ECLI:NL:HR:2016:316

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 februari 2016
Publicatiedatum
25 februari 2016
Zaaknummer
15/03528
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 GemeentewetArt. 231 lid 1 GemeentewetArt. 234 lid 2 GemeentewetArt. 20 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Naheffing parkeerbelasting niet toegestaan bij verkeerd kenteken door betaling belasting

Belanghebbende parkeerde een auto van een vriend op een locatie in Amsterdam en gaf abusievelijk het kenteken van haar eigen auto door bij Parkmobile om parkeerbelasting te voldoen. De heffingsambtenaar legde een naheffingsaanslag op omdat de belasting niet was voldaan voor het geparkeerde voertuig. Het gerechtshof oordeelde dat de naheffing niet terecht was, omdat de belasting feitelijk was betaald ondanks het verkeerde kenteken.

De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwees naar het arrest BNB 1997/68, waarin werd bepaald dat betaling van de belasting de naheffing uitsluit, ook als de aangifte niet op de voorgeschreven wijze is gedaan. De Hoge Raad benadrukte dat artikel 20 AWR Pro van toepassing is, omdat de Gemeentewet geen afwijkende regeling bevat over naheffing bij parkeerbelasting.

Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Hiermee is bevestigd dat de feitelijke betaling van parkeerbelasting de naheffing uitsluit, ook bij een onjuist opgegeven kenteken.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag parkeerbelasting is niet toegestaan omdat de belasting is betaald ondanks het verkeerde kenteken.

Uitspraak

26 februari 2016
nr. 15/03528
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam(hierna: het College) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 18 juni 2015, nr. 13/00742, op het hoger beroep van
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. AMS 13/2614) betreffende de aan
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Amsterdam. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Het College heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij twee middelen voorgesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 10 november 2015 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Het College heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Belanghebbende heeft op 7 april 2013 een personenauto van het merk Honda (hierna: de Honda) geparkeerd op het Singel te Amsterdam ter hoogte van nummer 121 (hierna: de locatie).
2.1.2.
De geparkeerde Honda was de auto van belanghebbendes vriend. De auto van belanghebbende zelf, een personenauto van het merk Daihatsu, stond ten tijde van het parkeren van de Honda elders in Amsterdam geparkeerd met parkeervergunning.
2.1.3.
Ter voldoening van de op de locatie verschuldigde parkeerbelasting heeft belanghebbende abusievelijk het kenteken van haar eigen auto, de Daihatsu, via een applicatie op haar mobiele telefoon aan- en afgemeld bij Parkmobile Benelux B.V. (hierna: Parkmobile).
2.1.4.
Parkmobile heeft aan belanghebbende voor het parkeren op de locatie parkeerbelasting ten bedrage van € 6,17 in rekening gebracht alsmede een bedrag aan kosten.
2.1.5.
Na een controle heeft de heffingsambtenaar geconcludeerd dat voor de geparkeerde Honda geen parkeerbelasting was voldaan. Daarom is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
2.1.6.
Voor het Hof was in geschil of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd.
2.2.
Het Hof heeft overwogen dat op de onderhavige situatie het arrest van de Hoge Raad van 8 januari 1997, nr. 31657, ECLI:NL:HR:1997:AA3200, BNB 1997/68 (hierna: het arrest BNB 1997/68) van toepassing is. Het Hof heeft op basis daarvan geoordeeld dat de belasting voor het parkeren van de Honda op aangifte is voldaan, ondanks het invoeren van een ander kenteken dan dat van de Honda, aangezien belanghebbende de voor het parkeren verschuldigde parkeerbelasting heeft betaald. Daarom is naheffen van parkeerbelasting niet toegelaten, aldus het Hof.
2.3.1.
De middelen, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling, komen op tegen ’s Hofs oordeel met het betoog dat het Hof heeft miskend dat het arrest BNB 1997/68 niet van toepassing is op de onderhavige situatie omdat belanghebbende, anders dan in dat arrest het geval was, geen parkeerbelasting voor de geparkeerde auto, de Honda, heeft voldaan.
2.3.2.
De heffing en invordering van gemeentelijke belastingen geschieden ingevolge artikel 231, lid 1, van de Gemeentewet met toepassing van de AWR en de Invorderingswet 1990 als waren die belastingen rijksbelastingen, behoudens voor zover een afwijkende regeling is getroffen. In de Gemeentewet is toepassing van artikel 20 AWR Pro niet uitgesloten. Ook is geen van artikel 20 AWR Pro afwijkende regeling getroffen met het oog op de vraag wanneer naheffing van parkeerbelasting kan plaatshebben.
In artikel 234, lid 2, van de Gemeentewet wordt wel bepaald wat (uitsluitend) als voldoening op aangifte wordt aangemerkt, maar daarmee is niet de vraag beantwoord of, indien niet op de voorgeschreven wijze aangifte is gedaan, maar de verschuldigde belasting wel is betaald, een naheffingsaanslag kan worden opgelegd. Die vraag moet, nu in de Gemeentewet geen afwijkende regeling is getroffen, worden beantwoord met toepassing van artikel 20 AWR Pro (zie het arrest BNB 1997/68).
2.3.3.
Aangezien vaststaat dat belanghebbende de voor het parkeren van de Honda verschuldigde belasting heeft betaald, brengt de toepassing van artikel 20 AWR Pro mee dat naheffing niet mogelijk is. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor in onderdeel 2.3.2. is overwogen, doet daaraan niet af dat belanghebbende niet op de voorgeschreven wijze aangifte heeft gedaan doordat zij een ander kenteken heeft vermeld dan het kenteken van het geparkeerde voertuig. De middelen, die van een andere rechtsopvatting uitgaan, falen derhalve.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, Th. Groeneveld, J. Wortel en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2016.
Van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam wordt een griffierecht geheven van € 497.