Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten, het decor, de aanslagregeling en het geding in feitelijke instanties
De feiten
1 Reporting entity
8.Income tax expense
,
ten gevolge van een fout’ en dit ‘
de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is, waarvan in elk geval sprake is indien de te weinig geheven belasting ten minste 30 percent van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting bedraagt’. In het onderhavige geval zijn drie nihilaanslagen opgelegd als gevolg waarvan de te weinig geheven belasting het totale bedrag van de navorderingsaanslag betreft (zodat voldaan is aan de 30%-eis). (…)
Dat de behandelende ambtenaren in het onderhavige geval hebben nagelaten de geautomatiseerde afdoening van de aangiften te blokkeren nadat de onjuistheid van deze aangiften bij een boekenonderzoek aan het licht was gekomen, kan niet worden aangemerkt als een verzuim dat voortvloeit uit een verwijtbaar onjuist inzicht van de inspecteur in de feiten die bepalend zijn voor de (omvang van) de belastingplicht. Dit nalaten is aan te merken als een fout in de ruime en neutrale zin dien aan dat begrip toekomt in artikel 16, lid 2, letter c, AWR.”In het onderhavige geval was op het moment van de aanslagregeling evenwel geen onjuistheid in de aangiften geconstateerd, maar in het geval uw Hof van oordeel is dat deze onjuistheid op dat moment wel had moeten worden onderkend door de inspecteur, dan beroep ik mij op het standpunt dat navordering mogelijk is op grond van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de AWR. Hier is geen sprake van een zogenoemde beoordelingsfout als bedoeld in r.o. 3.5 van het arrest van de Hoge Raad van 8 augustus 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0921, BNB 2003/345. De Inspecteur was – uitgaande van de veronderstelling dat het onderzoek reeds liep, quad non – ten tijde van het vaststellen van de primitieve aanslag immers nog bezig zicht een oordeel te vormen en met het inwinnen van informatie over belanghebbende. De voor de oordeelsvorming relevante informatie (met name de Maltese aangiften) is door belanghebbende niet eerder verstrekt dan bij haar antwoordbrief van 3 juli 2017 (door de inspecteur ontvangen op 5 juli 2017).”
3.Het geding in cassatie
vanuit het perspectiefvan de Inspecteur respectievelijk de namens deze Inspecteur handelende functionarissen die ten tijde van het opleggen van de aanslagen bevoegd waren.
4.Wie is ‘de inspecteur’?
tout court, maar over de politieke verantwoordelijkheid die ligt bij het orgaan aan de top van de piramide: