Conclusie
1.Overzicht van deze zaak en van de conclusie
Waar gaat de zaak over?
onderdeel 3met een uiteenzetting over de relevante regelgeving, waarbij ik – zoals zojuist gezegd – relatief veel aandacht besteed aan de totstandkoming van de formulering van art. 1(g) Tarieventabel 2020. Vervolgens behandel ik in
onderdeel 4jurisprudentie van de Hoge Raad over naheffing van parkeerbelasting. In
onderdeel 5geef ik relevante rechtspraak van feitenrechters weer over kwesties die verwant zijn met de onderhavige zaak.
onderdeel 6volgt mijn beschouwing. De hoofdlijn daarvan is de volgende:
wanneereen naheffingsaanslag in de parkeerbelasting mag worden opgelegd, is art. 20 AWR Pro.
alsuit de desbetreffende parkeerbelastingverordening voortvloeit dat, ook indien nog niet direct parkeerbelasting is verschuldigd door het tarief van € 0,00, de verplichting bestaat bij aanvang van het parkeren om de parkeerapparatuur in werking te stellen, aan schending van die verplichting het gevolg te verbinden dat de stelplicht en bewijslast naar de belanghebbende verschuift wat betreft het aanvangsmoment van het parkeren.
onderdeel 7geef ik een grove voorzet voor de wijze van beoordeling van de klacht uitgaande van mijn beschouwing. Ik concludeer dat het beroep in cassatie gegrond is.
2.De feiten, oordeel Hof, en het geding in cassatie
De feiten
3.Regelgeving
Gemeentewet en AWR
Tarieventabel 2020
5. De kosten van de naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 10, onderdeel a bedragen € 64,50,
Muiderstraatweg en omgeving
Muiderstraatweg en omgeving
Muiderstraatweg en omgeving
nade vaststelling van de Tarieventabel 2019 door de gemeenteraad. Mij is daarvoor de volgende verklaring gegeven per e-mail: [26]
4.Jurisprudentie van de Hoge Raad
5.Rechtspraak feitenrechters
6.Beschouwing
Hypothetische feitelijke grondslag: belanghebbende heeft niet langer dan twee uren geparkeerd
ingevaleen naheffingsaanslag wordt opgelegd. Op dat punt zorgt het artikellid voor een afwijking van art. 20 AWR Pro. Het artikellid regelt echter niet
wanneer– dat wil zeggen: onder welke omstandigheden – een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting kan worden opgelegd. Daarvoor is art. 20 AWR Pro maatgevend. Dit een en ander vindt bevestiging in HR BNB 1997/68, waarin immers is overwogen dat “geen van artikel 20 AWR Pro afwijkende regeling [is] getroffen met het oog op de vraag wanneer naheffing van parkeerbelasting kan plaatshebben” (4.4). Aan HR BNB 2019/52 kan niet worden ontleend dat de Hoge Raad daarvan is teruggekomen. Het arrest geeft slechts een nadere uitleg aan het berekeningsvoorschrift in art. 234(3) Gemeentewet, dus voor het geval een naheffingsaanslag mag worden opgelegd. In het arrest was trouwens ook uitgangspunt dat te weinig parkeerbelasting was betaald (4.6) en stond in cassatie (dus) niet ter discussie dat de naheffingsaanslag mocht worden opgelegd.
ofparkeerbelasting materieelrechtelijk verschuldigd is, relevant is of bij de aanvang van het parkeren parkeerapparatuur in werking is gesteld. Dat brengt mij bij het volgende.