ECLI:NL:HR:2006:AU7741
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- P.J. van Amersfoort
- P. Lourens
- C.J.J. van Maanen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bepaalt dat opzet of grove schuld van adviseur niet aan belastingplichtige wordt toegerekend bij fiscale vergrijpboete
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1999 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd met een boete wegens een onjuiste aangifte die aan opzet werd toegeschreven. Het hof verklaarde het beroep ongegrond, waarbij het zich baseerde op een eerder arrest (BNB 1988/270) dat toerekening van opzet of grove schuld van een adviseur aan de belastingplichtige mogelijk achtte.
De Hoge Raad komt in dit arrest terug op die lijn en stelt dat opzet of grove schuld van een adviseur niet zonder meer aan de belastingplichtige kan worden toegerekend. Dit voorkomt strijd met het recht op onschuld totdat schuld is bewezen, zoals neergelegd in artikel 6 EVRM Pro. De belastingplichtige kan niet automatisch worden aangesproken op de fouten van zijn adviseur.
De Hoge Raad benadrukt dat de inspecteur de stelplicht en bewijslast draagt voor het aantonen van opzet of grove schuld bij de belastingplichtige zelf. Daarbij kan wel worden meegewogen of de belastingplichtige de nodige zorg heeft betracht bij de keuze en samenwerking met zijn adviseur. De zaak wordt vernietigd en verwezen naar het gerechtshof voor herbeoordeling met inachtneming van deze overwegingen.
Daarnaast wordt vastgesteld dat de cassatieprocedure de redelijke termijn heeft overschreden, en het hof zal bij de verdere behandeling ook rekening houden met eventuele gevolgen daarvan voor de hoogte van de boete. De Staat wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug, waarbij opzet of grove schuld van een adviseur niet aan de belastingplichtige wordt toegerekend.