Conclusie
1.Bierbrouwerij De Leeuw B.V. en
De Leeuw Beheer B.V.,
2.Procesverloop
3.Bespreking van het middel
Onderdeel 4bevat slechts een voortbouwende klacht.
onderdelen 1 en 2klagen, samengevat, terecht – ook volgens Pinoccio s.t. nrs. 19 en 34 – dat in het bestreden arrest ten onrechte wordt aangenomen dat een opeisbare vordering uit onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW Pro) ontstond op het moment dat het hof Arnhem-Leeuwarden in 2014 het vonnis van de kantonrechter van 28 december 2005 vernietigde. Uit HR 19 december 2014 volgt immers dat deze vordering ontstaat op het moment waarop ter uitvoering van die uitspraak is gepresteerd: [3]
onderdeel 3van hun middel over het oordeel dat de verjaringstermijn van art. 3:309 BW Pro niet eerder is gaan lopen dan op 19 februari 2014.
subonderdeel 3.1bouwt slechts voort op de onderdelen 1 en 2) klaagt dat, voor zover aan het oordeel over de aanvang van de verjaringstermijn en de verwerping van het beroep op verjaring (mede) een andere gedachtegang ten grondslag ligt dan die door de onderdelen 1 en 2 werd bestreden, het hof ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de rechtsregel dat de verjaringstermijn voor een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling (zoals de onderhavige) aanvangt wanneer de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger bekend is geraakt (art. 3:309 BW Pro).
subonderdeel 3.3had het hof, mede gezien de onbestreden vaststelling van de voorzieningenrechter dat Momus II er van meet af aan van overtuigd was dat De Leeuw geen recht had op de hogere huurbetaling (rov. 4.5), niet voorbij mogen gaan aan het als essentieel aan te merken betoog van De Leeuw dat Momus II door het instellen van appel tegen de uitspraak van de kantonrechter van 28 december 2005 onmiskenbaar te kennen heeft gegeven dat die uitspraak in haar visie onjuist was. Die stelling kan immers, (mede) in het licht van de genoemde onbestreden vaststelling van de voorzieningenrechter, het - door De Leeuw bepleite - rechtsgevolg dragen dat Momus II vanaf de aanvang ermee bekend was dat zij ter zake van de huurbetalingen, die zij op basis van het vonnis van 28 december 2005 deed, een vordering op De Leeuw uit onverschuldigde betaling had zodat de verjaring reeds op het moment van deze betalingen is aangevangen en dat zulks Pinoccio op grond van artikel 6:145 BW Pro kan worden tegengeworpen.
vernietigbaarheidvan de overeenkomst, moet worden verworpen. [16]