ECLI:NL:HR:2018:2368

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 december 2018
Publicatiedatum
20 december 2018
Zaaknummer
17/05614
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 8 EVRMArt. 3:310 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in zaak over overheidsaansprakelijkheid identiteitsfraude

In deze zaak vordert eiser schadevergoeding van de Staat wegens overheidsaansprakelijkheid in verband met identiteitsfraude. De rechtbank Den Haag wees eerder vonnissen in het voordeel van de Staat, welke door het gerechtshof Den Haag werden bevestigd in een arrest van 29 augustus 2017.

Eiser stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het gerechtshof. De Hoge Raad verwijst naar de eerdere vonnissen en het arrest van het hof en overweegt dat de klachten van eiser geen aanleiding geven tot cassatie, mede gelet op artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en veroordeelt eiser in de proceskosten. Hiermee blijft de beslissing van het hof in stand dat de Staat niet aansprakelijk is voor de schade als gevolg van identiteitsfraude. De uitspraak bevestigt de toepassing van verjaring en de bescherming van artikel 8 EVRM Pro in deze context.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de kosten worden aan eiser opgelegd.

Uitspraak

21 december 2018
Eerste Kamer
17/05614
LZ/AR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser]
wonende te [woonplaats] ,
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. Y.E.J. Geradts,
t e g e n
de STAAT DER NEDERLANDEN
(Ministerie van Justitie en Veiligheid),
zetelend te Den Haag,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. G.C. Nieuwland.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de Staat.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/09/482313/HA ZA 15-155 van de rechtbank Den Haag van 20 mei 2015 en 17 februari 2016;
b. het arrest in de zaak 200.192.364/01 van het gerechtshof Den Haag van 29 augustus 2017.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor de Staat mede door mr. M.H.K. Jansen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 6.575,34,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. du Perron en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
21 december 2018.