Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
één middelinhoudende dat het Hof ten onrechte, dan wel op gronden die de beslissing niet kunnen dragen, heeft geoordeeld dat het vertrouwensbeginsel eraan in de weg staat dat de pensioenuitkeringen van erflater in de Nederlandse belastingheffing worden betrokken. Volgens de Staatssecretaris heeft het Hof met dit oordeel het vertrouwensbeginsel, art. 18 Verdrag Pro in verbinding met art. 7.2(2)(b) Wet IB 2001 en art. 8:77 Awb Pro geschonden.
acht klachtenkunnen worden ontwaard. Bij die categorisering heb ik mij geconcentreerd op de onderdelen waar de Staatssecretaris het Hof een verwijt maakt. Ik noem telkens de paginanummers van het beroepschrift in cassatie waar de desbetreffende klacht staat vermeld. Klachten die mijns inziens met elkaar verwant zijn, heb ik bij elkaar gezet.
eerste klacht(blz. 5-6) houdt in dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld (overweging 4.4 slot) dat het risico van het in het vrijstellingsformulier achterwege laten van een vraag naar de heffing over het pensioen in het woonland (België) voor rekening van de Inspecteur komt. Volgens de Staatssecretaris miskent het Hof hiermee dat het gaat om het geobjectiveerde perspectief van erflater en dat dat het op de weg van de belastingplichtige ligt om ervoor te zorgen dat de inspecteur de informatie verkrijgt waarover de belastingplichtige redelijkerwijs de beschikking heeft of kan krijgen en die nodig is om de kwestie op haar fiscale merites te beoordelen, in casu de informatie over de belastingheffing in België. Bovendien miskent het Hof volgens de Staatssecretaris dat na afgifte van de eerste vrijstellingsverklaring de feiten zijn veranderd, in die zin dat erflater – in strijd met de circulaire van de Belgische fiscus – in België aangifte had gedaan, en dat de pensioenuitkeringen in de conform de aangiften opgelegde Belgische aanslagen niet tot het progressief belaste inkomen werden gerekend.
tweede klacht(blz. 6-8) houdt in dat onbegrijpelijk – althans onvoldoende gemotiveerd – is het oordeel van het Hof (overweging 4.4) dat de Inspecteur ter zitting zou hebben verklaard dat in de jaren 2014 tot en met 2017 veel onduidelijkheid bestond over hoe de heffing in België was geregeld, dat de rechtspraak in België geen duidelijk beeld liet zien en dat de heffing van jaar tot jaar kon verschillen. Volgens de Staatssecretaris heeft de Inspecteur dit niet verklaard en komt die verklaring ook niet voor in het proces-verbaal van de zitting. Het is een motiveringsgebrek dat het Hof de voormelde, niet gedane, verklaringen van de Inspecteur dragend acht voor zijn oordeel in overwegingen. 4.4, 4.5 en 4.7, aldus de Staatssecretaris. Het is volgens de Staatssecretaris buiten geschil dat de wijze van heffing in België de Inspecteur pas in 2017 duidelijk is geworden.
derde klacht(blz. 8) wordt betoogd dat het Hof bij de beoordeling van de vraag of de kennis van de Belgische en Nederlandse gemachtigde moet worden toegerekend aan erflater (overweging 4.5) ten onrechte als criterium heeft gehanteerd of erflater tekort is geschoten in de samenwerking met zijn gemachtigden. De
zesde klacht(blz. 9) stelt dat het oordeel van het Hof (overweging 4.5) dat erflater als fiscale leek niet tekort is geschoten in de samenwerking met zijn Nederlandse gemachtigde doordat hij niet de Belgische aangiften en aanslagen heeft aangeleverd, onjuist althans onbegrijpelijk is.
vierde klacht(blz. 8) houdt in dat het onbegrijpelijk is de vaststelling door het Hof (overweging 4.5) dat niet is komen vast te staan dat de Belgische adviseur wist van de fiscale behandeling van het pensioen in Nederland en evenmin dat de Nederlandse adviseur wist hoe het pensioen in België werd belast.
Ten vijfde(blz. 9) stelt de Staatssecretaris dat het Hof ten onrechte alleen heeft beoordeeld (overweging 4.5) of de Nederlandse gemachtigde feitelijk op de hoogte was, terwijl de Inspecteur had aangevoerd dat die gemachtigde zich op de hoogte behoorde te stellen van de heffing in België.
zevende klacht(blz. 9-10) wordt aangevoerd dat bij zijn verwerping van het standpunt van de Inspecteur dat erflater niet te goeder trouw heeft gehandeld doordat hij niet heeft gemeld dat het pensioen in België niet regulier werd belast (overweging 4.6), het Hof heeft miskend dat het erom gaat dat de belastingplichtige redelijkerwijs had moeten weten dat de Inspecteur zonder de desbetreffende informatie niet in staat was de kwestie goed en volledig op haar fiscale merites te beoordelen. Het Hof heeft miskend dat dit een in bepaalde zin geobjectiveerde toets is.
achtste klacht(blz. 10-11) brengt de Staatssecretaris naar voren dat bij zijn oordeel (overweging 4.7) dat de toezegging niet zozeer in strijd is met een juiste wetstoepassing dat de belastingplichtige redelijkerwijs niet op nakoming kon rekenen, het Hof ten onrechte alleen uitgaat van de kennis van erflater zelf. Bovendien miskent het Hof dat geen sprake was van onduidelijkheid over de concrete heffing over het pensioen in België bij erflater en diens gemachtigden.
4.Achtergrond: Nederlandse pensioenproblematiek in België
Art. 18 Verdrag Pro
moetworden betrokken, of op de wijze waarop over het pensioen
feitelijkbij de betrokkene wordt geheven. Een zelfde onderdeel (b) als thans aan de orde is opgenomen in het belastingverdrag met Portugal. [13] De voorwaardelijke bronstaatheffing over pensioenuitkeringen in dit verdrag is – in de woorden van A-G Wattel – “wellicht de blauwdruk geweest voor de tien latere verdragen”, waaronder het verdrag met België” [14] . Omtrent die bepaling in het belastingverdrag met Portugal heeft de Hoge Raad op prejudiciële vragen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant geoordeeld dat er erop aan komt hoe de uitkering volgens
de wetgevingvan de woonstaat in de belastingheffing moet worden betrokken: [15]
de onvoldoende-woonstaatheffingstoets in art. 18(2)(b) een juridische toets is: beslissend is of de uitkering volgens het Portugese belastingrecht aldaar voor meer dan 90% en naar het reguliere tarief is onderworpen, niet of de feitelijke aanslagoplegging ook met dat recht strookt, al wordt daarvan uiteraard wel uitgegaan. Zoals boven (6.8 en 6.13 - 6.15) verder bleek, zijn ook de gerechtshoven die zich over art. 18(2) Verdrag met Portugal hebben moeten buigen, unaniem dat voor art. 18(2)(b) maatgevend is hoe de uitkering volgens de Portugese belastingwetgeving in de belastingheffing wordt betrokken en niet een daarvan mogelijk afwijkende aanslagregeling. Een vergelijkbare benadering geldt (i) voor de toepassing van de Nederlandse eenzijdige regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, (ii) in uw rechtspraak over buitenlandse onderworpenheid als voorwaarde voor vrijstelling door Nederland, en (iii) uw rechtspraak over onderworpenheid als voorwaarde voor verdragsinwonerschap.
niette gaan heffen, zulks in afwijking van zijn eigen belastingwet. Nederland wilde een garantie tegen Portugese faciliëring van pensioenvlucht door Nederlandse
aposentadosen sociale-zekerheidsuitkeringsgenieters; ook voor de laatsten zal Nederland hebben willen voorkomen dat een redelijke heffing zou kunnen worden ontlopen door emigratie naar Portugal. Nederland moet daarbij zijn budgettaire afweging (het ‘alleszins aanvaardbare resultaat’; zie het slot van het citaat in 6.5) gebaseerd hebben op de Portugese belastingwet en op het uitgangspunt dat Portugal zijn belastingwet om de gestelde expliciete budgettaire redenen toepast; niet op het uitgangspunt dat Portugal zijn eigen belastingwet niet zou gaan uitvoeren.”
Aan deze voorwaarde (ii) wordt derhalve niet voldaan indienbijvoorbeeld louter ten gevolge van horizontale of verticale verliescompensatie
de facto geen belasting wordt geheven over de desbetreffende inkomstenbestanddelen.”
en massevrijstellingsverklaringen heeft ingetrokken omdat onduidelijk is geworden of de pensioenen in België kunnen en zullen worden belast: [22]
5.De vrijstellingsverklaring
6.Het vertrouwensbeginsel
,gedane toezegging en de belastingplichtige kan niet met succes een beroep doen op door een dergelijke toezegging gewekt vertrouwen, indien die belastingplichtige (i) bij het verzoek om die beschikking of naar aanleiding van vragen van de inspecteur om nadere inlichtingen naar aanleiding van dat verzoek, onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt dan wel de inspecteur de juiste en volledige inlichtingen daarover heeft onthouden, terwijl (ii) hij redelijkerwijs had moeten weten dat de inspecteur daardoor niet in staat was het verzoek goed en volledig op zijn fiscale merites te beoordelen. Bij de beoordeling of de belastingplichtige bij de beantwoording van vragen in een aanvraagformulier voor een beschikking, zoals in dit geval een aanvraagformulier voor een VAR, of naar aanleiding van nadere vragen van de inspecteur, onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt dan wel de inspecteur de juiste en volledige inlichtingen heeft onthouden als hiervoor bedoeld onder (i), komt het erop aan of de belastingplichtige die vragen redelijkerwijs heeft mogen opvatten zoals hij heeft gedaan.”
zoals in dit gevaleen aanvraagformulier voor een vrijstellingsverklaring, (…)” (vetgedrukt van mijn hand). Dat lijkt te impliceren dat een vrijstellingsverklaring ook een beschikking is (het Hof overweegt
zoals,en niet
wat vergelijkbaar is met (…)o.i.d.). Anderzijds verwijst het Hof in overweging 4.3, voetnoot 3 met een ‘vgl.’ naar het arrest van 24 februari 2023. Daar zou het Hof mee kunnen bedoelen dat het in deze zaak niet om een beschikking VAR WUO gaat, maar wel om een beschikking; het Hof zou ook kunnen bedoelen dat men hier überhaupt niet met een beschikking van doen heeft.
waarin de inspecteur zich in het controlerapport expliciet heeft uitgelaten, geldt het volgende.
Indien het gaat om als toezeggingen op te vatten expliciete uitlatingen van de inspecteur,kan de belastingplichtige zich onder voorwaarden met succes beroepen op daarmee door de inspecteur gewekt vertrouwen. Daartoe is vereist dat dergelijke toezeggingen zijn gedaan door de inspecteur na kennisneming van alle daartoe benodigde feiten en omstandigheden van het geval, en de belastingplichtige aan die toezeggingen het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat de fiscus in zijn geval aan wettelijke, dan wel andere door hem in acht te nemen algemene regels een bepaalde toepassing zal geven. Daarbij is bovendien vereist dat die toezeggingen niet zo duidelijk in strijd zijn met een juiste wetstoepassing dat de belastingplichtige redelijkerwijs hun onjuistheid had kunnen en moeten beseffen, en daarom op nakoming van die toezeggingen in redelijkheid niet mocht rekenen.”
kunnengelden voor toezeggingen in niet-beschikking vorm. Ik leg de nadruk op kunnen, omdat daarvoor mijns inziens wel moet worden onderzocht in hoeverre de context van de gedane toezegging overeenkomt of gelijkenissen vertoont met die van een toezegging in de vorm van een beschikking. Anders gezegd: als een toezegging niet in de vorm van een beschikking is gedaan, maar wel een vergelijkbare functie vervult als een beschikking, ligt het wat mij betreft in de rede om de overwegingen van de Hoge Raad over toezeggingen die beschikkingen zijn naar analogie toe te passen op toezeggingen die niet beschikkingen zijn. Dat de Hoge Raad de rechtsregels uit de arresten behandeld in 7.2-7.4 relateert aan specifiek de toezegging in de vorm van een beschikking, kan mijns inziens namelijk worden verklaard door de specifieke context daarvan.
objectvan het aandeel is. Anders gezegd: welke kennis is relevant om het aandeel van de deskundige enerzijds en het aandeel van de opdrachtgever anderzijds te bepalen? Naar mijn mening gaat het om de kennis waarvoor de opdrachtgever de deskundige heeft ingeschakeld. Wat dat is, zal bepaald moeten worden aan de hand van uitleg van de opdracht. Indien bijvoorbeeld een makelaar alleen wordt ingeschakeld om de bouwkundige staat van een huis te taxeren, hetgeen kenbaar is aan de wederpartij, dan behoort diens juridische kennis niet te worden toegerekend aan zijn opdrachtgever. De gerechtvaardigde indruk die de wederpartij van de taak van de makelaar in het concrete geval heeft, kan dit uiteraard anders maken.
nadatde hiervoor bedoelde weging heeft plaatsgevonden en aanleiding geeft voor zo’n categorische uitkomst.
9.Beoordeling van het middel
enkelom of de belastingplichtige alle informatie heeft verschaft die de inspecteur nodig had voor de beoordeling van de fiscale kwestie, maar of de belastingplichtige
ervan uit mocht gaandat hij de inspecteur alle benodigde informatie had verschaft (zie de eerste volzin van overweging 4.5.3) en of de belastingplichtige
redelijkerwijs had moeten wetendat de inspecteur daardoor niet in staat was het verzoek goed en volledig op zijn fiscale merites te beoordelen (zie overweging 4.5.4, eerste volzin slot).
moetworden betrokken (4.2-4.4). Ook daarom meen ik dat erflater er niet op hoefde te rekenen dat hij de Inspecteur moest voorzien van informatie over de feitelijke heffing in België. Voorts meen ik dat erflater de Inspecteur ook niet spontaan behoefde te onderwijzen in het Belgische belastingrecht.
gevolmachtigdevan erflater namens hem werden ingediend.
namensde belastingplichtige door de adviseur aangifte gedaan, maar dan doet de belastingplichtige
zelfaangifte. De volmacht wordt dan in zoverre niet gebruikt en de adviseur treedt niet op als gemachtigde, maar als bijstandsverlener.
welkekennis van de Belgische adviseur de Staatssecretaris aan erflater wil toerekenen. Uit hetgeen de Staatssecretaris ter onderbouwing van deze klacht naar voren brengt, maak ik op dat hij erflater verwijt dat deze de Inspecteur niet op de hoogte heeft gesteld van de wijze waarop het pensioen feitelijk in de Belgische heffing werd betrokken. In 4.2-4.4 heb ik echter uiteengezet dat voor de toepassing van art. 18(2)(b) Verdrag niet de feitelijke heffing in de woonstaat maatgevend is, maar de heffing die volgens de wetgeving van de woonstaat moet plaatsvinden. Daarom is mijns inziens niet relevant welke kennis erflater en zijn Belgische adviseur hadden over die feitelijke heffing in België. Die feitelijke heffing maakte voor het Nederlandse heffingsrecht niet uit, en dus was er ook geen aanleiding om de Nederlandse fiscus daarover te informeren.
behoordente hebben. Dat kan worden opgemaakt uit de motivering die het Hof geeft voor zijn oordeel (vetgedrukt RJK):
De Belgische gemachtigde verzorgde immers slechts de Belgische belastingaangifte en niet de Nederlandse belastingaangifte. Verder is naar het oordeel van het hof evenmin komen vast te staan dat de Nederlandse gemachtigde ervan op de hoogte was hoe het pensioen in België werd belast.
Voor het verzorgen van de aangiften inkomstenbelasting verstrekte erflater, zoals verklaard door zijn gemachtigde, de vrijstellingsverklaringen vervolgens werd de aangifte op grond daarvan opgesteld. Pas nadat de tweede vrijstellingsverklaring werd ingetrokken raakte de Nederlandse gemachtigde op de hoogte van de heffing in België.”
moestworden belast. Dat laatste wisten de Belgische en Nederlandse fiscus kennelijk niet eens.