Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
voor zovergeen parkeerbelasting is voldaan in het uur voorafgaande aan het opleggen van de naheffingsaanslag. Daarom moet de reeds betaalde € 1 worden verrekend met de naheffing als berekend over een uur ad € 2,60, zodat de naheffingsaanslag nader is vastgesteld op € 1,60 aan parkeerbelasting plus € 60,90 kosten, totaal € 62,50.
NTFR2018/2002:
NLF2018/1653:
3.Het geding in cassatie
ad (i)betoogt het College ten eerste dat de tekst van artikel 234, derde lid, van de Gemeentewet duidelijk is en dat daarin geen mogelijkheid tot afwijking naar beneden van de forfaitaire parkeerduur van één uur tot uitdrukking is gebracht. Volgens het College is de mogelijkheid tot het verminderen van een naheffingsaanslag als evident korter dan een uur is geparkeerd uiteindelijk niet in de wet gekomen, omdat het ten tijde van de controle niet altijd aan een controleur kenbaar is of een parkeerder tot een tijdstip minder dan een uur aan de controle voorafgaand, parkeerbelasting heeft voldaan. Ofschoon daartoe naar ‘de verhandelingen’ wordt verwezen, ontbreekt een bron. Verder wijst het College erop dat bij het via een mobiele telefoon aanmelden van een voertuig voor betaald parkeren, het voor de controleur technisch slechts mogelijk is te constateren of het voertuig is aangemeld, maar niet op welk tijdstip. Bij controle met scanauto’s - naar ik aanneem geldt dat bij op kenteken parkeren en aanmelden - zou hetzelfde probleem spelen. Steun voor zijn zienswijze zoekt het College in een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 23 oktober 2014 (met nr. 14/00138, ECLI:NL:GHAMS:2014:4379, zie 5.9).
4.Relevante wet- en regelgeving
Parlementaire geschiedenis, jurisprudentie en literatuur omtrent artikel 234, lid 3, van de Gemeentewet
NTFR2017/2261 heeft
Koubiade uitspraak van het Gerechtshof ’s-Gravenhage becommentarieerd:
NLF2017/2035:
Belastingblad2017/367:
Vergelijking met bijzondere bepalingen over naheffing van motorrijtuigenbelasting
7.Behandeling van de klachten
lex generalisin artikel 20 AWR Pro afwijkende regeling. Die afwijking houdt onder meer een berekening van de naheffingsaanslag parkeerbelasting in over – in beginsel – een forfaitaire parkeerduur van één uur (derde lid). Afwijking naar boven van de forfaitaire parkeerduur is in de wettekst expliciet genoemd ingeval, ten tijde van constatering van overschrijding, aannemelijk is dat langer dan een uur zonder betaling is geparkeerd.