Eiseres tot cassatie - verder te noemen: BSW - heeft bij exploot van 11 maart 1996 verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - gedagvaard voor de rechtbank te Zutphen en gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [verweerster] te veroordelen tegen behoorlijk bewijs aan BSW te betalen een bedrag van DM 23.261,11, althans de tegenwaarde daarvan in Nederlandse valuta, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 1996 tot de datum der algehele voldoening.
[Verweerster] heeft de vordering bestreden en in reconventie gevorderd BSW bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, aan [verweerster] te betalen een bedrag van LUX 2.652,975,-- en DM 26.187,45, althans de tegenwaarde van deze bedragen in Nederlandse guldens, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van deze conclusie (23 mei 1996) tot aan de dag der algehele voldoening.
BSW heeft de vordering in reconventie bestreden.
De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 27 juni 1996 een comparitie van partijen gelast.
Bij tussenvonnis van 4 juni 1998 heeft de rechtbank in conventie en in reconventie wederom een comparitie van partijen gelast, bij tussenvonnis van 20 mei 1999 een deskundigenonderzoek bevolen, een deskundige benoemd en een aantal vragen geformuleerd, en bij tussenvonnis van 13 juli 2000 een aanvullend voorschot op het honorarium van de deskundige bepaald.
Na deskundigenbericht heeft de rechtbank bij eindvonnis van 15 februari 2001 in conventie [verweerster] veroordeeld om aan BSW te betalen een bedrag van DM 23.586,17, te vermeerderen met de wettelijke rente over DM 20.555,10 vanaf 1 januari 1996 tot de dag der voldoening, en het meer of anders in conventie gevorderde en de vordering in reconventie afgewezen.
Tegen de vijf vermelde vonnissen heeft [verweerster] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem.
Bij tussenarrest van 14 mei 2002 heeft het hof een comparitie van partijen gelast en bij tussenarrest van 11 maart 2003 de zaak naar de rol verwezen voor akte uitlating aan de zijde van BSW.
Het hof heeft bij eindarrest van 15 juli 2003:
1. [verweerster] niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen de tussenvonnissen van de rechtbank te Zutphen van 27 juni 1996, 4 juni 1998, 20 mei 1999 en 13 juli 2000;
2. het vonnis van de rechtbank te Zutphen van 15 februari 2001 vernietigd en, opnieuw rechtdoende:
3. de conventionele vordering van BSW afgewezen;
4. BSW veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [verweerster];
5. in reconventie de op 16 mei 1995 tussen partijen gesloten overeenkomst ontbonden;
6. BSW veroordeeld aan [verweerster] te voldoen € 68.199,02, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 mei 1996 tot aan de dag der algehele voldoening;
7. BSW veroordeeld in de kosten van deze procedure in eerste aanleg in reconventie aan de zijde van [verweerster];
8. BSW veroordeeld aan [verweerster] te voldoen € 20.144,11, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 april 2001;
9. BSW veroordeeld in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [verweerster];
10. het meer of anders gevorderde afgewezen en
11. dit arrest op de punten 4, 6, 7, 8 en 9 uitvoerbaar bij voorraad verklaard.