ECLI:NL:GHARL:2025:7995

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
23/2978
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake naheffingsaanslag BPM en vergoeding immateriële schade

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 9 december 2025 uitspraak gedaan in het hoger beroep van [belanghebbende] B.V. tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 25 oktober 2023. De rechtbank had eerder een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) opgelegd van € 2.593, welke door de Inspecteur was verminderd tot € 2.528. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, maar kende wel vergoedingen toe voor immateriële schade, proceskosten en griffierecht. Belanghebbende ging in hoger beroep, waarbij de vraag centraal stond of de naheffingsaanslag moest worden vernietigd omdat er meer schade in aanmerking moest worden genomen dan door de Inspecteur en de rechtbank was gedaan. Tijdens de zitting op 3 december 2025 heeft belanghebbende haar grief inzake de kostenvergoeding voor de bezwaarfase ingetrokken. Het Hof oordeelde dat de bewijslast voor de waardevermindering bij belanghebbende lag en dat zij niet voldoende bewijs had geleverd voor een hogere schadevergoeding dan het door de Inspecteur geaccepteerde bedrag van € 200. Wel werd vastgesteld dat belanghebbende recht had op een vergoeding van immateriële schade van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, maar de Staat werd veroordeeld tot vergoeding van de immateriële schade en de proceskosten van belanghebbende.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/2978
uitspraakdatum: 9 december 2025
Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 25 oktober 2023, nummer ARN 22/301 in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen/Team auto bpm(hierna: de Inspecteur) en
de Staat der Nederlanden(Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 2.593.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag verminderd tot € 2.528.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Wel heeft de Rechtbank belanghebbende vergoedingen toegekend voor immateriële schade, proceskosten en het griffierecht.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5
Op 27 november 2024 en 2 april 2025 hebben regiezittingen plaatsgevonden waar BPM-zaken aan de orde zijn geweest die bij het Hof aanhangig waren en waarin de gemachtigde van belanghebbende namens verschillende belanghebbenden als procesvertegenwoordiger optrad, waaronder de onderhavige zaak. In het kader van deze regiezittingen hebben partijen over en weer stukken uitgewisseld.
1.6.
Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 3 december 2025. Namens belanghebbende is mr. [naam1] verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [naam2] en mr. [naam3] verschenen.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op 27 oktober 2020 een uit Duitsland afkomstige gebruikte personenauto van het merk Porsche (Macan 2.9 GTS; hierna: de auto) gekocht voor een bedrag van € 75.800 (incl. btw). Op de factuur is vermeld dat de auto “Unfallfrei” is.
2.2.
De auto is op 6 april 2020 door de RDW goedgekeurd. Belanghebbende heeft op 9 april 2020 voor de auto aangifte BPM gedaan naar een verschuldigd bedrag van € 16.618. De daarbij gehanteerde vermindering (afschrijving) heeft belanghebbende berekend aan de hand van een door [naam4] van [bedrijf1] op 6 april 2020 opgesteld exepertiseverslag. De kilometerstand beliep toen 3.790. In het expertiseverslag is onder meer – op basis van een schadecalculatie – uitgegaan van een bedrag aan herstelkosten wegens schade aan de auto van € 13.357, welk bedrag voor (nagenoeg) 100% als waardevermindering in aanmerking is genomen.
2.3.
Belanghebbende heeft de auto op 14 april 2020 op verzoek van de Inspecteur getoond bij Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). DRZ heeft op basis van het onderzoek met dagtekening 14 april 2020 een rapport opgesteld. DRZ heeft onder meer een schade vastgesteld van € 200 en dat bedrag voor 100% als waardevermindering in aanmerking genomen.
2.4.
De Inspecteur heeft op basis van voornoemd DRZ-rapport de onderhavige naheffingsaanslag BPM ten bedrage van € 2.593 aan belanghebbende opgelegd.
2.5.
De tenaamstelling van de auto in het Nederlandse kentekenregister heeft op 16 april 2020 plaatsgevonden.
2.6.
Belanghebbende heeft op 10 augustus 2023 bezwaar tegen de naheffingsaanslag aangetekend. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 november 2021 de naheffingsaanslag verminderd tot € 2.528.
2.7.
Het beroep daartegen heeft de Rechtbank in haar uitspraak van 25 oktober 2023 ongegrond verklaard. Wel heeft de Rechtbank belanghebbende een vergoeding van immateriële schade toegekend van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg, te vergoeden door de Staat. Voorts heeft de Rechtbank belanghebbende ten laste van de Staat vergoedingen voor proceskosten en het griffierecht toegekend. De aanspraak van belanghebbende om een kostenvergoeding voor het bezwaar heeft de Rechtbank afgewezen.
2.7.
Belanghebbende heeft op 13 november 2023 hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank aangetekend.

3.Geschil

In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag moet worden vernietigd omdat meer schade in aanmerking worden genomen dan de Inspecteur en de Rechtbank hebben gedaan. Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend. Belanghebbende heeft verder aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende haar grief inzake de kostenvergoeding voor de bezwaarfase uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken.

4.Beoordeling van het geschil

Omvang schade
4.1.
De bewijslast met betrekking tot het in aanmerking nemen van een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Deze bewijslastverdeling brengt mee dat indien er twijfel bestaat over het door belanghebbende gestelde, dit ten nadele van belanghebbende werkt.
4.2.
Belanghebbende herhaalt in hoger beroep haar door de Rechtbank verworpen stelling dat, gelet op haar taxatierapport en de daarin opgenomen schadecalculatie, meer schade in aanmerking moet worden genomen dan het bedrag van € 200 dat door de Inspecteur is geaccepteerd.
4.3.
Hoewel belanghebbende terecht stelt dat de op de inkoopfactuur vermelde omstandigheid dat de auto ‘Unfallfrei’ is, niet zonder meer betekent dat de auto ook schadevrij is, is het Hof met de Rechtbank van oordeel dat belanghebbende – tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur en mede gelet op de door beide partijen overgelegde foto’s – niet erin is geslaagd aannemelijk te maken dat de auto meer schade heeft dan het bedrag dat door de Inspecteur in aanmerking is genomen. Over het gestelde door belanghebbende is twijfel blijven bestaan en dat werkt, zoals gezegd, in haar nadeel.
Vergoeding immateriële schade
4.4.
Belanghebbende heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. In aanmerking genomen dat belanghebbende op 13 november 2023 hoger beroep heeft ingesteld en het Hof op 9 december 2025 uitspraak doet, is die aanspraak terecht. De redelijke termijn in hoger beroep van twee jaar is met minder dan zes maanden overschreden. Redenen voor een termijnverlenging zijn hier niet aanwezig. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade van € 500, te vergoeden door de Staat.
Slotsom
4.5.
Uit het hiervoor overwogene volgt dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. Wel dient aan belanghebbende de in 4.4 vermelde vergoeding van € 500 te worden toegekend.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Omdat het hoger beroep op zichzelf beschouwd ongegrond is, wordt uitsluitend een vergoeding van proceskosten toegekend voor de proceshandelingen die samenhangen met het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Bij de berekening van die vergoeding wordt een wegingsfactor 0,25 gehanteerd. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 226,75 (1 punt voor verzoekschrift, wegingsfactor 0,25, waarde per punt € 907). Opmerking verdient dat het Hof, in afwijking van zijn eerdere rechtspraak, in een dergelijk geval niet langer een punt toekent voor de zitting (vgl. ABRvS 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:771).
5.2.
Nu het hoger beroep ongegrond wordt verklaard, wordt geen griffierecht vergoed.

6.Beslissing

Het Hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond,
  • veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade van € 500, en
  • veroordeelt de Staat in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 226,75.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, lid van de tiende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025.
De griffier, De raadsheer,
(E.D. Postema) (R. den Ouden)
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.