Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het oordeel van het hof dat in de onderhavige zaak sprake is van het dwingen tot het dulden van ontuchtige handelingen in de zin van art. 246 Sr Pro blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd.
tweede middelbehelst de klacht dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden.