Belanghebbende en zijn zuster richtten in 1996 een vennootschap onder firma (VOF) op voor handel in onroerende goederen. De vader van belanghebbende kocht een bouwterrein dat later aan de VOF werd geleverd. In 2001 verkocht de VOF dit terrein, maar belanghebbende nam deze verkoop niet op in zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV).
De Inspecteur legde een navorderingsaanslag op, waarbij de vraag speelde of hij beschikte over een nieuw feit dat hem niet eerder bekend was. Het hof bevestigde dit en oordeelde dat de Inspecteur niet verplicht was om akten die niet in het dossier van belanghebbende waren opgenomen, maar wel bij een andere afdeling van de Belastingdienst aanwezig waren, te raadplegen.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en benadrukte dat de Inspecteur in het algemeen kan volstaan met het dossier van de belastingplichtige zelf. Alleen bij een bijzondere aanleiding moet de Inspecteur verder onderzoek doen buiten dit dossier. De reorganisatie van de Belastingdienst per 1 januari 2003 bracht hierin geen wijziging. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.