ECLI:NL:HR:2023:1338
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt uitspraak rechtbank wegens nalaten beslissing vergoeding overschrijding redelijke termijn belastingprocedure
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting. De rechtbank deed op het verzet uitspraak, maar verzuimde een beslissing te nemen over het verzoek tot vergoeding van immateriële schade.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank dit verzoek had moeten behandelen en vernietigde daarom de uitspraak voor zover deze naliet op het verzoek te beslissen. De redelijke termijn van berechting was met circa 21 maanden overschreden, waarvoor belanghebbende recht heeft op een vergoeding van € 2.000.
De vergoeding werd gesplitst: de inspecteur moet het deel betalen dat aan de bezwaarfase is toe te rekenen (€ 285,71) en de Staat het deel dat aan de beroepsfase is toe te rekenen (€ 1.714,29). Daarnaast werden proceskosten toegewezen en werd bepaald dat de Staatssecretaris van Financiën en de Staat elk de helft van het griffierecht in cassatie moeten vergoeden.
De Hoge Raad veroordeelde partijen in de kosten van het geding en bepaalde de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Hiermee wordt het belang van tijdige rechtsgang en vergoeding van immateriële schade bij overschrijding van redelijke termijnen benadrukt.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank wegens nalaten beslissing op vergoeding immateriële schade en veroordeelt partijen tot betaling van vergoeding en kosten.