Conclusie
ADVOCAAT-GENERAAL
1.Ten geleide
BNB2022/27, waarin vermogensaantastende heffing over niet-bestaand spaarrendement in strijd werd geoordeeld met het eigendomsgrondrecht en het discriminatieverbod, rijst de vraag of de onrealistisch hoge rekenrente in art. 3.29 Wet IB 2001 verenigbaar is met het eigendomsgrondrecht, gegeven dat ook het fiscaal deels negeren van wel degelijk bestaande ondernemingsverplichtingen leidt tot actuele belastingheffing over nog niet-bestaande winst waarvan niet vaststaat dat die behaald zal worden.
BNB2000/275 oordeelde u echter dat pensioen- en lijfrente-verplichtingen voortaan gewaardeerd moesten worden op basis van de (toen nog structureel hogere) marktrente voor langlopende leningen, waarmee een maximumwaarderingsregel voor pensioen-verplichtingen in eigen beheer werd gesteld die kennelijk gebaseerd was op het realiteitsbeginsel van goed koopmansgebruik ten koste van het tot dan toe preponderanter voorzichtigheidsbeginsel.
BNB2016/14 oordeelde u dat waardering van pensioenverplichtingen met inachtneming van de wettelijke rekenrente ad 4% zowel het realiteitsbeginsel als het voorzichtigheidsbeginsel schendt als de marktrente structureel lager is, maar dat de wetgever onder ogen heeft gezien dat de in de markt gebruikelijke rekenrente lager kan zijn dan 4% zonder dat dit tot aanpassing van de wettekst heeft geleid. In het berechte geval leidde toepassing van art. 3.29 Wet IB 2001 tot het onredelijke resultaat dat onmiddellijk na de (zakelijke) overname van een pensioenverplichting een deel van de (commercieel bepaalde) verplichting waarop de overnamesom was gebaseerd, belast vrijviel in de fiscale winst. De annotatoren leidden uit dit arrest af dat u geen ruimte zag voor de rechter om dit onredelijke resultaat te voorkomen en dat de wetgever dus aan zet was. In de daarop volgende zaken HR
BNB2016/50 en HR
BNB2017/5 bleef u bij de in HR
BNB2016/14 uitgezette lijn, ook al zette de literatuur na HR
BNB2016/14 vraagtegens bij het juridische bestaansrecht en de wenselijkheid van een minimum rekenrente voor waardering van pensioenverplichtingen. In deze drie arresten deden de belanghebbenden geen beroep op het eigendomsgrondrecht van art. 1 Protocol Pro I EVRM. In de zaken waarop deze bijlage ziet, wordt dat beroep wel gedaan.
BNB2022/27, dat inhoudt dat de sinds 2017 geldende box 3-heffing over verondersteld vermogensrendement op basis van een fictieve vermogenssamenstelling en een fictief rendement de ex art. 1 Protocol Pro I EVRM vigerende
fair balanceschendt tussen het eigendomsgrondrecht van individuele spaarders en het publieke belang van de overheid bij belastinginkomsten.
possession) is en bij bevestigende beantwoording of inbreuk is gemaakt op die eigendom (
interference). Is dat het geval, dan moet beoordeeld worden of die inbreuk is voorzien bij de wet (
lawful) en een gerechtvardigd doel in het algemeen belang nastreeft (
legitimate aim), en tenslotte of een redelijk evenwicht (
fair balance) is getroffen tussen het met de inbreuk nagestreefde doel en de bescherming van de fundamentele rechten van de individu.
Optim and Industerre v. Belgium [1] dat, hoewel de klagers gerechtvaardigd verwacht hadden dat hun uit de wet voortvloeiende belastingschuld door verjaring zou vervallen, zij geen eigendom in de zin van art. 1 Protocol Pro I hadden, omdat nog een procedure liep over de omvang van de belastingschuld waardoor die schuld nog niet vaststond en niet geëxecuteerd kon worden.
possessionals aan een voorwaarde voor gerechtigdheid wordt voldaan, bijvoorbeeld doordat de aanspraak of verwachting is gebaseerd op een wettelijke bepaling of een rechterlijk oordeel. De gerechtvaardigde verwachting moet hebben bestaan dat het effectieve genot van eigendom zou zijn verworven als de overheidsinbreuk niet zou hebben plaatsgevonden.
possession, dan moet beoordeeld worden of de overheid daarop inbreuk heeft gemaakt. Het EHRM onderscheidt drie soorten inbreuken: (i) ontneming van eigendom, (ii) regulering of beperking van eigendom en (iii) overige inbreuken. Belastingheffing is steeds een inbreuk op het eigendomsrecht van de belastingplichtige en wordt meestal gezien als regulering of beperking van eigendom.
illegitimategenoemd kan worden, gaat het in de drie cassatieberoepen waarop deze bijlage ziet vooral om twee vragen: (i) leidt de bewuste fiscale onderwaardering van pensioenverplichtingen tot de aantasting van een ‘existing possession’ of een ‘legitimate expectation’ van de belastingplichtige, en zo ja: (ii) treft die aantasting van eigendom een
fair balancetussen private eigendom en budgettair overheidsbelang?
BNB2018/126 [2] over de beperking in 2007 van de tot dan toe onbeperkte voorwaartse fiscale verliesverrekening tot negen jaar, waardoor de belanghebbende in die zaak € 135.524 aan verrekenbare verliezen kwijtraakte. Hij achtte dat een schending van zijn
legitimate expectationvan toekomstige lagere heffing door onbeperkte
carry forwardvan zijn oude verliezen omdat de verliezen bij onherroepelijke beschikking waren vaststeld. U heeft de vraag of de op die beschikkingen gebaseerde verwachting van onbeperkte verliesverrekening een
possessionis ex art. 1 Protocol Pro I EVRM niet zichtbaar beantwoord, maar geoordeeld dat de wetgever binnen zijn
wide margin of appreciationwas gebleven en de
fair balancedus niet had geschonden omdat burgers er niet op kunnen vertrouwen dat belastingwetgeving ongewijzigd blijft en dus ook niet dat eens ingevoerde onbeperkte verliesverrekening altijd zal blijven bestaan. Bovendien vestigden de verliesvaststellingsbeschikkingen volgens u geen onvoorwaardelijk recht op verrekening, maar strekten zij slechts tot zekerheid over de omvang van het verlies van het desbetreffende jaar. Dit oordeel is vaag omdat het eerste argument impliceert dat de verwachting van onbeperkte verliesverrekening wél een
possessionwas, terwijl het tweede argument impliceert dat die verwachting géén
possessionwas omdat de basis van de verwachting – de verliesvaststellingsbeschikking – niet zou strekken tot het toekennen van rechten.
fair balancede effecten van de gewraakte belastingheffing beziet in samenhang met de gehele financiële situatie van de betrokkene, inclusief eventuele effecten in latere jaren.
interferencein een
possessionvan de belanghebbenden waarbij een
fair balanceontbreekt.
2.De wet
junctohet Besluit winstbepaling en reserves verzekeraars). Omdat, tenslotte, werkgevers met een onderbrengingsverplichting ingevolge de Pensioenwet 2007 per definitie de pensioen-verplichtingen jegens hun werknemers elders moeten onderbrengen, treft art. 3.29 Wet IB 2001 in feite alleen pensioenverplichtingen in eigen beheer. [3] Geen van de drie dga’s in de drie zaken waarop deze bijlage ziet, zat bij een verplicht bedrijfstakpensioenfonds, zodat de Pensioenwet mijns inziens in geen van de drie zaken relevant is, al haalt de belanghebbende in zaak 22/01773 die wet wel aan.
BNB2016/14 [4] (zie 3.6 hieronder). Ik vat die achtergrond en totstandkomingsgeschiedenis als volgt samen. Het doelvermogen om toezegging van toekomstig pensioen te kunnen nakomen moet worden toegerekend aan de werkzame jaren van de pensioengerechtigde. [5] Vóór de invoering in 1995 van art. 9b Wet IB 1964 werd vaak lineair toegerekend, i.e. het doelvermogen werd tijdsevenredig over die jaren verdeeld zonder rekening te houden met tussentijds beleggingsresultaat (een rentefactor) en sterftekansen. [6] Dat was wel heel voorzichtig, maar niet heel realistisch. Met art. 9b Wet IB 1964 werd de lineaire methode afgeschaft (actuariële grondslagen werden verplicht) en werd een minimum-rekenrente ingevoerd, omdat initiatief-wetsvoorstellers budgettaire dekking hadden voor de door hen gewenste afschaffing van de vermogensbelasting op ondernemingsvermogen. De politieke achtergrond van art. 9b Wet IB 1964 is dus puur budgettair. [7] De (initiatief-)wetgever heeft toen kennelijk niet stilgestaan bij de mogelijkheid dat de marktrente onder de 4% zou kunnen zakken. Bij de ongewijzigde overzetting van art. 9b Wet IB 1964 in art. 3.29 Wet IB 2001 is de regering wel op die mogelijkheid gewezen, maar is zij ongemotiveerd voorbijgegaan aan het gegeven dat de verzekeringsbranche toen al met een lagere marktrente rekening hield. De regering wenste ‘voor de duidelijkheid’ een ‘concrete invulling’ te geven. [8]
3.Rechtspraak en literatuur over de minimum rekenrente in art. 3.29 Wet IB 2001
BNB2000/275, [21] inhoudende dat pensioen- en lijfrenteverplichtingen voortaan gewaardeerd moesten worden op basis van de marktrente op langlopende leningen. U overwoog:
BNB2000/275:
BNB2000/275, toen men nog 6% op staatsobligaties ontving, en de hieronder te behandelen rechtspraak vanaf HR
BNB2016/14, over de post-kredietcrisis-era met zeer lage tot negatieve rentestanden, verwijs ik naar onderdeel 8 van de conclusie voor HR
BNB2016/14.
BNB2016/14 [24] betrof een pensioenlichaam dat voor € 1.903.753 een pensioenregeling had overgenomen van haar moedervennootschap. Dat bedrag omvatte een netto overnamevergoeding van € 1.883.53 en een kostenopslag van € 20.000. De overnamevergoeding was berekend op basis van 3,23% rekenrente. De marktconformiteit van een en ander stond niet ter discussie. De belanghebbende waardeerde de pensioenverplichting - dus, uiteraard - op het bedrag van de door haar ontvangen overnamevergoeding. De Inspecteur stelde echter onder meer dat art. 3.29 Wet IB 2001 ertoe noopte de pensioenverplichting te waarderen op basis van een rekenrente van ten minste 4%, hetgeen ertoe zou leiden dat een aanzienlijk deel van de ontvangen overnamesom meteen belast zou worden als gevolg van de vrijval van hetzelfde deel van de pensioenverplichting. Het Hof stelde de Inspecteur op dit punt in het gelijk;
dura lex sed lex.
preBNB 2000/275) of voor realiteit (
postBNB 2000/275) en kunnen beide keuzen stroken met zowel goed koopmansgebruik (afhankelijk van welk beginsel prevaleert) als met art. 3.29 Wet IB 2001 (de voorzichtige rekenrente is immers minstens 4%). Is de marktrente echter lager dan 4% (zoals al jaren structureel het geval is en nog wel even het geval zal blijven), dan is met goed koopmansgebruik slechts in overeenstemming waardering van pensioenverplichtingen op basis van ofwel die lagere marktrente (realiteitsbeginsel) ofwel een nóg lagere rente (voorzichtigheidsbeginsel). Een rekenrente lager dan 4% is echter niet in overeenstemming met art. 3.29 Wet IB 2001, zodat niet tegelijk aan zowel art. 3.25 als aan art. 3.29 Wet IB 2001 voldaan kan worden en de vraag rijst welke bepaling bij conflict voorrang heeft.
carry backtermijn [28] te lijden verliezen. Alsdan is er wél een (onredelijk) totaalwinsteffect. Dit is echter wellicht eerder toe te schrijven aan die temporeel beperkte verliescompensatie dan aan de werking van de artt. 3.29 Wet IB 2001 en 8(6) Wet Vpb.
artikel 8, lid 6, tweede volzin, van de Wet Vpb 1969. Ook bij de invoering van die bepaling heeft de wetgever voorzien dat de bepaling kan leiden tot een voorziening die lager is dan deze zou zijn bij toepassing van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen.
artikel 3.29Wet IB 2001 en
artikel 8, lid 6, van de Wet Vpb 1969 buiten toepassing moeten blijven wegens strijd met goed koopmansgebruik of met de bedoeling van de wetgever.”
BNB2016/14) concludeerde dat u geen ruimte zag om de hardheid die art. 3.29 Wet IB 2001 veroorzaakt bij kapitaalmarktrente beneden 4% weg te nemen. Hij vroeg zich af die hardheid mogelijk wél bestreden kan worden als het niet om
timing-verschillen gaat, maar om hardheden die hun oorzaak vinden in ‘slechte’ grondslagen:
V-N2015/52.12concludeerde dat de wetgever de discrepantie tussen de wettelijk voorgeschreven minimale rekenrente van 4% en de doorgaans lagere marktrente moest aanpakken:
V-N2015/10.14had de redactie het volgende opgemerkt:
NTFRB2016/5) achtte deze uitkomst even onbevredigend als juridisch correct:
FED2015/100:
BNB2016/50 [32] ging het om een belanghebbende die de pensioenverplichting jegens haar enige aandeelhouder uitvoerde. De pensioeningangsdatum was 1 oktober 2012. Per 1 januari 2009 was de feitelijke leiding van de belanghebbende verplaatst van Curaçao naar Nederland, waardoor de belanghebbende onbeperkt binnenlands belastingplichtig werd. Bij het vaststellen van de aanslag Vpb 2008/2009 liet de Inspecteur een deel van de pensioenverplichting belast vrijvallen, nl. het verschil tussen de waarde in het economische verkeer van de pensioenverplichting per 1 januari 2009 en de waarde van de pensioenverplichting per 28 februari 2009, het eind van het eerste boekjaar. Bij de waardering van de pensioenvoorziening op de balans per 1 januari 2009 was een leeftijdterugstelling van vijf jaar en een rekenrente van 3,9% in acht genomen; de voorziening op de eindbalans van het eerste boekjaar werd door de Inspecteur vastgesteld zonder leeftijdsterugstelling en op basis van 4% rekenrente. In geschil was of de Inspecteur terecht de pensioenvoorziening deels belast had laten vrijvallen. Het Hof meende van niet omdat art. 3.29 Wet IB 2001 en art. 8(6) Wet Vpb 1969 slechts zien op mutaties van pensioenverplichtingen die zich in een bepaald jaar voordoen, en niet op de eindbalanswaardering van het eerste jaar van pensioenverplichtingen die in de openingsbalans worden gewaardeerd tegen de waarde in het economische verkeer. U casseerde, verwijzende naar HR
BNB2016/14 (zie 3.6 hierboven):
NTFR2016/330 vraagtekens bij de redelijkheid van de uitkomst:
BNB2017/5 [34] betrof een BV aan wier dga in verband met de beëindiging van een eerdere dienstbetrekking van die dga bij een derde een vergoeding door die derde was toegekend wegens inkomensderving. Die vergoeding werd in de belanghebbende ingebracht als koopsom voor een stamrecht. In de stamrechtovereenkomst had de dga drie uitkeringen van de belanghebbende bedongen. Ultimo 2009 waren twee van deze uitkeringen geëindigd en resteerde een levenslange uitkering van € 15.963 per jaar, ingaande op de 65ste verjaardag van de dga in 2015, na zijn overlijden uit te betalen aan diens partner tot haar overlijden. De belanghebbende had op haar eindbalans 2009 de stamrechtverplichting gepassiveerd voor € 243.266, actuarieel berekend op basis van een rekenrente 3%. De Inspecteur waardeerde de verplichting echter op basis van de in art. 3.29 Wet IB 2001 voorgeschreven rekenrente ad 4% slechts op € 210.999. Het Hof meende dat ook op het moment van het aangaan van de stamrechtverplichting moet worden uitgegaan van art. 3.29 Wet IB 2001 in samenhang met art. 8(6) Wet Vpb 1969, waardoor ook op dat moment moet worden uitgegaan van een waardering ad € 210.999. Volgens het Hof bestaat dan geen grond voor gedeeltelijke vrijval van de stamrechtverplichting in de periode tussen het aangaan van de verplichting en het einde van het jaar. Op het cassatieberoep van de Staatssecretaris oordeelde u echter anders:
V-N2016/53.14 achtte (ook) dit effect van art. 3.29 Wet IB 2001 onbevredigend:
FutD2016-2471) merkt op dat niet van belang is dat 4% rekenrente niet strookt met de marktrente, omdat zich geen totaalwinstprobleem voordoet:
BNB2016/14 (zie 3.6 hierboven) vermeldde al dat de literatuur vraagtegens plaatste bij het bestaansrecht en de wenselijkheid van een eenzijdige minimum rekenrente [35] omdat bij de invoering van de Wet IB 2001 een marktrentepercentage van 4% al discutabel was en actuarieel in sommige gevallen al met 3% werd gerekend. [36] Dieleman [37] noemt als argumenten tegen waardering van pensioen in eigen beheer op basis van 4% rekenrente werden genoemd: (i) die regel tot gevolg heeft dat pensioenverplichtingen lager worden gewaardeerd dan hun waarde in het economische verkeer en de pensioenopbouw ontoereikend is om de toegezegde ouderdoms- en partnerpensioenverplichtingen na te komen (ii) 4% rekenrente voor pensioen in eigen beheer niet aansluit bij de wens van de wetgever om dga-pensioenen aan te doen sluiten bij wat voor bij verzekeraars ondergebrachte pensioen gangbaar is, en (iii) een verplichte 4% rekenrente waardeoverdracht kan belemmeren.
BNB2016/14:
Algemene opmerkingen
BNB2016/14 (zie 3.6), HR
BNB2016/50 (zie 3.11) en HR
BNB2017/5 (zie 3.13) werd geen beroep gedaan op het eigendomsgrondrecht in art. 1 Protocol Pro I EVRM en destijds was het box 3-arrest HR
BNB2022/27 [51] (zie 4.22 hieronder) nog niet gewezen. In de zaken waarop deze bijlage ziet, wordt thans wel dat grondrecht ingeroepen. De vraag is of dat tot een andere uitkomst dan in HR
BNB2016/14 kan leiden, mede gezien het inmiddels gewezen box 3 arrest.
possessionsin de officiële Engelse of
biensin de officiële Franse tekst van artikel 1 Eerste Pro Protocol). Zo ja, dan moet de vraag worden beantwoord of er een inbreuk (
interference) wordt gemaakt op die eigendom. Zo ja, dan moet worden beoordeeld of de inbreuk gerechtvaardigd is. Daarvoor is vereist dat de inbreuk (i) is voorzien bij de wet, (ii) die wet een legitieme doestelling in het algemeen belang nastreeft, en (iii) er een redelijk evenwicht is getroffen tussen de eisen van het algemeen belang en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu. Deze drie eisen staan bekend als respectievelijk de
lawfulness-toets, de
general interest-toets en de
fair balance-toets. Als het EHRM één van de eerste twee vragen uit het schema ontkennend beantwoordt, kan geen beroep worden gedaan op artikel 1 Eerste Pro Protocol. Is wel sprake van een aantasting van een possession en is aan één van de drie rechtvaardigingseisen niet voldaan, dan staat vast dat het eigendomsgrondrecht is geschonden. De andere eisen hoeven dan in beginsel niet onderzocht te worden.
possession, dan moet beoordeeld worden of de overheid daarop inbreuk heeft gemaakt. Het EHRM onderscheidt, zoals uit het geciteerde overzicht van Gerverdinck blijkt, drie soorten inbreuken: (i) ontneming van eigendom, (ii) regulering of beperking van eigendom en (iii) overige inbreuken. Belastingheffing is steeds een inbreuk op het eigendomsrecht van burgers en valt meestal onder regulering of beperking van eigendom.
lawfulnessis voldaan, en diens weliswaar puur budgettaire doelstelling niet
illegitimategenoemd kan worden in het licht van het algemene belang, gaat het in de drie cassatieberoepen waarop deze bijlage ziet vooral om twee vragen: (i) leidt de wettelijk verplichte fiscale onderwaardering van pensioenverplichtingen tot de aantasting van een ‘existing possession’ of een ‘legitimate expectation’ van de belastingplichtige pensioen-BV’s of van hun dga’s, en zo ja: (ii) slaat die aantasting van eigendom een
fair balancetussen het private eigendomsgrondrecht en het budgettaire overheidsbelang?
Molla Sali v. Greece [54] overwoog het EHRM:
Gratzinger and Gratzingerova v. Czech Republic [55] onderscheidt het EHRM twee soorten bezittingen in de zin van art. 1 Protocol Pro I EVRM: (i) ‘existing possessions’ en (ii) ‘assets, including claims, in respect of which an applicant can argue that he has at least a “legitimate expectation” that they will be realised.’ [56] Harris e.a. [57] merken daarover op:
claimvoldoende vast moet staan volgt onder meer uit de zaak
Optim and Industerre v. Belgium, [72] die de - voor de belanghebbenden ongunstige - wijziging van de verjaring van belastingschulden betrof
.Het EHRM oordeelde dat hoewel zij gerechtvaardigd mochten verwachten dat hun uit de wet voortvloeiende belastingschulden door verjaring zouden vervallen, ook die belastingschulden zelf voldoende vast moeten staan. Dat was volgens het Hof niet het geval, waardoor hen op dat punt geen eigendomsrecht in de zin van art. 1 Protocol Pro I toekwam. Doordat de (hoogte van de) belastingschulden voor de rechter werd(en) betwist, stonden zij niet vast en konden zij kennelijk evenmin geëxecuteerd worden. De volgens de belanghebbenden van hen ontnomen schuldverjaring zag daarom volgens het Hof slechts op
potentiëleschulden (“dettes fiscales potentielles”): [73]
BNB2022/8, [78] over de terugwerkende afschaffing van de mogelijkheid om bij onjuiste premiesectorindeling de inspecteur die indeling tot vijf jaar terug te doen corrigeren. Omdat correcte premiesectorindeling volgens de wetgever ‘van rechtswege’ plaatsvindt en de Inspecteur daarvoor verantwoordelijk is, ging het bij de aanspraak van de belanghebbende op correcte sectorindeling volgens u inderdaad om een eigendomsrecht dat met terugwerkende kracht werd beknot. U overwoog:
Ramaer and Van Willigen v. Netherlands [79] betrof een wijziging in de Nederlandse ziekte-kostenverzekeringswetgeving waardoor de positie van niet-ingezeten gepensioneerde verzekerden erop achteruit ging omdat zij zich moesten aansluiten bij de basisverzekering in hun woonland in plaats van Nederland en aanvullende verzekering voor eigen rekening moesten nemen. Het EHRM oordeelde dat de verwachting of wens dat hun oude verzekeringscontract zou worden voortgezet, geen
possessionwas en dat hen evenmin een
possession[was ontnomen] doordat hen een reeds ontstane vergoedingsaanspraak uit de oude verzekering zou zijn ontnomen (zij waren kennelijk in goede gezondheid, want zij hadden kennelijk niets geclaimd onder de verzekering dat gekort of ontnomen zou hebben kunnen zijn, of die
claimswerden nog onder het oude contract afgewikkeld):
Whether there was a “possession”
ex legeas from 1 January 2006, to the extent that rights could be derived from them equivalent to those to which they were entitled from that date by the application of Council Regulation (EEC) No. 1408/71 (section 2.5.2(2) of the Health Care Insurance Act (Introduction and Adaptation) Act, (…)). In consequence, to that extent their entitlements were extinguished, as indeed was the corresponding obligation to pay premiums to their insurers.
possession. Hetzelfde geldt als een voorwaarde voor gerechtigdheid verloopt doordat de gerechtigde verzuimt de voor voortduring ervan vereiste handelingen te verrichten, maar hetzelfde geldt niet als een reeds ontstane gerechtigdheid later door de overheid wordt ingetrokken. Het feit dat een recht ingetrokken kan worden, ontneemt dat recht niet zijn eigendomskarakter.
Grobelny v. Poland [80] betrof de intrekking, gedurende 21 maanden, van een arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat de betrokkene toch niet zo arbeidsongeschikt zou zijn. Het EHRM overwoog:
Moskal v. Poland [81] ging over een moeder die na 30 jaar haar baan had opgezegd nadat haar een vroegpensioen was toegekend om voor haar hulpbehoevende 7-jarige zoon te zorgen. De overheid trok het vroegpensioen echter na tien maanden in omdat zoon volgens die overheid toch geen permanente zorg nodig had. Polen stelde dat van een
possessiongeen sprake was, nu achteraf was komen vast te staan dat mevrouw Moskal geen recht had op het vroegpensioen. Het EHRM overwoog onder meer dat als een Staat een sociale-zekerheidssysteem heeft dat van rechtswege (‘as of right’) rechten toekent aan personen die aan de wettelijke voorwaarden voldoen, dat systeem een ‘proprietary interest’ genereert dat onder art. 1 Protocol Pro I valt voor personen die aan de wettelijke eisen voldoen:
proprietary interesten daarmee een
possessionhadden als zij aan de voorwaarden (teveel betaalde premie als gevolg van een andere indeling dan die van rechtswege) voldeden. Onder die voorwaarden valt niet het doen van een verzoek, nu het restitutierecht ‘van rechtswege’ (‘as of right’) uit de wet volgt doordat de werkgever werkzaamheden in een bepaalde sector heeft doen verrichten en de Inspecteur ook van ambstwege correct moet indelen.”
FED2022/66:
BNB2018/126, [82] betreffende een belanghebbende die per 31 december 2002 voor de heffing van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen beschikte over bij onherroepelijke beschikking door de Inspecteur vastgestelde verrekenbare verliezen ad € 135.524. Tot 2007 waren ondernemingsverliezen onbeperkt voorwaarts verrekenbaar. Op 1 januari 2007 is de
carry forwardechter bekort tot negen jaar. Het overgangsrecht hield in dat verliezen uit 2002 of eerder verrekenbaar bleven tot en met 2011. Op 1 januari 2012 waren verliezen uit 2002 of eerder dus niet meer verrekenbaar. De belanghebbende verloor daardoor € 135.524 aan verrekenbare verliezen die hij deels had willen gebruiken om af te zetten tegen zijn positieve inkomen 2012 uit werk en woning ad € 9.048. Hij achtte de
carry forwardbekorting in strijd met art. 1 Protocol Pro 1 EVRM. Daardoor rees de vraag of de verwachting van toekomstige verrekening van een bij onherroepelijke beschikking vastgesteld verrekenbaar verlies een
possessionis in de zin van art. 1 Protocol Pro I. U beantwoordde die vraag niet zichtbaar, maar wees het cassatieberoep van de belanghebbende af in het kader van een beoordeling van de vraag of de
fair balancetussen individueel belang en algemeen belang was gerespecteerd. U zie voor de relevante citaten 4.15 hieronder.
Fair balance
lawfulness(voorzienbaarheid, precisie en toegankelijkheid voor justitiabelen [83] ) van die bepaling, noch aan haar legitieme doel in het algemene belang, nu budgettaire dekking in de fiscale winstsfeer voor door de democratisch gekozen wetgever gewenste fiscaal-politieke desiderata ten gunste van ondernemers niet
manifestly devoid of reasonable foundation [84] is en binnen de
wide margin of appreciationvan de nationale wetgever ligt. Het komt dan dus aan op de vraag of de individuele effecten van die bepaling (dis)proportioneel zijn ten opzichte van dat legitieme budgettaire doel. [85]
fair balancetoets in belastingzaken concludeert Gerverdinck: [86]
wide margin of appreciationvoor de Staat in acht bij de beoordeling van de
legitimate aimen de
fair balancevan overheidsmaatregelen op die beleidsterreinen. De
fair balancewordt in eveneens vaste rechtspraak pas geschonden geacht als er een “individual and excessive burden” op een belastingplichtige wordt gelegd.
BNB2018/126 over de inkorting van de verlies
carry forwardtermijn van onbeperkt naar negen maanden achtte u de fair balance tussen private rechten en het algemene belang bij belastingopbrengst niet geschonden, waarbij u voorbijging aan de vraag of temporeel onbeperkte
carry forwardwel een
possessionis. U overwoog:
fair balanceis niet geschonden omdat burgers niet mogen vertrouwen op ongewijzigde handhaving van belastingregels en de wetgever binnen zijn
margin of appreciationis gebleven) impliceert dat de verwachting van onbeperkte verrekening van vastgestelde verliezen wél een
possessionwas waarop een (gerechtvaardigde) inbreuk is gemaakt, terwijl het tweede argument (de verliesvaststellings-beschikking is slechts administratief bedoeld) impliceert dat die verwachting géén
possessionwas omdat de basis van de verwachting – de beschikking – niet zou strekken tot een
proprietary interest.
possessionis in de zin van art. 1 Protocol Pro I EVRM. De redactie van
V-N2018/21.9 zag als mogelijke verklaring:
BNB2018/126) achtte het in het licht van uw eerdere rechtspraak ‘vreemd’ dat u niet expliciet de zaak afdeed op ontbreken van een
possession:
Indien al de aanspraak op verliesverrekening kan worden aangemerkt als een eigendom in de zin van deze verdragsbepaling, dan kan toch niet worden gezegd dat de wetgever door de beperking van dat recht op de vorenomschreven wijze daarop een ongeoorloofde inbreuk heeft gemaakt.”
Zo de (…) voorwaardelijke aanspraak op belastingvermindering al kan worden aangemerkt als eigendom in de zin van artikel 1 Protocol Pro 1 EVRM, kan niet worden gezegd dat de wetgever door de afschaffing van deze regeling op dit eigendomsrecht een ongeoorloofde inbreuk heeft gemaakt.”
fairbalance-toets was ook aan de orde in HR
BNB2022/25, [89] over een exploitant van een appartementencomplex op Bonaire. Aan die belanghebbende waren door de Gouverneur van de Nederlandse Antillen twee
tax holidaysverleend, onder meer inhoudende vrijstelling van de grond- en winstbelastingen voor zeven resp. vijf jaar te rekenen vanaf 1 januari 2008 resp. 1 januari 2007. De winstbelasting werd als gevolg daarvan geheven niet naar 15% maar naar 2%. De Nederlandse Antillen hielden echter op 10 oktober 2010 op te bestaan als staatkundige eenheid. Bonaire werd toen als openbaar lichaam in de zin van art. 134 Grondwet Pro onderdeel van de Nederlandse Staat. Op 1 januari 2011 trad een nieuw fiscaal stelsel in werking waardoor op Bonaire de grond- en winstbelasting van rechtswege vervielen. In plaats daarvan werden aan de belanghebbende voor 2011 en 2012 aanslagen opgelegd in de nieuwe vastgoed-belasting met eilandelijke opcenten naar het reguliere tarief van 15% van de voordelen uit een op de BES eilanden gelegen onroerende zaak (art. 4.1 Belastingwet BES). In geschil was of het verdwijnen van de
tax holidaysin strijd was met art. 1 Protocol Pro I EVRM. Het Hof had geoordeeld dat de belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat haar een individuele en buitensporige last was opgelegd, onder meer omdat in het nieuwe stelsel niet meer wordt geheven over verkoopwinst op het vastgoed, terwijl zulke verkoopwinst onder het oude stelsel wél belast zou zijn geweest met winstbelasting, zodat het nieuwe stelsel niet enkel nadelig was voor de belanghebbende. Op het daartegen gerichte middel overwoog u:
BNB2022/25:
FED2022/59) zet het arrest in de context van uw andere recente arresten over de vraag of zich een individuele en buitensporige last voordeed. Hij is kritisch op het arrest omdat het zijns inziens voorbijgaat aan de gegevens dat belastingen veelal over een tijdvak worden geheven en dat de toekomst onzeker is:
ECLI:NL:HR:2017:2517,
FED 2018/3), waarin de Hoge Raad voor de vraag of de belanghebbende werd getroffen door een individuele en buitensporige last van belang vond dat een waardevermeerdering van bezittingen pas in de toekomst kan worden gerealiseerd door verkoop van de desbetreffende bezitting. Dat oordeel was evenwel nog toegespitst op de strekking van box 3 (voor dit geval het belasten van ongerealiseerde vermogenswinst). Het onderhavige arrest lijkt meer principieel van aard te zijn, want de Hoge Raad geeft een regel die abstraheert van de litigieuze Bonairiaanse belastingwetgeving.
ECLI:NL:HR:2017:964,
FED 2017/116
ECLI:NL:HR:2021:1644).
ECLI:NL:HR:2018:511,FED 2018/110).
ECLI:NL:HR:2020:831,
FED 2020/141).
ECLI:NL:HR:2021:1047,
FED 2021/124).
V-N2021/51.15 signaleert een ‘totaalbenadering’:
BNB2022/27 [90] betrof een belanghebbende aan wie voor 2017 en 2018 aanslagen IB/PH waren opgelegd onder meer wegens genot van voordeel uit sparen en beleggen. De door hem en zijn echtgenote verschuldigde box 3-heffing bedroeg voor 2017 € 12.705 en voor 2018 € 11.969, hoewel het rendement van hun box 3 vermogen in die jaren slechts € 6.612 resp. € 3.528 bedroeg. Het (massaal-bezwaar-)geschil stelde de vraag aan de orde of het voor 2017 en 2018 geldende box 3-stelsel in gevallen zoals dat van de belanghebbende een schending inhield van het eigendomsgrondrecht (art. 1 Protocol Pro I EVRM) en het discriminatieverbod (art. 14 EVRM Pro). U overwoog:
NLF2022/0106) wijst erop dat van elke belastingheffing op basis van een forfait gezegd kan worden dat zij een ongelijkheid creëert en dat dit arrest lijkt te zeggen dat zo’n ongelijkheid alleen gerechtvaardigd kan worden voor zover met het forfait getracht wordt de werkelijkheid te benaderen. Ik merk op dat dat niet noodzakelijkerwijze in het arrest gelezen hoeft te worden, nu dat immers een forfait betrof waarvan de wetgever expliciet verklaard had dat het bedoeld was om er de werkelijke vermogensinkomsten mee te benaderen. Bovendien kunnen, als de financiële belangen voor de belastingplichtige kleiner zijn dan in het geval van box 3, zeker als zij beïnvloedbaar zijn door de belastingplichtige, grotere ongelijkheden en afwijkingen van de werkelijkheid aanvaard worden: één vaste bescheiden aftrek voor de kosten van thuiswerken voor alle werknemers leidt stellig tot ongelijkheden en gaat voorbij aan de werkelijkheid van werknemers die zelden of nooit thuis werken, maar lijkt mij geen schending van het discriminatieverbod of het eigendomsgrondrecht.
FED2022/9) wijst erop dat zelfs als de wetgever bedoelde de werkelijkheid te benaderen, nog steeds sprake kan zijn van een inbreuk op het eigendomsgrondrecht, omdat niet slechts naar bedoelingen, maar vooral naar werkelijke effecten moet worden gekeken:
Kamerstukken II2015/16, 34 302, nr. 3, p. 9). Daarmee lijkt te zijn voldaan aan de voorwaarde die de Hoge Raad stelt aan belastingheffing met behulp van een forfait. Daarmee is echter nog niet gezegd dat de fiscale maatregel geen inbreuk maakt op grondrechten. Bij de beoordeling of (belasting)wetgeving in strijd komt met grondrechten moet namelijk niet alleen worden gekeken naar verklaarde intenties van de wetgever, maar ook naar de werkelijke effecten en de positie van de door de (belasting)wetgeving getroffenen (T.C. Gerverdinck,
Eigendomsgrondrecht en belastingen, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 200-201 en p. 216).”
V-N2022/2.3 achtte vooral de fictieve vermogensmix fataal voor box 3 2017: