Conclusie
Nummer22/00436
Inleiding
De zaak in het kort
Het eerste middel
“Bewijsoverweging
eerste deelklacht, wordt door de steller van het middel ten eerste het argument opgevoerd dat er “wel degelijk [is] gebleken van een nadeel veroorzaakt door het vormverzuim, (…) [n]u de inhoud van de telefoon - welke verkregen is middels een geconstateerd vormverzuim in het voorbereidend onderzoek - rechtstreeks heeft bijgedragen aan de bewezenverklaring”. Dit onderdeel van de klacht moet afstuiten op het gegeven dat volgens vaste rechtspraak het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt, niet kan worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang en dit dus niet een nadeel oplevert als bedoeld in art. 359a lid 2 Sv. [1]
tweede deelklachtgeldt dat het oordeel van het hof dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in art. 359a Sv, in cassatie niet is bestreden. Daar moet dus van worden uitgegaan. Met die vaststelling is evenwel nog geenszins gezegd dat daarmee het - verstrekkende - rechtsgevolg van bewijsuitsluiting op zijn plaats was geweest. De enkele omstandigheid dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte is gemaakt, betekent immers nog niet dat bewijsuitsluiting noodzakelijk is. [4] Nu de feiten in cassatie niets meer inhouden dan exact deze “enkele omstandigheid” en het nadeel dus niet verder is geconcretiseerd, is de slotsom dat het oordeel van het hof dat het kon volstaan met het constateren van het vormverzuim zonder hieraan de sanctie van bewijsuitsluiting te verbinden, geenszins onbegrijpelijk.
De bewezenverklaring en bewijsvoering
Feit 1
de rechtbank begrijpt: 25 juli 2014) samen met [betrokkene 1] in de jacuzzi heeft gezeten die in de tuin stond van haar ouderlijke woning, gelegen aan de [ a-straat 1] te [plaats] . Zij heeft [betrokkene 1] oraal bevredigd in de jacuzzi. Daags na het tweede feest kreeg ze van verdachte een filmpje daarvan te zien. Zij wist niet dat ze gefilmd werden toen ze in de jacuzzi zaten.
Omg die laatste snap kan echt niet". Om 08:07 uur diezelfde dag heeft verdachte van ‘ [betrokkene 3] ’ ontvangen: "
Dat kan je niet filmen hoooooooooorrrr. Zo vroeg in de ochtendd. Snapshot.” Ook ‘ [betrokkene 4] ’ heeft verdachte op 25 juli 2014 een bericht gestuurd: "
Was zei nou echt aan het pijpen op je snap”, evenals ‘ [betrokkene 5] ’ die aan verdachte vraagt: "'
Zet jij altijd pijpvideo 's op snapchat?”
Het voor het tweede tot en met het vierde middel relevante juridisch kader
i) “waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar was gemaakt” en (
ii) “een niet voor het publiek toegankelijke plaats“ tekortschiet, mede in het licht van hetgeen daar ter terechtzitting door de verdediging over is aangevoerd.
iii) “openbaar heeft gemaakt”. Voor ik nader op de klachten inga, bespreek ik eerst het juridisch kader dat voor beide middelen relevant is.
i) en (
ii) van de bewezenverklaring zijn een onderdeel van de delictsomschrijving van dit artikel.
i) en (
ii) ook onderdeel van de bewezenverklaring van feit 2. Het door de steller van het middel betwiste onderdeel (
iii) is een bestanddeel van art. 139g Sr oud.
nietop beeld te worden vastgelegd. En dat gegeven werkt dan weer door in de reikwijdte van art. 139f Sr (oud). [8]
aanwezigmoet zijn. De wet stelt dus niet de eis dat het
gebruikniet duidelijk moet zijn. Deze formulering van de delictsomschrijving sluit niet goed aan op de kenmerkende multifunctionaliteit van smartphones. Door de enkele aanwezigheid van een smartphone zal men er in de regel immers minder op bedacht hoeven te zijn dat men op beeld kan worden vastgelegd, vergeleken met de situatie dat ergens een traditionele camera wordt gehanteerd of een (beveiligings)camera hangt.
fungeertin die zin van nature een stuk heimelijker dan een foto- of filmcamera, ook al is de
aanwezigheidervan in beginsel kenbaar.” [9]
(
i) het bestanddeel “gebruik makende van een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt” verving het bestanddeel “gebruik makende van een door een list of een kunstgreep daartoe geschapen gelegenheid”;
(
ii) het bestanddeel een persoon, “aanwezig in een woning of op een andere niet voor het publiek toegankelijke plaats” verving het bestanddeel “een in een woning of een niet voor het publiek toegankelijk lokaal aanwezige persoon”;
(
iii) het bestanddeel “wederrechtelijk” verving de eis dat door het maken van de afbeelding een “rechtmatig belang kan worden geschaad” van de afgebeelde persoon.
als zodanigwel duidelijk kenbaar is, maar de aanwezigheid van de
functionaliteitals technisch hulpmiddel waarmee afbeeldingen worden vervaardigd niet (zonder meer). [38]
aanwezigheidvan het technisch hulpmiddel (de smartphone of de daarin gemonteerde camera), maar veeleer om de kenbaarheid van het
gebruikdaarvan.
De beoordeling van het derde middel
De beoordeling van het vierde middel
Privé domein dan wel een niet voor het publiek toegankelijke plaats