Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
5 november 2009 door de Ontvanger is ontvangen. Het door [A] BV tot bestrijding van de (hoogte van) de naheffingsaanslag ingestelde beroep is bij uitspraak van de rechtbank Breda van 6 april 2011 [4] ongegrond verklaard. Daartegen is in die fiscale procedure geen hoger beroep ingesteld.
27 juni 2013 ongegrond verklaard. [5] , [6] Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
De feiten, het geding in feitelijke instanties en de verwijzingsopdracht van de Hoge Raad
€ 156.742 (hierna: de naheffingsaanslag) opgelegd.
5 november 2009 (zie 2.8), dient het Hof op grond van artikel 36, lid 3, van de Wet, te beoordelen of er sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode 5 november 2006 tot 5 november 2009, waarbij het Hof opmerkt dat het ook kan gaan om belastingschulden die vóór 5 november 2006 zijn ontstaan (vgl. HR 22 december 1993, nr. 28672, BNB 1994/151, r.o 3.5, dat in zoverre ook voor de onderhavige wettelijke bepaling gelding heeft, vgl. HR 4 februari 2011, nr. 09/03451, ECLI:NL:HR:2011:BP2982, r.o 3.3.3).
3.Het geding in cassatie
“dat belanghebbende en de belastingrechter zich een oordeel kunnen vormen over de stukken die de Inspecteur ten grondslag legt of heeft gelegd aan zijn standpunt Zonder overlegging van een dergelijk stuk zijn de feitelijke gegevens (de inhoud van dat stuk) aan de belanghebbende ende belastingrechter niet bekend, zodat zij door de belanghebbende niet kunnen worden weerlegd endoor de belastingrechter niet op juistheid kunnen worden getoetst. Aldus faalt ook de stelling van de Inspecteur; zoals begrepen door het Hof; dat hij de stukken die hij bij nieuwe eigenaar heeft ingezien niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren, omdat hij die stukken niet (in kopie) in zijn dossier heeft gevoegd. Uit het oogpunt van een eerlijk proces is het onaanvaardbaar dat de Inspecteur bij derden stukken inziet en daarop ten nadele van een belanghebbende conclusies baseert om vervolgens die stukken niet tot zijn dossier te rekenen met als gevolg dat hij die stukken tijdens de (bezwaarfase en) beroepsfase niet meer voor weerlegging door belanghebbende entoetsing door de belastingrechterkan overleggen. Of anders geschreven: de Inspecteur kan zich niet onttrekken aan zijn plicht om de op zaak betrekking hebbende stukken over te leggen door deze eenvoudigweg niet (in kopie) aan zijn dossier te voegen”.
art. 8:42 Awb Pro overtreedt.
4.Wet- en regelgeving en jurisprudentie
Wet- en regelgeving IW 1990
5.Bespreking middel 1 en 4: vaststaande feiten en inbreng stukken na verwijzing
19 juli 2017 onder meer het navolgende kenbaar gemaakt aan partijen:
6.Bespreking middel 2 en 3: toepassing artikelen 8:31 en 8:42 van de Awb
waaromvernietiging van de beschikking te ver strekkend is, maar dit mijns inziens geen nadere motivering behoefde. Dat vernietiging ‘te verstrekkend [zou] zijn’,
isjuist te zien als de motivering voor de weigering op grond van artikel 8:31 van Pro de Awb de beschikking te vernietigen.
7.Bespreking middel 5: kennelijk onbehoorlijk bestuur
Hof
8.Bespreking middel 6: hoogte aansprakelijkheid
Hof
9.Bespreking middel 7 FIOD-stukken; onschuldpresumptie
Cassatiemiddel 7
19 juli 2017 is, voor zover thans van belang, ten aanzien van het sepot opgemerkt: