ECLI:NL:HR:1996:AA2035
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- De Moor
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt voorziening voor afzetkosten mest in belastingaanslag 1991
Belanghebbende exploiteerde in 1991 een maatschap met zijn echtgenote waarin zij varkens hielden en landbouwgrond bewerkten. Voor dat jaar werd een inkomstenbelastingaanslag opgelegd die na bezwaar en beroep door het Hof werd verminderd op basis van een voorziening voor de kosten van afzet van mest die niet op eigen grond kon worden uitgereden.
Het Hof oordeelde dat de beperkingen uit het Besluit gebruik dierlijke meststoffen een feitelijke verplichting voor belanghebbende creëerden om mest bij derden af te zetten en dat het in overeenstemming met goed koopmansgebruik was om hiervoor een voorziening te vormen op de balans ultimo 1991. De Staatssecretaris betwistte dit oordeel in cassatie.
De Hoge Raad overwoog dat kosten die noodzakelijk voortvloeien uit de productie in een bepaald jaar, maar pas in een volgend jaar tot uitgaven leiden, toegerekend mogen worden aan het jaar van productie en dat het vormen van een voorziening daarvoor niet in strijd is met goed koopmansgebruik. Het cassatieberoep werd verworpen.
Daarnaast werd de Staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 1.420,-- voor beroepsmatige rechtsbijstand. Het arrest werd op 8 juli 1996 door de Hoge Raad uitgesproken.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt verworpen en de voorziening voor afzetkosten mest wordt bevestigd.