ECLI:NL:HR:2019:56

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 januari 2019
Publicatiedatum
17 januari 2019
Zaaknummer
18/03317
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 234, lid 3, GemeentewetArt. 20, lid 1, AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak over naheffing parkeerbelasting bij parkeertijd minder dan een uur

Belanghebbende parkeerde op 29 maart 2017 een auto op een plek in Hilversum waar betaald parkeren geldt. Hij betaalde € 1 voor parkeren van 13:58 tot 14:21 uur. Bij controle bleek de auto om 14:24 uur nog te staan, waarna een naheffingsaanslag van € 63,50 werd opgelegd, bestaande uit € 2,60 aan belasting en € 60,90 aan administratiekosten.

De Rechtbank vermindert de naheffing met € 1 omdat belanghebbende al een bedrag had betaald dat binnen de naheffingsperiode viel. De heffingsambtenaar ging in hoger beroep en stelde dat de naheffing forfaitair gelijk is aan het tarief voor één uur parkeren, tenzij een langere duur aannemelijk is.

Het Hof bevestigde de uitspraak van de Rechtbank en oordeelde dat de naheffing naar evenredigheid moet worden verlaagd als de parkeerduur minder dan een uur is. De Hoge Raad overweegt dat artikel 234, lid 3, Gemeentewet forfaitaire naheffing over een uur voorschrijft, tenzij langer parkeren aannemelijk is. De gemeente koos voor forfaitaire naheffing over een uur, wat correct is. De Hoge Raad vernietigt de eerdere uitspraken en verklaart het beroep van het college ongegrond.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt eerdere uitspraken en verklaart het beroep van het college ongegrond, waarmee de naheffing forfaitair over een uur correct is toegepast.

Uitspraak

18 januari 2019
Nr. 18/03317
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversumtegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 3 juli 2018, nr. 17/01279, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Hilversum tegen een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (nr. UTR 17/1596) betreffende een aan
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Hilversum. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 19 november 2018 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep (ECLI:NL:PHR:2018:1302).

2.Beoordeling van de klachten

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft op 29 maart 2017 een personenauto geparkeerd op een in de gemeente Hilversum gelegen plek waar op dat tijdstip alleen tegen betaling kon worden geparkeerd.
Bij een parkeerautomaat heeft belanghebbende € 1 parkeerbelasting betaald; het bewijs van die betaling vermeldt 13.58 uur als begintijd en 14.21 uur als eindtijd.
2.1.2.
Bij controle bleek de auto die dag om 14.24 uur (nog) op die plek geparkeerd te staan. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 63,50, bestaande uit € 2,60 aan nageheven belasting en € 60,90 aan administratieve kosten. Het bedrag van € 2,60 was het parkeertarief per uur.
2.2.1.
De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag met € 1 verminderd, overwegende dat belanghebbende € 1 heeft betaald voor een periode die geheel valt binnen de periode waarover parkeerbelasting is nageheven, te weten 13.24 uur tot en met 14.24 uur, terwijl de naheffing volgens artikel 20 AWR Pro alleen betrekking kan hebben op de niet betaalde belasting.
2.2.2.
De heffingsambtenaar van de gemeente Hilversum stelde zich in het door hem ingestelde hoger beroep op het standpunt dat het na te heffen bedrag volgens artikel 234, lid 3, Gemeentewet gelijk is aan het tarief voor één uur parkeren, tenzij een langere parkeerduur aannemelijk is.
2.2.3.
Het Hof heeft uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze wettelijke bepaling afgeleid dat een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting naar evenredigheid moet worden verlaagd indien duidelijk is dat de periode waarover de parkeerbelasting verschuldigd is minder dan een uur beloopt. Op die grond heeft het Hof de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
2.3.1.
Naar aanleiding van de tegen deze uitspraak gerichte klachten overweegt de Hoge Raad als volgt.
2.3.2.
Artikel 234, lid 3, Gemeentewet bepaalt dat een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting wordt berekend over een parkeerduur van een uur, tenzij aannemelijk is dat het voertuig langer dan een uur zonder betaling geparkeerd heeft gestaan. De tekst van deze bepaling duidt erop dat in een geval als het onderhavige forfaitair wordt nageheven op basis van een parkeerduur van een uur. Daarmee is erin voorzien dat de naheffing niet behoeft te worden beperkt tot de te weinig betaalde belasting zoals bedoeld in artikel 20, lid 1, AWR.
2.3.3.
Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 234, lid 3, Gemeentewet (zie de onderdelen 5.3 tot en met 5.6 van de conclusie van de Advocaat-Generaal) is af te leiden dat de gemeentelijke wetgever de keuze is gelaten om te bepalen dat, uit een oogpunt van doelmatigheid, forfaitair op basis van een parkeerduur van een uur wordt nageheven, dan wel te bepalen dat wordt nageheven op basis van de werkelijke parkeerduur die is verstreken bij de constatering dat zonder betaling is geparkeerd.
2.3.4.
In de toepasselijke verordening is ervoor gekozen forfaitair op basis van een parkeerduur van een uur na te heffen. De heffingsambtenaar heeft dus terecht de naheffingsaanslag berekend over een parkeerduur van een uur.
2.3.5.
De klachten treffen doel. De bestreden uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof en de uitspraak van de Rechtbank, en
verklaart het tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar ingestelde beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2019.