De zaak betreft een geschil over de toepassing van artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, waarin de aftrekbaarheid van rente op leningen binnen een concern aan de orde is. Belanghebbenden, onderdeel van een Zuid-Afrikaans mediaconcern, hadden leningen ontvangen die zij gebruikten voor acquisities. Het Hof had geoordeeld dat niet aannemelijk was gemaakt dat de leningen in overwegende mate zakelijke overwegingen hadden, waardoor renteaftrek werd geweigerd.
In cassatie stelde de Hoge Raad vast dat de bewijslast voor zakelijke overwegingen bij de belastingplichtige ligt en dat daarbij de beweegredenen van alle betrokkenen binnen het concern moeten worden betrokken. De Hoge Raad verwierp het verweer van belanghebbenden dat bij overname van derden het zakelijke karakter van de schuld altijd gegeven is. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat het Hof ten onrechte de eigen middelen van een concernvennootschap en de doorgeleende gelden niet voldoende had onderscheiden, waardoor de motivering onvoldoende was.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep van belanghebbenden ongegrond, het beroep van de Staatssecretaris gegrond, vernietigde het arrest van het Hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.