Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag van €57 opgelegd wegens het niet tonen van een geldig betaalbewijs op een parkeerterrein in Dordrecht, gelegen in tariefzone 5 waar de eerste 24 uur gratis parkeren geldt. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, stellende dat het halen van een parkeerkaartje verplicht was, ook als het parkeren binnen 24 uur bleef.
In hoger beroep stelde belanghebbende dat de naheffing onterecht was omdat volgens de Verordening geen belasting verschuldigd is binnen de eerste 24 uur en dat het verplicht halen van een kaartje niet in de Verordening was geregeld. Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar geen rechtsgrond had voor de naheffing en dat het niet tonen van een kaartje slechts een vermoeden gaf dat langer dan 24 uur was geparkeerd, maar dat de bewijslast bij de heffingsambtenaar lag.
Omdat de heffingsambtenaar dit niet aannemelijk had gemaakt, vernietigde het hof de naheffingsaanslag, de uitspraak op bezwaar en de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd belanghebbende de griffierechten vergoed. Het hof bevestigde dat de gemeenteraad exclusief bevoegd is tot het vaststellen van belastingen en dat de Verordening leidend is voor de heffing van parkeerbelasting.