstrueerde rente op een commercieel nutteloze lening in gevallen waarin de onderlinge verbondenheden van de financiers om de criteria van art. 10a Wet Vpb heen geconstrueerd zijn, maar de (hybride) leenverhouding nog steeds geen ander doel dient van winstdrainage in Nederland zonder
pick upelders.
BNB2009/237 en HR
BNB2013/151 faalt mijns inziens het betoog dat het - tot 2017 - uitblijven van wettelijke maatregelen tegen ontwijking van art. 10(4) Wet Vpb in de weg zou staan aan constatering van
fraus legisbij dergelijke ontwijkingsconstructies.
BNB1989/217 en HR
BNB1996/3. Volgens belanghebbende blijkt uit de feiten dat (i) de vermogenspositie van de FCPR’s wel degelijk wezenlijk is gewijzigd, omdat de verwerving van de aandelen [X] betekent dat het bij de FCPR's aanwezige eigen vermogen (in de vorm van kasmiddelen) omgezet is in een deelneming in (indirect) [X] , (ii) de stemrechten in [X] zijn overgegaan van [G] naar (indirect) de FCPR's, zodat ook een wezenlijke wijziging heeft plaatsgevonden in de zeggenschap van de FCPR’s in [X] , en (iii) [F] geen aandelen [X] heeft verworven en dus ook geen aandelen heeft kunnen leveren aan [C] , zodat geen sprake is van een interne verhanging; niet in geschil is immers dat de aandelen [X] op door [G] 31 januari 2011 zijn geleverd aan [C] en dat [X] daarmee is ontvoegd uit de fiscale eenheid [G] : de juridische en economische eigendom van de aandelen [X] , althans in elk geval 85% daarvan, is door [C] verkregen van [G] , een derde.
convertiblesnamen. Het sub (ii) gestelde lijkt mij evenmin relevant, nu de stemrechten overgaan ongeacht of
convertiblesformeel als vordering worden afgesplitst van het beschikbare eigen vermogen. Het sub (iii) gestelde bestrijdt een niet-geveld oordeel: het Hof heeft geen interne verhanging geconstateerd (zie nader 5.25 hieronder), maar heeft voor de beoordeling van de feitelijke vraag naar de
motievenvan de betrokkenen kennelijk ook betekenis gehecht aan (i) het aanvankelijk als koper optreden van de niet in Nederland tot debiteur maakbare en voegbare [F] en die ‘
before closing‘ vervangen door [C] en (ii) het
Project Swan Initial strawman tax structure papervan [...] . [21] Dat stond het Hof als feitenrechter vrij. Dat het Hof die feiten niet heeft geduid als wijzende op een doorslaggevend zakelijk motief is niet onbegrijpelijk.
before closing’haar rechten en verplichtingen aan [C] zou overdragen. Ook heeft het Hof (r.o. 2.14) de toelichting op de jaarrekening van [K] -1 FCPR geciteerd, die vermeldt dat
[L]al op 22 november 2010 een overeenkomst met [G] had getekend, die “closed on 31 January 2011 with [K] investing € 140 million in [X] .” Hieruit volgt dat [G] op 22 november 2010 een verkoopovereenkomst had met [F] . Het Hof heeft de desbetreffende
Sale and Purchase Agreementvan 22 november 2010 niet geciteerd, die kennelijk niet tot de gedingstukken behoort, waartoe wel behoren een
concept SPAten name van [F] van 15 oktober 2010, en de uiteindelijke
SPAten name van [C] , die het Hof evenmin heeft geciteerd, maar waarin de Staatssecretaris – niet het Hof - leest dat de economische eigendom per
effective date(1 augustus 2010) overgaat op de koper ( [F] en daarna [C] ). De belanghebbende bestrijdt dat dit (voldoende) gesteld is in de feitelijke instanties en dat feitelijke grondslag voor deze stelling bestaat. Het Hof heeft zich niet uitgelaten over mogelijke verwerving van economische eigendom van de aandelen [X] door [F] omdat die vraag in zijn benadering niet relevant is:
convertiblesten laste van een commercieel zinloos tot debiteur van de FCPR’s gemaakte Nederlandse overnameholding.
BNB2005/169, niet kon oordelen dat in
fraudem legiswordt gehandeld als een concern dat beschikt over eigen vermogen toch kiest voor het financieren van een externe acquisitie met (intern) vreemd vermogen. Haars inziens kan haar niet haar uit HR
BNB2015/165 volgende financieringsvrijheid worden ontzegd. Op basis van HR
BNB2015/165 kan alleen van een ‘omleiding’ worden gesproken als eigen geld vanuit zijn bron langs andere groepsvennootschappen wordt geleid voordat het als vreemd vermogen aan een Nederlandse belastingplichtige wordt verstrekt. Daarvan is geen sprake omdat de FCPR’s het door hen verkregen eigen vermogen rechtstreeks, dus zonder tussenkomst van andere (concern)vennootschappen hebben bestemd voor de financiering van de overname door (i) inleg van ledenkapitaal in [Y] , (ii) verstrekking van rentevrije leningen en (iii) verstrekking van het
convertible instrument. De door het Hof geconstateerde omleiding (tussenschakelen van [Y] , [B] en [C] ) is niet een omleiding zoals bedoeld in HR
BNB2015/165. Uit HR
BNB1996/3 leidt de belanghebbende af dat er geen strijd met doel en strekking van de Wet Vpb is als na de overname de rente op de
convertibleswordt afgezet tegen de winsten van [X] door aangaan van een fiscale eenheid. Evenmin is het gebruik van hybride lichamen en hybride financieringen een omleiding voor de toepassing van art. 10a Wet Vpb.
BNB1996/3 [23] betrof de verhanging van J BV van I BV naar X BV, de belanghebbende. De aandeelhouders van I BV en X BV waren dezelfde personen. X BV bleef de koopsom schuldig en ging een fiscale eenheid aan met J BV. I BV werd beleggingsinstelling (fbi). De Inspecteur bestreed de aftrek van de rentebetalingen van X BV aan I BV met een beroep op
fraus legis, maar u zag daar onvoldoende strijd met doel en strekking van de wet in omdat I BV (de fbi) binnen acht maanden haar winst zou moeten uitkeren, waardoor de rente indirect bij de natuurlijke personen belast zou worden.
BNB1996/4 [24] ging het om een interne verhanging. De belanghebbende, een BV, was opgericht door een niet vennootschapsbelastingplichtige vereniging. De vereniging stortte de aandelen van de belanghebbende vol door inbreng van alle aandelen in A NV, onder creditering van de meerwaarde. Vervolgens werden de belanghebbende en A NV gevoegd. U overwoog dat:
BNB2005/169 [25] betrof een Ierse grootmoeder, een Ierse moeder en een in Nederland gevestigde dochter. De dochter kocht van een derde 70% van de aandelen in een andere Nederlandse BV (kleindochter) met een lening bij een bank en een renteloze lening bij grootmoeder. Aangezien renteloosheid onzakelijk is, moest rente geïmputeerd worden, die dochter wilde aftrekken. Geïmputeerde rente werd in Ierland niet belast. U zag geen strijd met doel en strekking van de wet:
BNB2009/123 [26] houdt in dat de keuze voor een kunstmatige en van elk reëel niet-fiscaal belang ontblote weg om een op zichzelf reëel zakelijk doel te bereiken een handelen in
fraudem legesis:
BNB2013/137 [27] , over de toepassing van art. 10a Wet Vpb, impliceert de zakelijkheid van een transactie nog niet mee dat ook de financiering zakelijk is:
BNB2015/165 [28] (
Mauritius) bevestigde dat art. 10a Wet Vpb een dubbele zakelijkheidstoets voorschrijft, zowel van de gefinancierde transactie als van de financiering. U verwierp de stelling dat met de zakelijkheid van de gefinancierde aankoop van aandelen van een derde ook de zakelijkheid van de daarmee samenhangende schulden gegeven was omdat een reële financieringsbehoefte bestond die naar vrije keuze met eigen of vreemd vermogen vervuld kon worden:
3.2.2. De regeling van artikel 10a, lid 3 (vóór 2007: lid 2), van de Wet eist niet alleen van de belastingplichtige dat hij aannemelijk maakt dat aan de rechtshandeling zelf in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen, maar ook dat dit het geval is met betrekking tot de schuld die met deze transactie verband houdt. In de parlementaire behandeling van de wet die heeft geleid tot invoering van artikel 10a van de Wet, wordt over deze dubbele zakelijkheidstoets onder meer opgemerkt: “Het arrest van 6 september 1995, BNB 1996/4, bevestigt dat aan een transactie weliswaar zakelijke beweegredenen ten grondslag kunnen liggen maar dat dit nog niet betekent dat bij de keuze van de uitvoering een onbeperkte keuzevrijheid bestaat.”
(Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 3, p. 16).
De omstandigheid dat een verwerving van de aandelen in een vennootschap en de in verband daarmee aangegane schuld, in samenhang bezien, strekt ter verwezenlijking van zakelijk gefundeerde doeleinden, sluit hierdoor niet uit dat aan de wijze van financiering overwegingen ten grondslag liggen die niet in overwegende mate zakelijk zijn. Na de invoering van de in artikel 10a, lid 3, aanhef, en letter a, van de Wet, neergelegde dubbele zakelijkheidstoets sluit de omstandigheid dat een binnen een concern opgezette financieringsstructuur uiteindelijk een zakelijk doel dient, derhalve niet uit dat een geldlening van een verbonden lichaam die onderdeel van die financieringsstructuur is onder het bereik valt van de uitsluiting van renteaftrek (vgl. HR 1 maart 2013, nr. 11/00675, ECLI:NL:HR:2013:BV1426, BNB 2013/137). In zoverre kan het arrest BNB 2005/169 niet tot maatstaf dienen voor de toepassing van artikel 10a van de Wet. Het middel, dat een andere opvatting ingang wil doen vinden, faalt daarom.
BNB2016/197 [29] was de Nederlandse tussenhoudster van een Zweeds concern. De tophoudster wilde de aandelen in dochtermaatschappij C van de Italiaanse beurs halen. Een Italiaanse vennootschap G (de biedingsvennootschap) gaf in dat verband aan de belanghebbende aandelen uit met nominale waarde € 110.000 waarop de belanghebbende € 237.192.000 stortte om de biedingsvennootschap in staat te stellen alle beursaandelen te kopen. De belanghebbende had de storting gefinancierd met een gelieerde lening. De Inspecteur had op grond van art. 10a Wet Vpb de renteaftrek geweigerd. U bevestigde het uitgangspunt van vrijheid van een concern bij de financiering van zijn deelnemingen, en formuleerde het uitgangspunt dat art. 10a Wet Vpb zich niet verzet tegen tussenschakeling van een vennootschap in Nederland om fiscale redenen:
BNB2016/197 dat hybride elementen in een financieringsstructuur op zichzelf nog geen ‘omleiding’ zijn zoals door u bedoeld in het geciteerde
Mauritiusarrest HR
BNB2015/165:
Crédit Suissezaken (HR
BNB2017/162 t/m HR
BNB2017/164 [30] ) heeft u als volgt overwogen over de beoordeling door de feitenrechter van de feitelijke vraag of aan het motiefvereiste voor constatering van
fraus legisis voldaan:
convertibleshet karakter heeft van een ‘omleiding’ en daardoor fiscale overwegingen in casu niet kunnen worden geacht besloten te liggen in de vrijheid van [Y] om haar activiteiten te financieren op de wijze waarop haar dat schikt.
targette voegen debiteur, resulterende in omzetting van ongeveer de helft van het investeringsvermogen in commercieel zinloos vreemd vermogen en tot renteaftrek tegenover de winst van de
target, geen wezenlijke verandering in de vermogenspositie van de FCPR’s bracht en geen andere dan een antifiscale functie had. Weliswaar hield HR
BNB2005/169 in dat met de zakelijkheid van een overname ook de zakelijkheid van de financiering was gegeven, maar uit
Mauritiusblijkt dat HR
BNB2005/169 na de includering van externe acquisities onder de verdachte rechtshandelingen in art. 10a Wet Vpb geen maatstaf meer is bij de toepassing van die bepaling. HR
BNB2005/169 is daardoor mijns inziens evenzeer achterhaald bij de beoordeling van mogelijke ontduiking van art. 10a Wet Vpb.
Mauritiusimpliceert mijns inziens niet dat er geen onzakelijke omleiding/omzetting van eigen vermogen zou kunnen zijn. Gezien HR
BNB1996/4, HR
BNB2009/123 en de 5.38 geciteerde wetsgeschiedenis heeft het Hof terecht getoetst of in het samenstel van rechtshandelingen met zakelijk einddoel (overname [X] ; financiering [I] ) rechtshandelingen zijn opgenomen die voor dat doel zinloos zijn buiten hun antifiscale effect. Het Hof heeft op basis van die correcte maatstaf geoordeeld dat met de financieringsstappen tussen de beschikbaarheid van € 5,4 miljard eigen vermogen in het Fonds en de financiering van de uiteindelijke overnameholding, met name met de hybride geleiding langs vier hybride FCPR’s en langs [Y] c.s. als commercieel zinloze debiteur van commercieel zinloze
convertibles, eigen vermogen antifiscaal is omgezet in vreemd vermogen, dus zonder reëel niet-fiscaal doel.
tax havenfungeren, zulks bij deze overname mede om de wettelijke verbondenheidscriteria en daarmee de renteaftrekbeperking te frustreren, en langs een met de
targette voegen commercieel zinloos tot debiteur van de FCPR’s gemaakte Nederlandse vennootschap. Dat getuigt mijns inziens niet van een onjuiste rechtsopvatting en is op basis van de vaststaande feiten niet onbegrijpelijk.
fraus art. 10a Wet Vpbin strijd met het vrije verkeer van kapitaal en de vestigingsvrijheid. Zij verwijst naar de HvJ-arresten
FII 2 [35] en
Itelcartel [36] en naar HR
BNB2013/137. Als de FCPR’s in Nederland zouden zijn gevestigd zou wél aan de compenserende heffingstoets van art. 10(3)(b) Wet Vpb en van uw daaraan voorafgaande jurisprudentie worden voldaan. Omdat zij in Frankrijk zijn gevestigd en daar als transparant worden aangemerkt, kunnen zij niet voor die toets slagen. Ik begrijp dat de belanghebbende betoogt dat de wetgever/de rechtspraak een eis stelt waaraan makkelijker voldaan kan worden in binnenlandse dan in grensoverschrijdende gevallen. Anders dan in HR
BNB2013/137 acht de belanghebbende in haar geval de belemmering ongerechtvaardigd dan wel disproportioneel omdat geen sprake is van volstrekt kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit. Het tegengaan van misbruik kan volgens haar de belemmering niet rechtvaardigen. Mocht dat wel het geval zijn, dan acht zij op grond van het HvJ-arrest
Thin Cap Group Litigation [37] constatering van
fraus art. 10a Wet Vpbdisproportioneel. Bovendien wordt de belanghebbende in een onmogelijke bewijspositie gebracht omdat de uiteindelijke heffing plaats vindt bij de investeerders. De belanghebbende wijst op prejudiciële vragen van de Zweedse hoogste belastingrechter over de vraag of de Zweedse variant van art. 10a Wet Vpb strookt met de vrijheid van vestiging ex art. 49 VwEU Pro en verzoekt ook u prejudiciële vragen te stellen over de EU-rechtelijke houdbaarheid van art. 10a Wet Vpb of aan te sluiten bij de Zweedse prejudiciële vragen.
BNB2012/213, HR
BNB2017/162 en het HvJ-arrest
N Luxembourg 1 e.a., betogende dat bij misbruik van de nationale belastingwet geen beroep kan worden gedaan op de EU-verkeersvrijheden. Hij wijst er op dat het Hof heeft geoordeeld dat de renteaftrek producerende financieringsstructuur naast de beoogde verijdeling van belastingheffing geen reële betekenis heeft, dus kunstmatig is.
BNB2004/142 [38] weigerde de Inspecteur met een beroep op
fraus legisde renteaftrek op een in een geldlening omgezette dividendschuld van een in Nederland gevestigde BV aan haar inmiddels op de Nederlandse Antillen gevestigde moedervennootschap. De belanghebbende achtte de weigering in strijd was met het vrije verkeer van kapitaal. U overwoog:
BNB2012/213 [39] bevestigde u ‘s Hofs oordeel dat renteaftrek op basis van
fraus legisgeweigerd kan worden en herhaalde u dat bij de ontduiking van de nationale belastingwet niet met vrucht een beroep kan worden gedaan op de vrijheid van kapitaalverkeer:
BNB2013/137 [40] betrof de vraag of renteaftrekbeperking ex art. 10a Wet Vpb in strijd was met de vrijheid van vestiging (art. 49 VwEU Pro):
BNB2017/162 [41] had het Hof weigering van renteaftrek niet in strijd geacht met EU-recht omdat de belanghebbenden zijns inziens geen beroep konden doen op dat recht in geval van
fraus legis. U bevestigde dat oordeel:
BNB2004/142, HR
BNB2012/213 en HR
BNB2017/162, dan wel op grond van de Deense zaken HvJ EU C-115/16, C-118/16, C-119/16 en C-299/16, (
N Luxembourg 1 e.a.), [42] waaruit volgt dat de lidstaten verplicht zijn misbruik van EU-recht te bestrijden; een beroep op de EU-verkeersvrijheden om
frauslegiaansehandelingen te kunnen verrichten, is mijns inziens misbruik van EU-recht: het is niet bedoeld om misbruik te dekken, zoals volgt uit de door u in de bovenstaande citaten aangehaalde arresten van het HvJ EU. Dat is alleen anders als nationaal een ruimer misbruikbegrip gehanteerd zou worden dan het EU-recht toelaat, maar uw toepassing van zowel art. 10a Wet Vpb [43] als uw toepassing van
fraus legissluit in gevallen binnen de werkingssfeer van het EU-recht steeds aan bij het misbruikbegrip dat het HvJ EU gebruikt bij de beoordeling van antimisbruikrechtvaardigingen voor EU-vrijverkeersbelemmerende maatregelen.
fraus legis’ per definitie proportioneel is omdat het een individuele casusbeoordeling inhoudt zonder enige categorische vooronderstelling of nadelige bewijslastomkering: de fiscus moet de misbruikelijke bedoelingen aannemelijk maken en de mogelijke strijd met doel en strekking van de wet is een rechtsoordeel zonder bewijslastverdeling. Ik zie dan ook geen reden om vragen aan het HvJ EU te stellen of de door de belanghebbende Zweedse zaak af te wachten, die niet over een individueel geval van
fraus legisgaat, maar over een algemene wetsbepaling, terwijl u al geoordeeld heeft, in HR
BNB2013/137 (zie 5.49) dat art. 10a Wet Vpb zelf niet in strijd komt met de EU-verkeersvrijheden omdat de rechter het in gevallen binnen de werkingssfeer van het EU-recht uitlegt en toepast conform de misbruikdoctrine van het HvJ EU.
Middel (ii): per-element-toepassing van het fiscale-eenheidsregime op de rente ontvangen van de Duitse dochter?
X BV en X NV)om een verschil in behandeling dat volgt uit de gecombineerde toepassing van art. 15 en Pro art. 8 Wet Pro Vpb op basis waarvan ook de rente die [Y] ontvangt van [I] buiten aanmerking moet blijven. Gelet op de HvJ-arresten C-398/16 en C-399/16 (
X BV en X NV)en C‑386/14 (
Groupe Stéria) brengt een onevenwichtigheid tussen de onbelastbaarheid bij [Y] en aftrekbaarheid bij [I] niet mee dat de belemmering gerechtvaardigd kan worden geacht.
mismatch) met
base erosionals gevolg. Uit de arresten van het HvJ EU in de hieronder te bespreken zaken
X Holding, Lidl Belgium, Krankenheim Ruhesitz,en
Timac Agrovolgt mijns inziens dat Nederland niet verplicht is een buitenlands verlies (de rentelast van de uitsluitend in Duitsland onderworpen dochter [I] ) te importeren om heffing over binnenlandse winst (ontvangen rente) onmogelijk te maken als Nederland ook niet heft over de tegenover die buitenlandse lasten/verliezen staande buitenlandse winsten, mede omdat fiscale neutraliteit van intragroepstransacties behoort tot het wezen van fiscale consolidatie. Uit HvJ EU
Groupe Stériavolgt dat de vestigingsvrijheid belastingplichtigen niet de mogelijkheid biedt om naar eigen inzicht te bepalen in welke fiscale jurisdictie zij rentebaten en renteaftrek laten vallen, laat staan de mogelijkheid om naar eigen inzicht een
deduction/no inclusionte creëren. Ik acht principaal middel (ii) daarom ongegrond. De Deense zaken
N Luxembourg 1 e.a.eisen juist van de lidstaten dat zij misbruik van (EU-)recht tegengaan.
Lidl Belgium [44] voor het HvJ EU betrof een Duitse
objectvrijstelling voor Luxemburgse vaste-inrichtingswinst. Het ging om een Duitse vennootschap met een (sub) vaste inrichting in Luxemburg. In 1999 leed die vaste inrichting verlies, wat zij op grond van het Duits-Luxemburgse belastingverdrag in 2003 zou kunnen verrekenen met haar Luxemburgse winst. Lidl Belgium wenste dat verlies ook in 1999 in Duitsland verrekenen met Duitse winst. Het HvJ achtte Duitslands weigering gerechtvaardigd door (i) de handhaving van de evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten en (ii) de noodzaak om het gevaar van dubbele verliesverrekening te voorkomen:
Krankenheim Ruhesitz [45] betrof de eerdere Duitse
belastingvrijstelling voor Oostenrijkse v.i.-winst. Het ging om een Duitse vennootschap die van 1982 tot 1994 een vaste inrichting in Oostenrijk had die tot eind 1990 verlies leed en van 1991 tot 1994 winst maakte. De v.i.-verliezen waren in mindering gebracht op de Duitse winst (wereldwinststelsel). Duitsland telde de winsten van de vaste inrichting in 1991 tot 1994 bij de Duitse winst om de eerder afgetrokken verliezen te compenseren (inhaalregeling). In Oostenrijk moest belasting betaald worden over de v.i.-winsten zonder rekening te houden met de geleden verliezen. Het HvJ achtte de inhaal gerechtvaardigd door de noodzaak om de samenhang van de Duitse fiscale regeling te garanderen:
Timac Agro Deutschland [46] bevestigde het HvJ EU voor beide stelsels (objectvrijstelling en belastingvrijstelling) dat als buitenlandse positieve resultaten niet worden belast, de concomitante buitenlandse lasten ook niet geïmporteerd hoeven te worden en ging hij nog een stapje verder in het geval van een objectvrijstelling: bij een objectvrijstelling is zelfs geen sprake van objectieve vergelijkbaarheid van de binnenlandse en de grensoverschrijdende situatie omdat het buitenlandse filiaal niet onderworpen is en het binnenlandse wel. De zaak betrof een Duitse vennootschap die haar Oostenrijkse vaste inrichting overdroeg aan een Oostenrijkse zustervennootschap, hetgeen de terugname veroorzaakte van eerdere aftrek in Duitsland van Oostenrijkse v.i.-verliezen. Het HvJ achtte dat überhaupt geen discriminatie in de jaren waarin de objectvrijstelling gold (zodat geen rechtvaardiging nodig was) en gerechtvaardigd in de jaren waarin de belastingvrijstelling (inhaalregeling) gold:
Marks & Spencer II [47] over het niet grensoverschrijdend hoeven toepassen van de Britse
group reliefop resultaten van niet-onderworpen, niet-ingezeten dochters, en C-337/08
X Holding, over de Nederlandse fiscale eenheid.
X Holding [48] achtte het HvJ ten onrechte het Nederlandse fiscale-eenheidsregime in beginsel in strijd met de vrijheid van vestiging omdat een ingezeten moeder die met een ingezeten dochter een fiscale eenheid wil vormen, objectief vergelijkbaar zou zijn met een ingezeten moeder die met een niet-onderworpen, niet-ingezeten dochter een fiscale eenheid wil vormen (dat is niet zo: niet-onderworpen is evident niet vergelijkbaar met wel onderworpen), maar achtte hij de beperking van het fiscale eenheidsregime tot vennootschappen die aan de Nederlandse vennootschapsbelasting zijn onderworpen wel gerechtvaardigd vanwege de noodzaak om de verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te handhaven omdat moedervennootschappen anders de vrijheid zouden hebben om te kiezen in welke lidstaat zij de verliezen van hun buitenlandse dochter in mindering willen brengen. In feite bestond de rechtvaardiging dus uit het verschil in onderworpenheid, dus toch in een objectief verschil:
Groupe Stéria [49] volgt dat
nietgerechtvaardigd is het in grensoverschrijdende gevallen onthouden van een voordeel van fiscale groepsintegratie dat los staat van het wezen van fiscale consolidatie. Dat wezen is in elk geval, aldus het HvJ in het bovenstaande citaat uit
X Holding: consolidatie van de winst en het verlies van de opgenomen vennootschappen op het niveau van de moedervennootschap en intragroepstransacties neutraal houden. Bij andere voordelen van het fiscale integratieregime moet per voordeel worden beoordeeld of het zonder ongerechtvaardigde belemmering kan worden voorbehouden aan ingezetenen vennootschappen. Het voordeel in de zaak
Groupe Stériabetrof volledige deelnemingsvrijstelling in plaats 95%-vrijstelling van deelnemingsvoordelen. Dat voordeel achtte het HvJ niet onlosmakelijk verbonden aan de Franse
intégration fiscaleen hij zag ook geen symmetrische samenhang met nadelen verbonden aan die
intégration. In toekenning van dit voordeel aan moeders met buitenlandse dochters zag het Hof evenmin een verstoring van de evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheid tussen lidstaten:
X BV en X NV. [50] In de zaak X BV had X BV een storting in haar Italiaanse dochtervennootschap gefinancierd met een lening van een Zweedse groepsvennootschap. X BV had aangevoerd dat de aftrekbeperking van art. 10a Wet Vpb niet zou gelden als X BV een fiscale eenheid had kunnen vormen met haar Italiaanse dochter. In de zaak X NV wilde X NV een verlies aftrekken dat zij op een middellijk gehouden buitenlandse deelneming had geleden door wisselkoersschommelingen. X NV betoogde dat als zij een fiscale eenheid had mogen vormen met haar dochter zij het valutaverlies had kunnen aftrekken. In de gevoegde zaken X BV en X NV oordeelde het HvJ EU dat de vestigingsvrijheid niet aan de weg stond aan weigering van aftrek van het valutaverlies van X NV op haar niet-voegbare niet-onderworpen niet-ingezeten dochter. X BV daarentegen was wél succesvol in haar beroep op de vestigingsvrijheid:
X BV en X NVaangelegde beoordelingsmaatstaf heb ik in de conclusie voor uw eindarrest HR
BNB2019/17 [51] in de zaak
X BVhet volgende opgemerkt:
BNB2019/17 heeft u ter zake van X BV geoordeeld dat er een verschil in behandeling is met een in Nederland gevestigde moedervennootschap die een kapitaalstorting in haar eveneens in Nederland gevestigde dochter financiert met een bij een verbonden vennootschap aangegane lening:
BNB2019/17, gaat het in belanghebbendes geval niet om de bovenkant (een lening van een buitenlandse groepsvennootschap ter financiering van een storting in een dochtervennootschap), maar om de onderkant, nl. een lening aan een dochter. Het gaat dus niet om aftrek van een rentelast, maar om een rentebate die volgens de belanghebbende niet mag worden belast.
Timac Agro(zie 6.6 hierboven) – ten onrechte wel-onderworpen en niet-onderworpen als vergelijkbaar beschouwd, zodat wij EU-rechtelijk moeten uitgaan van een verkeersbelemmering doordat [I] niet met [C] kon worden opgenomen in de fiscale eenheid [A] , althans de voordelen daarvan niet kon genieten. Dan is de vraag of dat verschil met een geheel binnenlandse situatie kan worden gerechtvaardigd door de noodzaak om de evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten dan wel fiscale systeemcoherentie te waarborgen, dan wel om misbruik te bestrijden.
deduction/no inclusion, iets wat door zowel de OECD (in diens BEPS [57] -initiatieven) als de EU (in onder meer diens ATAD [58] -richtlijnen) als een te bestrijden fenomeen wordt beschouwd omdat het misbruik meebrengt. Belastingplichtigen zou de mogelijkheid worden geboden om naar eigen inzicht te bepalen waar zij rentebaten en renteaftrek willen laten vallen, hetgeen volgens de boven geciteerde rechtspraak van het HvJ EU niet gebaseerd kan worden op de EU-verkeersvrijheden: die dienen daar niet voor. Belemmeringen die ertoe strekken dat te voorkomen, kunnen dus ook gerechtvaardigd worden door de noodzaak misbruik te voorkomen.
7.Middel (iii): Aftrek van de bonussen bij [G] of bij de belanghebbende?
BNB1997/37 [62] ten betoge dat een voorwaardelijke verplichting fiscaal pas tot uiting hoeft te worden gebracht als aan alle voorwaarden is voldaan. Die zaak betrof een varkenshouderij die per einde boekjaar een hoeveelheid mest had die niet over het eigen land mocht worden verspreid. De afzetkosten ad f. 8125 die werden opgeroepen in 1991 maar pas in 1992 tot uitgaven leidden, werden toegerekend aan de ondernemingsuitoefening in 1991, zodat dit arrest eerder het standpunt van de staatssecretaris dan van dat van de belanghebbende lijkt te steunen, maar ik neem aan dat zij wil illustreren dat eindeboekjaarbalansen beheerste worden door goed koopmansgebruik. U overwoog:
BNB2000/269 [63] betrof de vraag of in het jaar waarin een gevoegde BV in staat van insolventie geraakt, haar schulden bij de moeder vrijvallen tot het bedrag van haar negatieve vermogen. In de voorafgaande conclusie betoogde ik dat het bij een ontvoegingsbalans gaat om een continuïteitsbalans, die dus door goed koopmansgebruik wordt bepaald, behalve voor wat betreft onderlinge vorderingen en schulden, waarbij het om totale winst gaat:
BNB2016/36 [64] betrof de ontvoeging van een dochter door verkoop van haar aandelen en gelijktijdige uitgifte van nieuwe aandelen. In geschil was of de opbrengst van de uitgifte tot dochters beginvermogen van het eerste boekjaar na ontvoeging uit de fiscale eenheid behoorde. In de voorafgaande conclusie [65] merkte ik over de verschillende balansen op grond van art. 13 BFE Pro het volgende op:
thincap) bezien, zie ik geen reden daar anders over te denken; integendeel: het eigen vermogen afkomstig uit de emissieopbrengst is er.
SPAtussen [G] Holding B.V., [H] Group and [C] vermeldt:
success feekan vallen.
target nietop de volgende dag geleverd zouden worden en (ii) de kans dat de betrokken werknemers
nietop de volgende dag nog bij ‘the Company’ in dienst zouden zijn, beide verwaarloosbaar waren. Dat is een feitelijk oordeel dat mijns inziens op basis van de vaststaande feiten niet onbegrijpelijk is en mijns inziens door het Hof voldoende is gemotiveerd. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat de bonusverplichting daarom uiterlijk bij het opstellen van de ontvoegingsbalans(en) van [X] / [G] gepassiveerd moest worden. Het Hof heeft dat gebaseerd op de opvatting dat het om een probleem van totaalwinst zou gaan, althans om een realisatiemoment. Die opvatting acht ik onjuist, maar niet ’s Hofs eindoordeel. Zijn (feitelijke) oordeel houdt immers in dat betaling van de bonussen op het tijdstip van opstellen van de ontvoegingsbalans ‘zo goed als zeker’ was in de zin van het geciteerde arrest HR
BNB2000/269 (zie 7.10), zodat op basis van dat arrest passivering op dat moment niet meer uitgesteld kon worden.
Het voorwaardelijke incidentele beroep (de Staatssecretaris)
Voorwaardelijk incidenteel middel (i): zijn deconvertiblescivielrechtelijk een lening?
convertiblesten onrechte als lening heeft aangemerkt omdat zijns inziens een reële terugbetalingsverplichting ontbreekt. Hij herhaalt dat (i) de belanghebbende op elk moment, ook in geval van haar insolventie, de
convertiblesnaar eigen inzicht in ledenkapitaal kan omzetten; (ii) aflossing en gecumuleerde-rentebetaling vóór wederverkoop van [X] praktisch en juridisch uitgesloten is; (iii) de houders van
convertiblesgelijkgeschakeld zijn met leden in de verhouding tot het winstrecht van het management, dat als enige lid geen
convertiblesheeft en (iv) het niet voor de hand ligt dat de
convertiblesvóór de verkoop van [X] tegen 13% worden afgewikkeld, nu het volledige rendement op de investering doorslaggevend is voor de berekening van het rendement van het management op diens minderheidsbelang. Hieruit volgt volgens de Staatssecretaris dat ook civiel-contractueel geen echte terugbetalingsverplichting bestaat. Weliswaar beslist volgens uw jurisprudentie in beginsel de civielrechtelijke vorm, maar in civielrechtelijk niet-eenduidige situaties moet volgens hem als scheidslijn tussen eigen en vreemd vermogen gelden of de geldverstrekker voor de schulden van de debiteur aansprakelijk is. Uit de vastgestelde feiten leidt de Staatssecretaris af, anders dan het Hof, dat belanghebbendes verplichtingen jegens de houders van de
convertiblesgelijk is aan haar verplichtingen jegens haar leden.
convertibles civielrechtelijk een lening zijn omdat (wel) een terugbetalingsverplichting bestaat. De Rechtbank overwoog:
NJ2003/50 [66] oordeelde uw eerste kamer dat een verplichting tot terugbetaling, ook als zij afhankelijk is van een toekomstige onzekere gebeurtenis, voldoende acht voor het aanmerken van een overeenkomst als een geldlening in de zin van art. 7A:1791 BW:
JOR2016/354 [67] ter zake van een terugbetaling onder opschortende voorwaarde:
BNB2007/104 [68] (Kaspische Zee) betrof de vraag naar de verschuldigdheid van kapitaalsbelasting over door een aandeelhoudster zonder zekerheden aan haar dochter verstrekt geld om naar olie en gas te zoeken in de Kaspische Zee. De omstandigheden dat een derde geen geld zou hebben verstrekt zonder zekerheidstelling en dat de terugbetalingsverplichting voorwaardelijk en onzeker is, leidden niet tot de conclusie dat civielrechtelijk geen sprake was van een lening. U oordeelde dat een geldverstrekking civielrechtelijk een lening is als (i) de ontvanger van de lening een terugbetalingsverplichting heeft en (ii) ten tijde van de geldverstrekking niet was te voorzien dat het nooit tot terugbetaling zou komen:
BNB2014/79 [69] (
Australische redeemable preference shares) betoogt voor gevallen waarin de civielrechtelijke kwalificatie van een geldverstrekking onduidelijk is, bijvoorbeeld omdat die afhangt van vreemd recht, dat beslissend zou moeten zijn waar de crediteur staat in rangorde bij faillissement van de debiteur:
BNB2014/79 [73] betrof de
Redeemable Preference Shares(RPS’s) in een gelieerde Australische vennootschap, waarop jaarlijks en cumulatief 8% werd vergoed in de eerste twee jaren, waarna de vergoeding met 1 punt per twee jaar opliep tot maximaal 12%. De belanghebbende had de op haar RPS’s ontvangen vergoeding aangemerkt als vrijgesteld deelnemingsdividend. De fiscus zag echter belastbare rente, mede omdat die vergoeding bij de Australische debiteur aftrekbaar was. Het tweede arrest, HR
BNB2014/80 (Bankensyndicaat), [74] betrof een bankensyndicaat dat naar civielrechtelijke maatstaven beoordeeld preferent aandelenkapitaal in de zin van artt. 2:175 en 2:178 BW aan een concern had verschaft. Bij de kwalificatie van deze geldverstrekking als eigen of vreemd vermogen lagen de fiscale belangen omgekeerd: de fiscus zag vreemd vermogen en wilde de door het syndicaat ontvangen vergoeding als rente belasten in plaats van haar als deelnemingsdividend te moeten vrijstellen, zoals het syndicaat bepleitte. Anders dan op de hoofdregel dat de civielrechtelijke vorm beslissend is voor de vraag of sprake is van een lening, waarop u drie uitzonderingen toelaat, zo bleek, liet u geen uitzonderingen toe op de hoofdregel dat de vraag of sprake is van verschaffing van kapitaal op aandelen beoordeeld wordt uitsluitend naar civielrechtelijke maatstaven:
fraus legisvoordoet. Deze stelling wordt verworpen. In het systeem van de Wet ligt besloten dat een belastingplichtige keuzevrijheid heeft bij de financiering van een vennootschap waarin zij deelneemt. Benutting van die keuzevrijheid vormt, mede in aanmerking genomen de strekking van de deelnemingsvrijstelling, geen handelen in strijd met doel en strekking van de Wet.”
een gelijke som[cursivering: RS] geld terug te verstrekken." [79] Wel staat het partijen onder omstandigheden vrij om overeen te komen dat meer of juist minder dan de hoofdsom moet worden terugbetaald. In het eerste geval kan het verschil bijvoorbeeld worden veroorzaakt door overeengekomen rente. [80] In het tweede geval kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een obligatielening die wordt uitgegeven tegen 105%, aflosbaar tegen pari (100%). [81] Volgens de Asser-serie moet dit verschil dan wel worden veroorzaakt door bijvoorbeeld een aan de crediteur toegekend conversierecht of een hogere rente dan normaal. [82] Anders gezegd, de verplichting om minder terug te betalen dan de hoofdsom moet zijn oorzaak vinden in de totale rechtsverhouding van partijen. Zo niet, dan kan civiel-juridisch sprake zijn van een gemengde overeenkomst omdat deels sprake is van een gift. Daarnaast kan een schuldenaar zich met toestemming van de schuldeiser van zijn verbintenis bevrijden door een andere prestatie dan de verschuldigde (lees: geldsom), al mocht zij van gelijke of zelfs hogere waarde zijn. [83]
BNB2007/104 is civielrechtelijk sprake van een lening als (i) de ontvanger van de lening een terugbetalingsverplichting heeft en (ii) ten tijde van de geldverstrekking niet was te voorzien dat het nooit tot terugbetaling zou komen, hoe onzeker of voorwaardelijk terugbetaling ook is. Het Hof heeft geoordeeld dat de door de Staatssecretaris aangevoerde omstandigheden niet de conclusie rechtvaardigen dat bij het aangaan was te voorzien dat het nooit tot terugbetaling zou kunnen komen (eerder integendeel). Dat oordeel berust op de juiste rechtskundige maatstaf en voor het overige op uitleg van contracten en duiding van feiten en omstandigheden waarover de Hoge Raad niet gaat. Kennelijk zag het Hof geen civielrechtelijk onduidelijke situatie omdat zijns inziens niet onduidelijk was dat civielrechtelijk een terugbetalingsverplichting bestond.
Voorwaardelijk incidenteel middel (ii): zijn deconvertiblesdan een deelnemerschaps-lening ex art. 10(1)(d) Wet Vpb?
convertiblesfeitelijk niet de contractuele is, maar gelijk is aan de duur van de risicodragende kapitaalverschaffing en dat het voor de FCPR’s feitelijk niet uitmaakt of zij participeren via het ledenkapitaal of via de
convertibles. Ook de
yieldop de
convertiblesacht hij feitelijk vrijwel gelijk aan die op het ledenkapitaal. Ook als de op papier overeengekomen looptijd korter is dan 50 jaar, kan zijns inziens niet steeds werkelijk een vaste looptijd aangenomen worden. Het relevante criterium is immers (art. 10(1)(d) Wet Vpb) of de lening onder zodanige voorwaarden is aangegaan dat zij feitelijk functioneert als eigen vermogen. De Staatssecretaris ziet in HR
BNB2018/60 nog wel ruimte om in extreme casusposities, zoals belanghebbendes geval, zelfstandige (fiscale) betekenis te ontzeggen aan bedingen over rentevergoeding en looptijd die geen feitelijke betekenis (zullen) hebben.
BNB1998/208 [89] heeft u de criteria voor de fiscaalrechtelijke, dus van de civielrechtelijke vorm afwijkende, deelnemerschapslening gegeven. Daarvan is sprake als (i) de vergoeding voor de geldverstrekking afhangt van de winst van de debiteur; (ii) de schuld is achtergesteld bij alle concurrente schuldeisers van de debiteur en (iii) de schuld geen vaste looptijd heeft maar slechts opeisbaar is bij faillissement, surséance van betaling of liquidatie:
BNB2006/82 [90] betrof een
prêt participatifmet een vaste looptijd van 95 jaar. U achtte die looptijd zodanig lang is – meer dan 50 jaar – dat er geen zelfstandige (fiscale) betekenis aan kon worden toegekend:
BNB1998/208:
BNB2018/60 [93] hadden belanghebbende en twee anderen een geldlening ad € 300.000 verstrekt aan F BV, waarbij was afgesproken dat zij ieder voor 1/9e zouden toetreden als aandeelhouder van F BV. De overeenkomsten van geldlening vermeldden een rente van 5,6% per jaar maar geen aflossingsschema en geen zekerheden, en ten gunste van de schuldeiser een recht tot opzegging met inachtneming van een termijn van zes maanden. De Staatssecretaris voerde in cassatie aan dat de in HR
BNB1998/208 door u ontwikkelde criteria hun betekenis zouden verliezen als het voldoende zou zijn om slechts formeel niet te voldoen aan de criteria voor de deelnemerschapslening, maar u verwierp zijn standpunt dat materieel aan die criteria moet worden getoetst, zij het dat fiscaalrechtelijk wel voorbijgegaan kan worden aan, kort gezegd, flauwekulbedingen in de overeenkomst (zoals een ‘vaste’ looptijd van 95 jaar, zo bleek boven al):
perpetualszijn achtergesteld bij alle concurrente vorderingen. De belanghebbende heeft gesteld dat zij materieel een vaste looptijd hebben, maar in ’s Hofs oordeel ligt mijns inziens de niet-onbegrijpelijke uitleg van de
terms and conditionsbesloten dat zij civielrechtelijk geen vaste looptijd hebben. Zoals bleek, is niet van belang dat materieel aflossing (veel) eerder dan na 50 jaar valt te verwachten. Het gaat immers om hetgeen civielrechtelijk is overeengekomen (in casu een onbepaalde looptijd), tenzij daaraan zelfstandige betekenis moet worden ontzegd, waarvan volgens het Hof kennelijk onvoldoende blijkt.”
BNB2018/60 ruimte om de drie criteria voor een deelnemerschapslening niet op basis van hetgeen is overeengekomen toe te passen, maar op basis van hun feitelijke effect:
NTFR2019/211 gaat Bierman in op deze uitspraak én op de op dit punt vergelijkbare uitspraak van dezelfde Rechtbank in onze zaak. Hij meent dat de Rechtbank ten onrechte achteraf vaststelt dat dat de rente winstafhankelijk was:
NLF2019/0457) acht de materiële benadering van de Rechtbank Noord-Holland onjuist omdat zijns inziens uit HR
BNB2018/60 duidelijk volgt dat u heeft gekozen voor een formele benadering van de criteria voor de deelnemerschapslening:
Benadering Rechtbank
BNB2018/60 bestaan zijns inziens (dus) uitzonderingen, zoals in een ‘extreem’ geval waarin de rente 13% per jaar beloopt maar niet betaald kan worden maar rentedragend wordt bijgeboekt, waardoor bij een daadwerkelijke 40-jarige looptijd een ondraaglijke rentelast zou ontstaan, terwijl duidelijk is dat de looptijd gelijk zal zijn aan de nog onbepaalde duur van de investering en de
yieldin wezen gelijk zal zijn aan die op het ledenkapitaal en pas betaald zal (kunnen) worden na wederverkoop van de
target. In zulke gevallen hebben volgens hem de civielrechtelijk overeengekomen rentevergoeding en looptijd geen zelfstandige betekenis.
BNB2018/60 lijkt mij echter juist gebaseerd op de wens rechtszekerheid te bieden door de civielrechtelijke vorm te volgen, zodat uitzonderingen en nuanceringen op basis van een vaag criterium als ‘extreem’ niet voor de hand liggen. Bovendien werkt materiële beoordeling mijns inziens niet in het voordeel van de Staatsecretaris: als materieel uitgegaan wordt van de kennelijke investeringshorizon (10, maximaal 13 jaar) in plaats van de overeengekomen leningslooptijd (40 jaar), leidt samengestelde rentebijboeking niet meer tot een ondraaglijke rentelast. Feitelijk is zo’n last ook niet ontstaan, maar is vermogenswinst gemaakt. Een ‘materiële’ beoordeling lijkt, gegeven het expliciete rechtszekerheidsdoel, alleen aangewezen in hetgeen u in HR
BNB2018/60 aanduidde als gevallen waarin aan bedingen in de leningsovereenkomst geen zelfstandige betekenis toekomt, waarmee u mijns inziens het oog had op criteria-ontduiking (zoals bij een ‘vaste’ looptijd van 95 jaar) en op - ook in civielrechtelijke zin - schijnhandelingen.
convertibles-overeenkomst zelfstandige betekenis moet worden ontzegd, lijkt mij vervolgens een vooral feitelijke vraag van contractuitleg waarover u niet gaat en die het Hof mijns inziens niet-onbegrijpelijk ontkennend heeft beantwoord.
10.Voorwaardelijk incidenteel middel (iii): ‘belang’ in art. 10a Wet Vpb.
BNB2008/266, waarin een 10a-schuld werd omgezet in een lijfrenteverplichting, die niet onder 10a Wet Vpb viel. U oordeelde dat zulks
fraus art. 10a Wet Vpbopleverde. De reikwijdte van art. 10a Wet Vpb is beperkt tot winstdrainage in groepsverband omdat het normaal gesproken alleen mogelijk is om een antifiscale geldlening te construeren bij een zekere mate van invloed in de debiteur. De Staatssecretaris stelt de vraag hoe het begrip ‘belang’ moet worden geduid; of het belang moet worden bezien per deelnemend lichaam, dan wel of ook één gecoördineerde gezamenlijke investering door meer lichamen als een ‘belang’ kan worden gezien. De Staatssecretaris meent van wel en deze uitleg van ‘belang’ in art. 10a(4) Wet Vpb bevestigd wordt doordat de invoeging van ‘de samenwerkende groep’ in art. 10a(6) Wet Vpb in 2017 niet als een aanscherping of uitbreiding door de wetgever werd beschouwd maar als een verduidelijking van lid 4.
nietonder de term ‘belang’ viel.
fraus art. 10a Wet Vpb.
Voorwaardelijk incidenteel middel (iv): zijn de rentelasten onzakelijk ex artt. 8 en 8b Wet Vpb of is de lening onzakelijk?
convertibleseen zakelijk rentepercentage kan worden gevonden voor zowel de inleners als de uitlener. Als een derde (niet-lid) al bereid zou zijn een met de
convertiblesvergelijkbare lening te verstrekken, dan zou hij een veel hoger en hoogstwaarschijnlijk niet vast rentepercentage, maar een winstafhankelijke vergoeding eisen. De Staatssecretaris wijst erop dat (i) de looptijd 40 jaar is; (ii) de
convertiblesop elk moment, ook in déconfiture, door de debiteur omgezet kunnen worden omgezet in eigen vermogen en (iii) de rente niet wordt betaald, maar bijgeteld bij de hoofdsom. Volgens de Staatssecretaris heeft het Hof ten onrechte de stelling van de inspecteur verworpen dat feitelijk een winstdelende vergoeding is overeengekomen.
convertibleseen onzakelijke lening zijn. Het Hof heeft daaromtrent overwogen:
Is de rentelast zakelijk
BNB2012/37 [107] heeft u de volgende uitgangspunten geformuleerd voor de beoordeling van de (on)zakelijkheid van leningen:
BNB1995/15 en HR
BNB2002/290, over uitgaven die redelijkerwijs niet met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming konden zijn gedaan (privéreiskosten en het houden van renpaarden).
convertiblesgefinancierde activa. De Staatssecretaris betoogt dat dat wijsheid achteraf is en meent – in overeenstemming met r.o. 3.3.5 van HR
BNB2012/37 over onzakelijke leningen (zie 11.9 hierboven) – dat de zakelijkheid beoordeeld moet worden op het moment van aangaan van de schuld. Dat is correct, maar het lijkt duidelijk dat bij het aangaan van de schuld ook zakelijk handelende investeerders ervan uit gingen dat een heel mooi rendement op de investering behaald zou kunnen worden waarmee de
convertiblesafgelost zouden kunnen worden. Dat is mijns inziens wat het Hof bedoelt. Het gaat hier slechts om het rentepercentage en nog niet over de overige voorwaarden van de
convertibles. Daarover hieronder (11.13 e.v.).
BNB1995/15 en HR
BNB2002/290 en mijns inziens evenmin uit art. 8b Wet Vpb. Ook in zoverre faalt mijns inziens het middel.
convertibleseen onzakelijke lening zijn. Volgens het Hof heeft de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat er geen derden te vinden zouden zijn die onder dezelfde voorwaarden en omstandigheden bereid zouden zijn tot het nemen van de
convertibles.
BNB2012/37 moet de inspecteur aannemelijk maken dat de overeengekomen rente niet op armslengte is en dat evenmin een niet-winstafhankelijke armslengte rente valt te bepalen. Onvoldoende gemotiveerd lijkt mij ‘s Hofs oordeel dat 13% niet uit te betalen maar steeds bij te boeken rente per jaar niet onzakelijk zou zijn omdat een
transfer pricingrapport van [...] dat zegt, hoewel het gaat om een volstrekt incourante financiering die ook volgens dat rapport helemaal niet bestaat in de markt en dat rapport bovendien op geen enkele van de overige
convertibles-voorwaarden ingaat, terwijl het daar juist om gaat, en ook nog uitgaat van een heel andere looptijd dan 40 jaar. Nu volgens HR
BNB2012/37 moet worden nagegaan of tussen niet gelieerde partijen een zakelijke vaste rente kan worden vastgesteld uitgaande van overigens dezelfde voorwaarden, lijkt mij ook ’s Hofs vergelijking met de
mezzanine facilityniet ter zake: die is verstrekt door [D] , die mijns inziens in dit verband niet als onafhankelijke derde kan worden beschouwd omdat ook zij lidmaatschapsrechten heeft en
convertibleshoudt en dus geen onafhankelijke marktpartij is: zij mocht participeren in de structuur en heeft dat daadwerkelijk gedaan, en ook bedroeg de
mezzanine facility-rente
minimaal11,5% en werd zij bovendien, anders dan de rente op de
convertibles, voor een deel wél daadwerkelijk periodiek betaald.
convertiblesen naar de gevolgen als de bevinding zou zijn dat zich een onzakelijke lening voordoet. Dan moet, gezien HR
BNB2012/37, een rente vastgesteld worden die past bij een vergelijkbare lening verstrekt door een bank onder borgstelling door de FCPR’s/het Fonds. Dan zou het rentepercentage vermoedelijk zeer aanzienlijk dalen. Ik ga ervan uit dat alsdan geen borgstellingsprovisie betaald door de belanghebbende aan de FCPR’s geïmputeerd hoeft te worden, want dat zou het probleem van het niet in een vaste rente corrigeerbare onzakelijk debiteurenrisico slechts omzetten in een probleem van een onbepaalbare borgstellingsprovisie (dus wezenlijk terugkeren naar een onbepaalbare vaste rente).
Conclusie