Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
Begripsomschrijvingen
Wijze van meten
Verspreide bebouwing klasse C
Voorerf klasse A
Bermen, openbaar groen of plantsoen
1 Ons verzoek
2.Bestemmingsplan en bestemmingsplan eisen
1.Het bestemmingsplan geeft in principe duidelijke richtlijnen
3.De ligging van de voorgevelrooilijn is niet eenduidig te bepalen
6.Gemeentelijk woonbeleid
Zienswijze 1, minimale breedte van bouwperceel 40 meter
Zienswijze 1” (voldoende oppervlakte, breedte en diepte bij voorgevelrooilijn aan de [c-straatzijde] )
2.De bestemmingsplanmethodiek geeft heldere uiteenzetting
3.Uw mail van 6 juni 2006 geeft geen nieuwe argumenten
1 maart 2009of zoveel eerder of later als partijen tezamen nader overeenkomen, ten overstaan van [het notariskantoor] B.V. (...) maar niet eerder dan dat er een stuk is waaruit blijkt dat de gemeente Brummen erkent ofwel dat het bestemmingsplan de bouw van een woning op het verkochte toelaat ofwel de gemeente Brummen haar medewerking heeft verleend aan de voorgenomen verschuiving van de voorgevelrooilijn waarna zij tot dezelfde bevestiging komt.
- xii) Op 4 oktober 2006 heeft [verweerder] ook het bestaande huis en de grond aan de [a-straat 1] verkocht aan [betrokkene 1] voor € 675.000,-. Levering heeft plaatsgevonden bij notariële akte van 1 november 2006, welke akte op dezelfde datum is ingeschreven in de openbare registers.
- xiii) Op 2 februari 2007 heeft [verweerder] een bouwvergunning aangevraagd voor de bouw op het perceel van een woning met oriëntatie op de [a-straat] .
- xiv) Bij brief van 12 juni 2007 heeft de gemeente [verweerder] onder meer bericht:
- xvi) Op 10 oktober 2007 heeft [verweerder] een vergunning aangevraagd voor de bouw op het perceel van een woning met oriëntatie op de [c-straat] .
- xvii) Bij e-mail van 5 november 2007 heeft de gemeente [verweerder] als volgt bericht:
- xix) Bij brief van 20 december 2007 van zijn advocaat aan de gemeente heeft [verweerder] bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
- xx) Bij besluit van 16 april 2008 hebben B&W het bezwaar ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd (hierna ook: de beslissing op bezwaar). Dit besluit was echter nog alleen gebaseerd op de weigeringsgrond dat het bouwperceel niet breed genoeg is. Op advies van hun commissie voor de bezwaarschriften hebben B&W de weigeringsgrond die gebaseerd was op de loop van de voorgevelrooilijn, laten vervallen. De commissie was van oordeel dat de loop van die lijn onduidelijk is en dat de onjuistheid van het standpunt van [verweerder] over die loop, onvoldoende was onderbouwd in het primaire besluit.
- xxiv) Bij notariële akte van 11 december 2008, opgemaakt tussen enerzijds [verweerder] en zijn echtgenote en anderzijds de gemeente, is door [verweerder] een perceel grond langs de [a-straat] , waarvan hij door verjaring eigenaar was geworden, aan de gemeente teruggeleverd tegen betaling van € 1,-, waarbij erfdienstbaarheden ten gunste van [verweerder] zijn gevestigd.
- xxv) [verweerder] heeft tegen de beslissing op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 18 februari 2009 ongegrond verklaard. Zij heeft onder meer overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat het bouwperceel, gevormd door de perceelsgedeelten met de bestemmingen “Verspreide bebouwing klasse C” en “Voorerf klasse A”, minder dan 40 meter breed is.
- xxvi) De hiervoor onder (xi) en (xii) genoemde [betrokkene 1] (de koper van zowel het bouwperceel als het perceel [a-straat 1] ) was bestuurder en enig aandeelhouder van Uitzendbureau Draco B.V. Deze vennootschap is op 23 april 2009 failliet verklaard.
- xxvii) [verweerder] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van 18 februari 2009. De Afdeling heeft bij uitspraak van 11 november 2009 het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en de beslissing op bezwaar van B&W vernietigd en B&W opgedragen een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling. De Afdeling heeft overwogen dat, gelet op de ruime omschrijving in de planvoorschriften van het begrip ‘bouwperceel’, er geen reden is om aan te nemen dat gronden met de bestemming ‘bermen, openbaar groen of plantsoen’ uitgesloten zijn van de berekening van de breedte van een bouwperceel en dat het feit dat op gronden met die bestemming geen gebouwen ten behoeve van de woonfunctie zijn toegelaten, niet betekent dat deze gronden niet kunnen worden meegenomen bij de berekening van de breedte van het bouwperceel. Voorts heeft de Afdeling vastgesteld dat uitgaande van deze betekenis van het begrip ‘bouwperceel’ het perceel van [verweerder] voldoende breed is en diens aanvraag van bouwvergunning in dat opzicht dus niet in strijd is met het bestemmingsplan.
- xxix) Bij besluit van 1 juli 2010 hebben B&W met toepassing van art. 19 lid 3 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO (oud)) aan [verweerder] vrijstelling verleend van het bestemmingsplan voor het uitbreiden van een woning op het bouwperceel met oriëntatie op de [c-straat] .
- xxx) Voor de bouw van een woning op het perceel met de oriëntatie aan de [a-straat] is uiteindelijk geen vrijstellings- of herzieningsprocedure doorlopen.
- xxxi) Bij e-mail van 23 mei 2012 heeft [verweerder] de gemeente onder meer bericht:
- xxxii) Bij brief van 10 juli 2013 van zijn advocaat heeft [verweerder] de gemeente aansprakelijk gesteld voor schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van de onrechtmatige weigering van de bouwvergunning bij het besluit van 14 november 2007.
- xxxiii) De raad van de gemeente heeft op 25 oktober 2012 het bestemmingsplan Wilhelminapark-Palisiumpark vastgesteld. Het bouwperceel is gelegen binnen de gebiedsaanduiding “Geluidzone – Industrie”. Op grond van artikel 17 van Pro de bij dat bestemmingsplan behorende regels is het niet toegestaan om in de geluidzone, waaronder dus het bouwperceel, woningen te bouwen.
- xxxiv) Een makelaar heeft de onderhandse verkoopwaarde (vrij van huur en gebruik) van het bouwperceel per 1 juli 2006 getaxeerd op € 450.000,-, per 1 januari 2010 op € 300.000,- en per 1 oktober 2014 op € 235.000,-. Een andere makelaar heeft de marktwaarde van het perceel per 31 maart 2015 getaxeerd op € 303.000,-.
voorfaseals volgt overwogen (cursiveringen in origineel):
NJ2012/340, ’s-Hertogenbosch/ […] :
Het gaat in deze zaak om de vraag of een gemeente onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft gegeven aan een belanghebbende, naar aanleiding van een door deze gedaan verzoek, over de mogelijkheden die haar regelgeving – in dit geval een bestemmingsplan – die belanghebbende biedt en of die gemeente om die reden onrechtmatig heeft gehandeld jegens de belanghebbende. Het antwoord op die vraag hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder in de eerste plaats de inhoud van het gedane verzoek en hetgeen de gemeente daaromtrent heeft moeten begrijpen, en de aard en inhoud van de door de gemeente in antwoord daarop gegeven inlichtingen en hetgeen de belanghebbende daaromtrent heeft moeten begrijpen. Eerst indien de belanghebbende in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs erop heeft mogen vertrouwen dat hem juiste en volledige inlichtingen met een bepaalde inhoud werden gegeven, kan plaats zijn voor het oordeel dat het verstrekken van die inlichtingen, indien deze onjuist of onvolledig zijn, onrechtmatig is jegens de belanghebbende en dat de gemeente deswege jegens de belanghebbende aansprakelijk is doordat deze door die onjuiste of onvolledige inlichtingen, kort gezegd, op het verkeerde been is gezet.’
moestworden verleend zonder dat een vrijstellingsprocedure nodig was. De in beide principebesluiten gegeven informatie is niet alleen onjuist, maar ook onvolledig. Zelfs nadat [verweerder] meermaals gemotiveerd en op juiste gronden had verzocht het eerste principebesluit te herzien, liet de Gemeente toetsing van zienswijze 1 volledig achterwege [het hof verwijst hier naar de hiervoor in 2.1 onder (x) geciteerde brief van de gemeente]. Onder deze omstandigheden mocht [verweerder] redelijkerwijs uit de standpunten van de Gemeente afleiden dat zij hem geen bouwvergunning zou verlenen voor een woning met oriëntatie op de [c-straat] en restte hem slechts nog de optie een vrijstellingsprocedure te doorlopen ten behoeve van een woning met oriëntatie op de [a-straat] , met de daarmee gepaard gaande kosten. Deze wijze van informatieverstrekking, waarbij de Gemeente bovendien in de voorbereidingsprocedure tegengestelde standpunten innam, zoals hierboven is uiteengezet onder meer ten aanzien van de breedte van het bouwperceel, acht het hof onrechtmatig, welk onrechtmatig handelen aan de Gemeente kan worden toegerekend. Door deze onjuiste en onvolledige informatie heeft de Gemeente [verweerder] op het verkeerde been gezet en hem op het spoor van een vrijstellingsprocedure voor een woning met oriëntatie op de [a-straat] gezet, terwijl hem een bouwvergunning met oriëntatie op de [c-straat] verleend had moeten worden. Het door [verweerder] gemotiveerd betwiste verweer van de Gemeente dat zij in de aan de principebesluiten voorafgaande besprekingen wel degelijk tegen [verweerder] heeft gezegd dat ook voor de bouwvergunningverlening voor een woning met een oriëntatie op de [c-straat] een vrijstelling of een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk was, maar dat zij om planologische redenen (verkeersveiligheid en stedenbouwkundige kwaliteit) hieraan geen medewerking wilde verlenen, doet niet aan het onrechtmatig handelen van de inhoud af. [verweerder] mocht immers, zoals hiervoor uiteengezet, op goede gronden op de inhoud van de (schriftelijke) principebesluiten afgaan. Bovendien is ook dat standpunt van de Gemeente onjuist, omdat het door [verweerder] ter beoordeling voorgelegde bouwplan met oriëntatie op de [c-straat] , zoals gepresenteerd in de brieven van 16 februari 2006 en 30 april 2006, niet in strijd met het bestemmingsplan was.
beroep op verjaringongegrond geoordeeld:
Gemeenschappelijk recht, Deventer: Kluwer 2013:4.6.4.1).”
kosten voor de ruimtelijke onderbouwing(zie hiervoor in 2.5) heeft het hof alsnog niet toewijsbaar geoordeeld. Het heeft daarover overwogen:
de notariskosten en de advocaatkosten in de voorfase(zie hiervoor in 2.5 en 2.6) heeft het hof, kort gezegd, het oordeel van de rechtbank onderschreven. Met betrekking tot de notariskosten heeft het overwogen:
lagere verkoopprijsvan het bouwperceel en het perceel [a-straat 1] aan [betrokkene 1] (zie hiervoor in 2.7), is het hof tot een ander oordeel gekomen dan de rechtbank. Het heeft daarover overwogen:
advocaatkosten in de bezwaarfase en in de beroepsfaseheeft het hof, anders dan de rechtbank (zie hiervoor in 2.9 en 2.10), niet toewijsbaar geoordeeld. Daarover heeft het overwogen:
schade door vertraging erkenning als bouwperceel), heeft het hof als volgt overwogen:
extra hypotheeklastendie hij daardoor heeft moeten betalen (rov. 5.17, laatste alinea, van het eerste tussenarrest). Die vordering heeft het hof niet toewijsbaar geoordeeld met de volgende overwegingen:
een korting van 20% toegepast op de taxaties van de deskundige. Het heeft het hiervoor in 2.22 genoemde betoog van de gemeente verworpen. Het hof heeft overwogen:
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het principale beroep
Subonderdeel 1.1voert aan dat de door het hof in rov. 5.8 toegepaste regel over het aanvangstijdstip van de verjaringstermijn bij besluitaansprakelijkheid van het arrest Talma/Friesland niet geldt voor het handelen van het bestuursorgaan in de voorfase. De onrechtmatigheid van dergelijk handelen kan volgens het subonderdeel direct aan de burgerlijke rechter worden voorgelegd. Daarvoor behoeft de belanghebbende niet eerst het oordeel te vragen van de bestuursrechter, wat de ratio vormt van het arrest Talma/Friesland. Het hof heeft evenmin vastgesteld dat een onzelfstandig karakter van het handelen daaraan in de weg heeft gestaan. De verwijzing door het hof in rov. 5.8 naar art. 8:93 sub a Awb Pro maakt dit volgens het subonderdeel niet anders, omdat dit artikel niet van toepassing is op een procedure bij de burgerlijke rechter, de wetgever daarmee slechts heeft beoogd geldend recht te codificeren en dit artikel niet van toepassing is op schade veroorzaakt door een besluit dat werd bekendgemaakt of een handeling die werd verricht voor het tijdstip waarop titel 8.4 Awb in werking is getreden.
enheeft verzocht het eerste principebesluit te herzien (gronden in meervoud, dus niet alleen wat betreft de eis van de perceelsbreedte, maar ook wat betreft de loop van de voorgevelrooilijn).
subonderdeel 2.1. Dit subonderdeel betoogt dat het oordeel van het hof in rov. 5.5 dat de gemeente [verweerder] door de onjuiste en onvolledige informatie op het verkeerde been heeft gezet en hem op het spoor van een vrijstellingsprocedure voor een woning met oriëntatie op de [a-straat] heeft gezet, onbegrijpelijk is, omdat de gemeente heeft aangevoerd dat [verweerder] niet daadwerkelijk door de informatie van de gemeente op het verkeerde been is gezet, omdat hij ervan overtuigd was dat zijn uitleg van het bestemmingsplan de juiste was. Tussen de gemeente en hem was sprake van een ‘agree to disagree’ met betrekking tot die uitleg. Het subonderdeel voert onder 2.1.1 aan dat de gegrondbevinding ervan ook de beslissing van het hof in rov. 5.18 van het eerste tussenarrest aantast, waar het hof oordeelt dat als gevolg van het eerste onrechtmatige principebesluit van de gemeente [verweerder] te maken kreeg met vertraging in het kunnen uitvoeren van zijn bouwplannen. Het subonderdeel stelt dat als [verweerder] zich door hetgeen in het principebesluit is vermeld, niet ervan heeft laten weerhouden om een aanvraag om een bouwvergunning in te dienen, het principebesluit ook niet tot vertraging heeft geleid.
in het algemeenen niet specifiek betrekking heeft op inlichtingen die met het oog op een eventueel te verlenen vergunning worden gegeven. Dat arrest is dus voor deze zaak niet alles bepalend, met name niet wat betreft de daarin voorkomende passage dat de belanghebbende door de verkeerde inlichtingen
op het verkeerde been moet zijn gezet. Dat het hof, zoals hiervoor weergegeven, het onrechtmatig heeft geoordeeld dat de gemeente [verweerder] in het verkeerde spoor heeft gezet met haar opstelling, ook als [verweerder] wist dat die opstelling onjuist was, geeft naar ik meen geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De overweging van het hof in de hiervoor geciteerde derde zin van p. 20 van het eerste tussenarrest dat “de Gemeente [verweerder] op het verkeerde been [heeft] gezet” moet m.i. worden begrepen in de zin van ‘in het verkeerde spoor gezet’. Althans is die overweging, zo deze letterlijk wordt gelezen, niet dragend voor het oordeel van het hof.
Onder 2.2.1betoogt het subonderdeel dat het oordeel van het hof dat achteraf is gebleken dat de informatie in beide principebesluiten onjuist was omdat een oriëntatie richting de [c-straat] volgens de Afdeling mogelijk was en langs die weg zelfs een bouwvergunning moest worden verleend zonder dat een vrijstellingsprocedure nodig was, onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is. Bij deze klacht wordt aangevoerd dat de gemeente erop heeft gewezen dat:
al vergunde bouwplanvan [verweerder] . [37] Anders dan de klacht onder 2.2.3 van het subonderdeel wil, staat in dat besluit bovendien niet (iets) te lezen (waaruit volgt) dat de visie van [verweerder] voor wat betreft de ligging van de voorgevelrooilijn langs de [a-straat] onjuist is.
restitutio in integrum). De schade die een benadeelde lijdt als gevolg van een fout van een ander dient in beginsel volledig te worden vergoed. Maar ook niet meer dan dat. Voor ‘overcompensatie’ is geen plaats. Bij dit uitgangspunt past dat schade concreet wordt berekend c.q. begroot, dat wil zeggen zonder te abstraheren van bepaalde feiten of omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de schadebegroting. Voor de onderhavige zaak betekent dit dat pas ná verkoop en levering van het bouwperceel door [verweerder] kan worden vastgesteld of en, zo ja, hoeveel schade [verweerder] als gevolg van onrechtmatig handelen van de gemeente heeft geleden en of deze schade aan de gemeente kan worden toegerekend dan wel geheel of gedeeltelijk voor rekening van [verweerder] zelf moet blijven.
per saldo. [verweerder] kon op geen moment aanspraak maken op het bedrag van de initiële waardedaling – dat valt althans niet in zien en het hof zegt dat ook niet – en van een vertraging in de betaling van een geldsom als bedoeld in art. 6:119 BW Pro is dus geen sprake.
. [44] In dat arrest is overwogen:
als gevolg van de onrechtmatige opstelling van de gemeente. Niet valt in te zien dat en waarom daarvan sprake is geweest. Met de verlening van de bouwvergunning stond immers weer met zekerheid vast dat sprake is van bouwperceel en had het perceel dus zonder meer de waarde daarvan. Dat de prijzen inmiddels door de crisis waren gedaald en de waarde was gedaald, had zich ook zonder de onrechtmatige opstelling van de gemeente voorgedaan. Iets anders is, als al gezegd, dat [verweerder] door die onrechtmatige daad de mogelijkheid is ontnomen het perceel nog te verkopen op een gunstig moment, dus vóór de crisis. Daarop is zijn vordering ook gebaseerd, blijkens de vaststelling van het hof in rov. 5.17 van het eerste tussenarrest, maar dat geldt dus niet voor de beslissing van het hof, zoals hiervoor in 3.20 al opgemerkt.
8
4.Bespreking van het cassatiemiddel in het incidentele beroep
productie 136 bij memorie van antwoord in het incidenteel appel, waarbij productie 27 bij de inleidende dagvaarding opnieuw is overgelegd. [59] Als al gezegd wordt uit die productie in het geheel niet duidelijk welke kosten of uren op welke grond worden gevorderd en welke daarvan zijn begrepen in de gevorderde bedragen. Het enige dat daaruit blijkt, is dat sommige uren daarvan zijn doorgehaald. Een toelichting of verduidelijking ontbreekt, althans wordt in het middel niet genoemd. [60] Het gaat dus om het spreekwoordelijke ‘zoekplaatje’. Aan de in het subonderdeel genoemde stelling kon het hof daarom zonder motivering voorbijgaan, als zijnde niet naar behoren toegelicht en onderbouwd.
Subonderdeel 3.1klaagt dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, mede in het licht van het uitgangspunt bij de bepaling van de schadevergoeding dat de gelaedeerde zoveel mogelijk in de positie moet worden gebracht waarin het schadeveroorzakende feit zich niet heeft voorgedaan. Het hof heeft volgens het subonderdeel miskend dat de schade als gevolg van de betaalde hypotheeklasten niet is geleden als gevolg van het gemis van een geldbedrag gedurende een bepaalde periode, maar ten gevolge van een betalingsverplichting die rechtstreeks was verbonden met de eigendom van het bouwperceel en die is doorgelopen als gevolg van de onrechtmatige daad van de gemeente die erin resulteerde dat de verkoop van het bouwperceel geen doorgang vond. Door geheel te abstraheren van de daadwerkelijk betaalde hypotheekrente en aansluiting te zoeken bij een gefixeerde wijze van schadeberekening vanwege de te late betaling van een schadevergoeding, heeft het hof volgens het subonderdeel ten onrechte geen acht geslagen op de daadwerkelijk betaalde hypotheekbedragen bij de vaststelling van de schade van [verweerder] .
wat betreft het deel daarvandat als toerekenbaar aan het perceel voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen als een gevolg van het onrechtmatige handelen van de gemeente. In het licht van het feit dat die uitwerking, onderbouwing en toelichting inderdaad in het geheel niet door [verweerder] is gegeven – op de in subonderdeel genoemde plaatsen wordt ervan uitgegaan dat genoemde lasten in beginsel
in hun geheelvoor vergoeding in aanmerking komen, hetgeen een standpunt is dat niet alleen naar het oordeel van het hof, maar óók naar het subonderdeel zelf tot uitgangspunt neemt, niet juist is –, is dat oordeel niet onbegrijpelijk. Nu de oordelen van het hof erop neerkomen dat [verweerder] om deze reden niet aan zijn stelplicht heeft voldaan (in de zin van processuele motiveringsplicht) – omdat dus geheel onduidelijk is over welk deel van de gestelde kosten het gaat en waarom dat deel zou zijn toe te rekenen aan het perceel –, mocht het hof aan het in het subonderdeel genoemde bewijsaanbod voorbijgaan. [63]
reformatio in peiusook geldt voor het cassatieberoep. [64] Als dat verbod ook voor het cassatieberoep geldt, dan zouden de vorderingen van [verweerder] immers na verwijzing niet meer kunnen worden toegewezen tot een hoger bedrag dan het hof in zijn eindarrest heeft gedaan, behoudens voor zover de uitkomst van het door [verweerder] ingestelde cassatieberoep een verdergaande uitkomst in zijn voordeel kan rechtvaardigen.