Art. 110 VWEUArt. 20 AWRArt. 3.5 Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992Art. 2 lid 3 BpbArt. 19a Wet BPM
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen naheffingsaanslag BPM en diverse formeelrechtelijke grieven
Belanghebbende is een naheffingsaanslag BPM opgelegd van €2.372 voor een Ford B-Max 1.6 TI-VCT Titanium uit 2017. Na bezwaar en een ongegrond verklaard beroep bij de rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in tegen de uitspraak en de aanslag. Het geschil betrof onder meer de juiste waardebepaling van de auto, de toepassing van het Unierecht, de bewijslastverdeling, en de proceskostenvergoeding.
Het Hof oordeelde dat nationale rechters het Unierecht mogen toepassen en dat het heffen van griffierecht niet in strijd is met het Unierecht zolang het geen onoverkomelijk obstakel vormt. Het verdedigingsbeginsel is niet geschonden omdat belanghebbende schriftelijk kon reageren op het voornemen tot naheffing. De bewijslast voor waardevermindering ligt bij belanghebbende, die onvoldoende aannemelijk maakte dat de waardevermindering hoger is dan 76% van de herstelkosten.
Verder verwierp het Hof het beroep op artikel 110 VWEUPro inzake discriminatie en de transitieregeling NEDC/WLTP. Het verzoek om getuigenverhoor van DRZ-medewerkers werd afgewezen wegens tardiviteit. De forfaitaire proceskostenvergoeding is passend en het verzoek tot hogere vergoeding faalde. Wel werd een immateriële schadevergoeding van €500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank gehandhaafd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag BPM van €2.372 wordt gehandhaafd.
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 17 oktober 2023, nummer ARN 22/2932, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteurvan de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen(hierna: de Inspecteur)
1.Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 2.372.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft dit beroep ongegrond verklaard en vergoedingen voor immateriële schade, proceskosten en griffierecht toegekend van respectievelijk € 2.000, € 837 en € 365.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Beide partijen hebben nadere stukken ingebracht.
1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2026. Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door A.F.M.J. Verhoeven en deskundige [naam1] . Namens de Inspecteur zijn [naam2] en [naam4] verschenen. De zaken met de nummers 23/3057, 23/3058, 24/473, 24/1031, 24/1032 en 24/1033 zijn gelijktijdig en gezamenlijk behandeld. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.
2.Feiten
2.1.
Belanghebbende heeft voor een Ford B-Max 1.6 TI-VCT Titanium (hierna: de auto) -op aangifte een bedrag van € 194 aan BPM voldaan. De datum van eerste toelating is 28 maart 2017. Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd waarin schade is gecalculeerd op € 13.360. Deze schade is volledig in mindering gebracht op de op basis van een koerslijst bepaalde handelsinkoopwaarde.
2.2.
De Inspecteur heeft een ‘onderzoek waardebepaling’ laten doen door de dienst Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). Van dit onderzoek is een rapport opgemaakt. Naar aanleiding van de bevindingen in dit rapport heeft de Inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag BPM opgelegd die als volgt is berekend:
Voordat de naheffingsaanslag BPM is opgelegd, heeft de Inspecteur belanghebbende bij brief in kennis gesteld van zijn voornemen tot het opleggen van een naheffingsaanslag. Daarbij is belanghebbende in de gelegenheid gesteld te reageren. Hiervan heeft belanghebbende geen gebruik gemaakt.
2.4.
De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag gehandhaafd. In dat verband heeft de Rechtbank onder meer overwogen dat niet aannemelijk is dat de auto een huurverleden heeft zodat daarvoor geen waardevermindering wordt toegepast, dat evenmin aannemelijk is dat de waardevermindering wegens schade meer bedraagt dan 76% van de geraamde herstelkosten, en dat de formele grieven van belanghebbende niet slagen.
3.Geschil
3.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.
3.2.
De gemachtigde van belanghebbende heeft in hoger beroep het volgende aangevoerd:
De nationale rechters – waaronder dit Hof en de Hoge Raad – mogen het Unierecht niet uitleggen. Uitsluitend het Hof van Justitie van de Europese Unie te Luxemburg (hierna: Hof van Justitie) is daartoe bevoegd.
Het (vooraf) heffen van griffierecht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming.
Belanghebbende is voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag ten onrechte niet gehoord, zodat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is geschonden.
Het opleggen van een naheffingsaanslag BPM ter zake van een naar Nederland overgebracht motorvoertuig is in strijd met artikel 110 VWEUPro nu binnenlandse voertuigen per definitie zijn uitgesloten van een dergelijke heffingsmodaliteit.
De bewijslast met betrekking tot de toepasselijkheid en de omvang van de vermindering van de verschuldigde BPM rust in het licht van artikel 110 VWEUPro op de Inspecteur.
In zijn geval is artikel 110 VWEUPro geschonden als gevolg van de transitieregeling die geldt bij de overgang van de NEDC- naar de WLTP-methode.
Vanwege schending van de hoorplicht in de bezwaarfase had de Rechtbank de zaken moeten terugwijzen naar de Inspecteur.
De onafhankelijkheid van DRZ ten opzichte van de Inspecteur is niet gewaarborgd en aan het door DRZ opgestelde taxatierapport van de Inspecteur worden ten onrechte minder hoge eisen gesteld dan aan een door belanghebbende in te brengen rapport.
De handelsinkoopwaarde moet worden verminderd met 100% van de geraamde herstelkosten.
Voor de handelsinkoopwaarde moet worden uitgegaan van de waarde van een personenauto die een verhuurverleden heeft.
Bij het bepalen van de handelsinkoopwaarde kan (ook) worden uitgegaan van de koerslijst van Eurotax minus 15% voor bijstelling markt- en dealersituatie;
De regeling van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb), waarbij de proceskostenvergoeding in beginsel een forfaitair karakter heeft, is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming.
De overschrijding van de redelijke termijn in beroep dient tot een hogere immateriële schadevergoeding te leiden.
Indien aan belanghebbende het betaalde griffierecht moet worden vergoed, moet rente worden vergoed over de periode vanaf het moment waarop belanghebbende het griffierecht heeft betaald.
Wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep moet een schadevergoeding worden toegekend.
3.3.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en die van de Inspecteur en primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag en subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot handhaving van de uitspraak van de Rechtbank.
4.Beoordeling van het geschil
Ad a. Bevoegdheid uitleggen Unierecht
4.1.
De gemachtigde van belanghebbende voert aan dat de nationale rechters het Unierecht niet mogen uitleggen en dat alleen het Hof van Justitie die bevoegdheid heeft.
4.2.
Dit betoog kan niet slagen. De nationale rechters zijn verplicht om het Unierecht toe te passen. [1] Indien een nationale rechter het wenselijk of noodzakelijk acht, kan hij over de uitleg van het Unierecht prejudiciële vragen stellen aan het Hof van Justitie. Alleen de nationale rechter tegen wiens beslissingen geen hoger beroep kan worden ingesteld heeft op grond van artikel 267 vanPro het VWEU een plicht zich tot het Hof van Justitie te wenden bij vragen over de uitleg van het Unierecht als daarover onduidelijkheid bestaat.
4.3.
In onderhavige procedure ziet het Hof geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. In dat verband wordt opgemerkt dat de uitspraken van het Hof vatbaar zijn voor cassatieberoep bij de Hoge Raad, zodat artikel 267 VWEUPro niet dwingt tot het voorleggen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. [2]
Ad b. Vooraf heffen griffierecht
4.4.
Het heffen van griffierecht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van doeltreffendheid indien de hoogte van het verschuldigde recht een onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter vormt. [3]
4.5.
In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over het (vooraf) heffen van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel. [4] Van strijdigheid met het beginsel van effectieve rechtsbescherming, zoals neergelegd in artikel 47 vanPro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest), is om dezelfde redenen evenmin sprake. [5]
4.6.
Belanghebbende heeft de voor het beroep en hoger beroep verschuldigde griffierechten voldaan en geen beroep gedaan op betalingsonmacht, zodat van enig gebrek aan effectieve en doeltreffende rechtsbescherming in het onderhavige geval geen sprake is.
Ad c. Schending verdedigingsbeginsel
4.7.
Belanghebbende heeft gesteld dat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is geschonden, nu belanghebbende niet is gehoord voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag. Zo dit beginsel in het onderhavige geval al van toepassing is [6] – het Hof kan dat in het midden laten – dan nog is van een schending daarvan geen sprake. Uit het recht van de Unie vloeit niet voort dat het naar voren brengen van een zienswijze over een voorgenomen bezwarend besluit, alleen naar behoren kan plaatsvinden indien dit mondeling geschiedt. [7] Dit betekent dat nu belanghebbende voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag is uitgenodigd schriftelijk een standpunt kenbaar te maken en in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid en aldus dat standpunt naar behoren kenbaar heeft kunnen maken, het recht van de Unie niet eist dat belanghebbende ook wordt uitgenodigd voor een hoorgesprek. [8]
Ad d en e. Naheffing van BPM en bewijslast
4.8.
Belanghebbende betoogt dat te weinig geheven BPM niet op grond van artikel 20 AlgemenePro wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan worden nageheven nadat voor een gebruikt, vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht motorrijtuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister) zich heeft voorgedaan. Dit betoog is niet juist. [9]
4.9.
Verder stelt belanghebbende dat de Inspecteur op grond van het in artikel 110 VWEUPro neergelegde discriminatieverbod van rechtswege verplicht is te waarborgen dat niet meer belasting wordt geheven dan op soortgelijke binnenlandse voertuigen. Volgens belanghebbende berusten stelplicht en - bij betwisting - bewijslast ter zake van waardeverminderende factoren niet op hem. Ook dit betoog faalt. Op iemand die zich beroept op een vermindering van de verschuldigde BPM rust de plicht om feiten te stellen en, bij betwisting, aannemelijk te maken die daartoe kunnen leiden. Daarbij moet diegene wel voldoende gelegenheid worden geboden het van hem verlangde bewijs te leveren. [10] Daarvan is in het onderhavige geval sprake. Artikel 110 VWEUPro verzet zich dan niet tegen deze bewijslastverdeling. [11]
Ad f. NEDC/WLTP
4.10.
Indien belanghebbende betoogt dat in zijn geval artikel 110 VWEUPro is geschonden als gevolg van de transitieregeling die geldt bij de overgang van de NEDC- naar de WLTP-methode, kan ook dit betoog niet worden gevolgd. Belanghebbende heeft daarvoor namelijk niet het bewijs geleverd als bedoeld in het arrest HR 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:653, r.o. 5.9.2. Zo is de datum van eerste toelating van de auto 28 maart 2017, waarmee reeds niet is voldaan aan de voorwaarde dat de te registreren auto in een andere lidstaat tussen 1 september 2018 en 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg.
Ad g. Schending hoorplicht in bezwaarfase
4.11.
Voordat de Inspecteur op het bezwaar heeft beslist, is belanghebbende gehoord in een hoorgesprek van 15 april 2021. Belanghebbendes grief over schending van de hoorplicht kan dus niet slagen.
Ad h. Taxatierapport en betrouwbaarheid DRZ
4.12.
Belanghebbende betoogt dat aan belanghebbende hogere eisen worden gesteld wat betreft de bewijsmiddelen dan aan de Inspecteur. Dit betoog is onjuist. De rechter weegt de bewijsmiddelen en stelt aan belanghebbendes bewijsmiddelen geen hogere eisen dan aan die van de Inspecteur. Ook overigens is geen sprake van schending van het beginsel van ‘equality of arms’. Zo is niet gebleken dat de Inspecteur (de taxateur van) DRZ heeft beïnvloed of geïnstrueerd over de wijze van taxeren van de auto’s.
4.13.
Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat sprake is geweest van een aanbesteding die niet volgens de daarvoor toepasselijke regels is verlopen, dan nog heeft een dergelijke schending geen invloed is op de hier aan de orde zijnde vraag inzake de handelsinkoopwaarde. Het Hof moet beoordelen of de door belanghebbende voorgestane handelsinkoopwaarde, in het licht van wat de Inspecteur heeft gesteld, voldoende door belanghebbende is onderbouwd. Het Hof merkt nog op dat het geen reden ziet te twijfelen aan de deskundigheid van de taxateur van DRZ en evenmin aanleiding heeft vanwege de werkwijze van DRZ in algemene zin geen, dan wel minder waarde aan het rapport van DRZ te hechten. [12]
4.14.
Belanghebbende heeft ter zitting aan het Hof verzocht om DRZ-medewerkers als getuigen op te roepen voor verhoor. Het Hof zal niet voldoen aan dit verzoek, omdat dit verzoek tardief en te algemeen is en hem niet zinvol voorkomt. [13] Daarbij laat het Hof ook meewegen dat belanghebbende zelf geen enkele poging heeft ondernomen ervoor te zorgen dat deze getuigen ter zitting aanwezig zijn, ofschoon hij daarop wel is gewezen in de uitnodiging voor de zitting.
Ad i. 72%-regel schade
4.15.
Belanghebbende betoogt voorts dat de Inspecteur ten onrechte slechts 76% van de door hem geraamde herstelkosten in mindering op de waarde van de auto in onbeschadigde staat heeft toegestaan in plaats van 100%.
4.16.
Op grond van artikel 3.5 van bijlage 1 bij de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (tot 2023) geldt als uitgangspunt dat de waardevermindering als gevolg van schade wordt vastgesteld op 72% van de geraamde herstelkosten. Op belanghebbende rust de last aannemelijk te maken dat de waardevermindering als gevolg van schade aan de auto (niet zijnde normale gebruiksschade) meer bedraagt dan – in dit geval het door de Inspecteur geaccepteerde percentage van – 76% van de geraamde herstelkosten. [14] In het licht van het rapport van DRZ acht het Hof belanghebbende niet erin geslaagd aannemelijk te maken dat de waardevermindering wegens schade meer beloopt dan € 5.447.
4.17.
Anders dan belanghebbende betoogt is de 72%-regeling niet strijdig met artikel 110 VWEUPro, omdat deze regeling aan de belastingplichtige voldoende gelegenheid biedt om het van hem gevraagde bewijs te leveren dat de waardevermindering van de auto als gevolg van de beschadigingen meer bedraagt dan 72% van de herstelkosten. [15]
Ad j. Ex-rental
4.18.
Belanghebbende heeft niet gemotiveerd gesteld dat de onderhavige auto een ‘ex-rental auto’ en/of daarmee vergelijkbare voertuig is. Niettemin stelt belanghebbende zich op het standpunt dat op grond van artikel 110 VWEUPro voor de bepaling van de afschrijving dient te worden uitgegaan van de waarde van een personenauto die een verhuurverleden heeft (‘ex-rental’), ook als de betreffende auto niet als huurauto is gebruikt, omdat dit de laagst mogelijke waarde is. Het betoog van belanghebbende faalt, omdat dit getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. [16]
Ad k. Koerslijstmethode; bijstelling markt- en dealersituatie
4.19.
Gedurende een gerechtelijke procedure kan worden gekozen voor een andere methode ter bepaling van de afschrijving dan waarvan bij de aangifte is uitgegaan. [17] Belanghebbende wenst te ‘switchen’ van de taxatiemethode naar de koerslijstmethode, waarbij wordt uitgaan van de handelsinkoopwaarde volgens koerslijst Eurotax en 15% bijstelling wegens de markt- en dealersituatie. [18]
4.20.
Wordt voor de berekening van de afschrijving gebruik gemaakt van de koerslijstmethode, dan bestaat geen mogelijkheid om daarop een bedrag in mindering te brengen wegens meer dan normale gebruiksschade. Een dergelijke vermindering kan namelijk alleen aan de orde zijn indien is gekozen voor een afschrijving op basis van de taxatiemethode. [19]
4.21.
Indien de vermindering wegens meer dan normale gebruiksschade buiten beschouwing wordt gelaten, leidt een keuze voor toepassing van de koerslijst Eurotax, met een correctie van 15%, niet tot een hogere afschrijving dan de Inspecteur en de Rechtbank reeds in aanmerking hebben genomen. Belanghebbendes betoog kan derhalve niet slagen.
Ad l. Forfaitaire proceskostenvergoeding
4.22.
Belanghebbende heeft ook gesteld dat de Rechtbank de Inspecteur tot een te laag bedrag ter vergoeding van de proceskosten heeft veroordeeld.
4.23.
Bij het bepalen van de proceskostenvergoeding heeft de Rechtbank zich gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Het Unierechtelijke beginsel van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming brengt mee dat nationale bepalingen op procesrechtelijk gebied niet ertoe mogen leiden dat de verwezenlijking van de aanspraken die een belanghebbende aan het Unierecht kan ontlenen, onmogelijk of uiterst moeilijk wordt. De regeling van het Bpb, waarbij de vergoeding van proceskosten in beginsel een forfaitair karakter heeft, voldoet aan deze eis. [20]
4.24.
Dit geldt ook als een onjuist bevonden standpunt van de inspecteur in strijd is met het Unierecht. [21] Daarbij is van belang dat in geval van bijzondere omstandigheden de mogelijkheid bestaat om op grond van artikel 2, lid 3 Bpb een hogere vergoeding voor proceskosten toe te kennen dan volgens het forfaitaire tarief geldt. Een eventuele wanverhouding tussen de tegemoetkoming in de proceskosten volgens het forfaitaire tarief en de werkelijk gemaakte kosten, vormt evenwel geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Bpb voor een hogere vergoeding. [22] In het onderhavige geval is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die tot een hogere vergoeding zouden moeten leiden. Het enkele feit dat eventueel in strijd met het Unierecht te veel belasting is geheven, waarvan in het onderhavige geval overigens geen sprake is, is daartoe onvoldoende. [23]
4.25.
Indien en voor zover belanghebbende tevens heeft willen stellen dat de Rechtbank ten onrechte een factor 0,5 heeft gehanteerd in verband met het gewicht van de zaak, slaagt ook deze grief niet. [24]
Ad m. Hoogte immateriële schadevergoeding in beroep
4.26.
Bij overschrijding van de redelijke termijn worden spanning en frustratie verondersteld, behoudens bijzondere omstandigheden. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade geldt als uitgangspunt een tarief van € 500 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. De mate waarin de betrokkene daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden is in beginsel niet van belang. Dat is slechts anders in bijzondere gevallen. De omstandigheid dat eventueel in strijd met het Unierecht teveel belasting is geheven, brengt – anders dan belanghebbende kennelijk betoogt – niet mee dat sprake is van een bijzonder geval zoals zojuist bedoeld. [25] Ook overigens is in het onderhavige geval niet gebleken van bijzondere omstandigheden die tot een hogere vergoeding zouden moeten leiden dan door de Rechtbank is toegekend.
Ad. n. Rentevergoeding griffierecht
4.27.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat aan belanghebbende het griffierecht moet worden vergoed vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na de dagtekening van de uitspraak tot aan de dag van de algehele voldoening. [26]
4.28.
Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat dit oordeel onjuist is en dat op grond van het Unierecht rente moet worden vergoed over de periode vanaf het moment waarop het griffierecht is betaald tot het moment waarop dat griffierecht wordt vergoed. Bovendien moet volgens belanghebbende een rentevoet worden toegepast die geldt voor handelstransacties. Het betoog van belanghebbende faalt. Het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente. Griffierecht is niet een aan de Staat betaald bedrag als bedoeld in punt 21 van het arrest Irimie (HvJ 18 april 2013, ECLI:EU:C:2013:250) dat rechtstreeks verband houdt met door de Staat geheven belasting. De verplichting tot het betalen van griffierecht ontstaat immers pas door het instellen van beroep. Evenmin kan worden gezegd dat het achterwege laten van een rentevergoeding als hiervoor bedoeld de verwezenlijking van de aanspraken die een belanghebbende aan het Unierecht kan ontlenen, onmogelijk of uiterst moeilijk maakt. [27]
4.29.
Ook in hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, ziet het Hof geen aanleiding om het hoger beroep gegrond te achten.
Ad o. Overschrijding redelijke termijn in hoger beroep
4.30.
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. In hoger beroep is de redelijke termijn van twee jaar met minder dan zes maanden overschreden. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van € 500, [28] te vergoeden door de Staat.
Slotsom
De uitspraak van Rechtbank wordt gehandhaafd. Gelet daarop is het hoger beroep van belanghebbende ongegrond.
5.Griffierecht en proceskosten
5.1.
Omdat het hoger beroep op zichzelf beschouwd ongegrond is, wordt uitsluitend een vergoeding van proceskosten toegekend voor de proceshandelingen die samenhangen met het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. [29] Bij de berekening van die vergoeding wordt een wegingsfactor 0,25 gehanteerd. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 233,50 (1 punt voor verzoekschrift, wegingsfactor 0,25, waarde per punt € 934). [30] Opmerking verdient dat het Hof, in afwijking van zijn eerdere rechtspraak, niet langer een punt toekent voor de zitting. [31]
5.2.
Opmerking verdient dat voornoemd bedrag op grond van het onmiddellijk per 1 januari 2024 in werking getreden artikel 19a, lid 4 Wet BPM uitsluitend op een op naam van belanghebbende staande bankrekening dient te worden uitbetaald.
5.3.
Nu het hoger beroep ongegrond is verklaard, wordt geen griffierecht vergoed. [32]
6.Beslissing
Het Hof:
verklaart het hoger beroep ongegrond;
veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 500;
veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 233,50; en
bepaalt dat voornoemde vergoedingen worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van de algehele voldoening.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. A.E. Keulemans, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.
De griffier, De voorzitter,
(J.W.J. de Kort) (A.J.H. van Suilen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
28.Weliswaar is artikel 19a lid 3 Wet BPM (vergoeding van € 50 per half jaar) op 1 januari 2024 in werking getreden, maar deze bepaling vindt voor het eerst toepassing op vergoedingen voor overschrijding van de redelijke termijn waarvan de termijn na 1 januari 2024 is aangevangen (artikel IV, aanhef en letter b Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, Stb. 2023, 507). In het onderhavige geval is daarvan geen sprake, nu het hogerberoepschrift vóór 1 januari 2024 is ingediend.
30.Weliswaar is artikel 19a lid 2 Wet BPM (vermenigvuldigingsfactor 0,1 of 0,25) op 1 januari 2024 in werking getreden, maar deze bepaling vindt voor het eerst toepassing op een proceskostenvergoeding in een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank die is bekendgemaakt na 1 januari 2024 (artikel IV, aanhef en letter a Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, Stb. 2023, 507). In het onderhavige geval is daarvan geen sprake, nu de rechtbankuitspraak vóór 1 januari 2024 is bekendgemaakt.