Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Uitgangspunten in cassatie
Op het aldus verschuldigde bedrag aan bpm heeft belanghebbende – omdat de kampeerauto’s niet meer in nieuwe staat verkeerden – op de voet van artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet een vermindering (afschrijving) in aanmerking genomen.
Belanghebbende is uitgegaan van de som van de catalogusprijs van de gesloten bestelauto waarop de kampeerauto is gebaseerd, plus het voor die bestelauto verschuldigde bedrag aan bpm op het tijdstip waarop de desbetreffende kampeerauto voor het eerst in gebruik is genomen (2015). Het aldus berekende bedrag heeft belanghebbende afgezet tegen de getaxeerde handelsinkoopwaarde van de desbetreffende kampeerauto zoals die is vermeld in een taxatierapport als bedoeld in artikel 10, lid 8, van de Wet in samenhang gelezen met artikel 8, lid 4, letter b, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Uitvoeringsregeling).
Volgens dat taxatierapport heeft de taxateur voor elke kampeerauto uit een koerslijst de handelsinkoopwaarde genomen van een even oude, gebruikte gesloten bestelauto (zonder recreatieve voorzieningen) waarop de desbetreffende kampeerauto is gebaseerd, en heeft hij van die handelsinkoopwaarde een bedrag in verband met ‘schade’ afgetrokken. Voor drie van de vier kampeerauto’s is de laatstbedoelde schade nagenoeg alleen terug te voeren op het feit dat zij vanwege bedrijfsmatige verhuur intensief zijn gebruikt.
3.Beoordeling van de middelen
Middel 1 (aanspraak op gebruik van de taxatiemethode)
Voor de berekening van de waardedaling van de referentieauto moet volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad worden uitgegaan van enerzijds de catalogusprijs inclusief bpm waarvoor de referentieauto in nieuwe staat is aangekocht en anderzijds de prijs waarvoor die auto wordt verkocht in dezelfde gebruikte staat als de ingevoerde personenauto. [5]
4.Slotsom
Uitsluiting van de taxatiemethode voor een motorvoertuig, dus ook voor een kampeerauto, is alleen mogelijk wanneer het desbetreffende motorvoertuig als zodanig, dat wil zeggen naar merk, model, transmissie, brandstof, vermogen, carrosserie en uitvoering, in een relevante koerslijst is benoemd. Voor motorvoertuigen die als zodanig niet in een relevante koerslijst voorkomen, geldt dat de handelsinkoopwaarde daarvan op verzoek mag worden vastgesteld op basis van taxatie. Daarmee wordt recht gedaan aan de bedoeling van de wetgever om voor motorvoertuigen die in Nederland in de (tweedehands) handel niet gangbaar zijn dan wel in die handel niet of moeilijk verkoopbaar zijn en daarom niet in een koerslijst als bedoeld in de Wet voorkomen, de mogelijkheid te openen de handelsinkoopwaarde met behulp van de taxatiemethode te bepalen. [9]