Uitspraak
[X] B.V., gevestigd te
[Z], tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te 's-Gravenhagevan 21 mei 1991 betreffende de haar ter zake van na te melden verkrijging opgelegde aanslag tot naheffing van overdrachtsbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende verkreeg op 25 februari 1986 de juridische eigendom van 15 aandelen in een besloten vennootschap die onroerend goed beheert, terwijl een derde partij het economische eigendom behield. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op, die na bezwaar werd verminderd maar gehandhaafd. Het Hof bevestigde deze aanslag en oordeelde dat belanghebbende als verkrijger moest worden aangemerkt.
De Hoge Raad stelt dat het handelen van een aandeelhouder die de juridische eigendom door een door hem beheerde vennootschap laat verkrijgen, niet strijdig is met de doelstelling van de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Indien de wetgever deze ontgaansmogelijkheid had willen uitsluiten, zou hij daarvoor een regeling hebben getroffen, tenzij sprake is van kunstmatige splitsing van aandelen over meerdere vennootschappen.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het Hof en de naheffingsaanslag, en gelast vergoeding van de betaalde griffierechten aan belanghebbende. De overige klachten behoeven geen behandeling meer.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting wegens ontbreken van strijd met doel en strekking van de wet.