Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
(Ministerie van Justitie en Veiligheid),
zetelend te Den Haag,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
21 december 2018.
Hoge Raad
In deze zaak vordert eiser schadevergoeding van de Staat wegens overheidsaansprakelijkheid in verband met identiteitsfraude. De rechtbank Den Haag wees eerder vonnissen in het voordeel van de Staat, welke door het gerechtshof Den Haag werden bevestigd in een arrest van 29 augustus 2017.
Eiser stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het gerechtshof. De Hoge Raad verwijst naar de eerdere vonnissen en het arrest van het hof en overweegt dat de klachten van eiser geen aanleiding geven tot cassatie, mede gelet op artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en veroordeelt eiser in de proceskosten. Hiermee blijft de beslissing van het hof in stand dat de Staat niet aansprakelijk is voor de schade als gevolg van identiteitsfraude. De uitspraak bevestigt de toepassing van verjaring en de bescherming van artikel 8 EVRM Pro in deze context.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de kosten worden aan eiser opgelegd.