Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
parkeerapparatuur: parkeermeters, voor het betalen van de parkeerbelasting ingerichte mobiele telefoons, parkeerautomaten, met inbegrip van verzamelparkeermeters,
centrale computeren hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan;
centrale computer: een computer van de gemeente dan wel een computer van het bedrijf waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten, bestemd voor de registratie van parkeerbewegingen in het kader van het verlenen van diensten op het gebied van betaald parkeren met gebruik van een telefoon of ander communicatiemiddel;
door middel van het al dan niet elektronisch in werking stellen van parkeerapparatuur. Van de verschuldigde belasting per tijdseenheid wordt op of via de parkeerapparatuur of in de daarbij geleverde gebruiksaanwijzing kennisgegeven. Ten aanzien van het hier voorafgaande bepaalde moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen één maand na het einde van het parkeren,
indien het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een telefoon of ander communicatiemiddel inloggen op de centrale computer.
In het geval dat voor enige wijze van voldoening van de parkeerbelasting op of bij de parkeerapparatuur staat vermeld of uit de parkeerapparatuur blijkt dat een kenteken moet worden ingevoerd, wordt bedoeld dat het kenteken van het te parkeren voertuig in het betreffende gebied moet worden ingevoerd;
3.Het geding in cassatie
4.Relevante wetgeving, parlementaire behandeling, jurisprudentie en literatuur
Wetgeving
2. De naheffing geschiedt bij wege van naheffingsaanslag, die wordt opgelegd aan degene, die de belasting had behoren te betalen, dan wel aan degene aan wie ten onrechte, of tot een te hoog bedrag, vrijstelling of vermindering van inhouding dan wel teruggaaf is verleend. In gevallen waarin ten gevolge van het niet naleven van bepalingen van de belastingwet door een ander dan de belastingplichtige, onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige, te weinig belasting is geheven, wordt de naheffingsaanslag aan die ander opgelegd.
BNB1997/69 geannoteerd:
FED2010/101 aangetekend:
Belastingblad1999/374 aangetekend:
voldoeningvan de belastingschuld. Deze motivering wijst erop dat in de opvatting van de HR ook andere aspecten van de voldoening van belastingschulden beheerst kunnen worden door voorschriften uit het BW. Opmerkelijk is dat de HR hier niet spreekt over analoge toepassing van de regeling uit het BW, maar deze regeling rechtstreeks lijkt toe te passen. Een vaste lijn is in de aanpak van de HR echter moeilijk te ontdekken, want er is ook rechtspraak waarin de HR regels uit het BW over betalingen slechts naar analogie toepast in het bestuursrecht, en dan nog met een slag om de arm. Ook de memorie van toelichting bij de vierde tranche van de Awb gaat ervan uit dat de desbetreffende voorschriften uit het BW niet rechtstreeks, en ook niet per definitie naar analogie van toepassing zijn in het bestuursrecht.