Uitspraak
[X]te
[Z], Zwitserland(hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te ’s-Gravenhagevan 21 september 2011, nr. BK‑09/00330, betreffende een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
Hoge Raad
Belanghebbende was het niet eens met een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over het jaar 2000, opgelegd door de inspecteur en verminderd na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar het hof vernietigde het vonnis voor zover proceskosten niet werden toegekend. Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het oordeel van het hof.
De kern van het geschil betrof de vraag of de inspecteur alle relevante stukken, waaronder agenda's van derden, had overgelegd en of belanghebbende in Nederland woonde voor toepassing van het belastingverdrag met Zwitserland. Het hof oordeelde bevestigend en ging voorbij aan het aanbod tot getuigenbewijs van belanghebbende.
De Hoge Raad overwoog dat de inspecteur niet verplicht is stukken over te leggen die niet ter beschikking stonden, zoals agenda's van derden, en dat het hof terecht getuigenbewijs heeft genegeerd. Ook het verzoek om vergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn faalde omdat dit niet eerder was ingediend. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het hof bevestigd.