Belanghebbende heeft BPM betaald over 20 gebruikte personenauto's met meer dan normale gebruiksschade en stelde dat de waardevermindering volledig op basis van taxatierapporten moest worden erkend, in tegenstelling tot het wettelijk vastgestelde percentage van 72%.
De rechtbank wees de beroepen af, maar het Hof vernietigde deze uitspraak en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor nader bewijsonderzoek. De terugwijzingsuitspraak bepaalde dat de Nederlandse BPM-regelgeving verenigbaar is met het Unierecht en dat de bewijslast bij de belastingplichtige ligt om aan te tonen dat de waardevermindering hoger is dan 72%.
In cassatie betoogde belanghebbende dat deze bewijsregels onverenigbaar zijn met het Unierecht, maar de Hoge Raad oordeelde dat dit geschilpunt definitief is beslecht in de terugwijzingsuitspraak en niet opnieuw aan de orde kan worden gesteld. De Hoge Raad bevestigde dat de bewijsregels niet in strijd zijn met het Unierecht en dat de terugwijzing tot een beperkte herbeoordeling leidt binnen de grenzen van het geschil.
Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard, waarmee de eerdere uitspraken en de terugwijzingsuitspraak in stand blijven. De Hoge Raad benadrukte het belang van finale geschilbeslechting en de beperkte devolutieve werking van terugwijzingen in bestuursrechtelijke procedures.