ECLI:NL:HR:2023:425

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 maart 2023
Publicatiedatum
16 maart 2023
Zaaknummer
22/01773
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Wet op de vennootschapsbelasting 1969Art. 3.29 Wet inkomstenbelasting 2001Art. 1 Eerste Protocol bij het EVRMArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
8 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt waardering pensioenverplichting en rekenrente in vennootschapsbelasting

Belanghebbende, een vennootschap, maakte bezwaar tegen de aanslagen vennootschapsbelasting over 2016 en 2017 en de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente. De zaak werd behandeld door de Rechtbank Den Haag en vervolgens het Gerechtshof Den Haag, waarbij belanghebbende in hoger beroep ging tegen de uitspraak van de rechtbank.

In cassatie stelde belanghebbende dat het waarderingsvoorschrift van artikel 3.29 Wet IB 2001, in samenhang met artikel 8 Wet Pro op de vennootschapsbelasting 1969, in strijd zou zijn met het recht op ongestoord genot van eigendom zoals beschermd door artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. De Hoge Raad verwees naar een eerder arrest (ECLI:NL:HR:2023:324) waarin deze klacht reeds is verworpen.

De overige klachten van belanghebbende werden eveneens beoordeeld maar leidden niet tot vernietiging van de uitspraak van het hof. De Hoge Raad zag geen noodzaak om deze klachten nader te motiveren omdat ze niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

Ten slotte wees de Hoge Raad af dat proceskosten aan belanghebbende werden opgelegd en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer22/01773
Datum17 maart 2023
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 5 april 2022, nrs. BK-21/01037 en BK-21/01038 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 20/6591 en SGR 20/6592) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2016 en 2017 opgelegde aanslagen in de vennootschapsbelasting en de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door J.T. Gommer, advocaat te Tilburg, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak mondeling doen toelichten door J.T. Gommer.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 16 januari 2023 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. [2]
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de middelen

2.1
Voor zover de klachten aan de orde stellen of het waarderingsvoorschrift van artikel 3.29 Wet IB 2001 in samenhang gelezen met artikel 8 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 in strijd is met het door artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM beschermde recht op het ongestoord genot van eigendom, falen zij op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverweging 3.2.2 van het arrest met nummer 20/02644 dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken (ECLI:NL:HR:2023:324).
2.2
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, M.A. Fierstra, E.F. Faase en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2023.

Voetnoten

2.ECLI:NL:PHR:2023:126 met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2023:137.