Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
generalis) tegen de werking van de
specialesartt. 3.29 Wet IB 2001 en 8(6) Wet Vpb: zij bestrijdt in wezen de vrijheid van de wetgever om voor de belastingplichtige ongunstig van goed koopmansgebruik af te wijken. Belanghebbendes ‘overnamewinst’ zal in latere jaren ingelopen worden door dan optredende en aftrekbare hogere pensioenlasten. Dat een reële kans bestaat dat het niet tot aftrek van die toekomstige lasten zal komen als gevolg van de temporeel beperkte achterwaartse verliesverrekeningstermijn – hetgeen inderdaad weinig redelijk overkomt – staat niet in de weg aan toepassing van art. 3.29 Wet IB 2001 en art. 8(6) Wet Vpb. Dat effect is vooral een gevolg van die beperkte verliesverrekening. Belanghebbendes stelling dat als de overnemer ‘overnamewinst’ moet nemen, er geen zakelijke overname mogelijk is in eigen-beheersituaties, mist feitelijke grondslag: de zakelijke berekening wordt zeker bemoeilijkt, maar er kan wel degelijk rekening worden gehouden met de belastingschade bij de overnemer en het fiscale effect van de concomitante verliesaftrek bij de overdrager (de overdrager maakt immers een even groot verlies als de belanghebbende een winst maakt); HR BNB 2006/278 staat daaraan niet in de weg. Belanghebbendes beroep op het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 3 juli 2008 [1] tenslotte, baat haar evenmin, in de eerste plaats niet omdat het
ratione temporisniet van toepassing is, in de tweede plaats niet omdat zij dat besluit verkeerd leest.
waarderingvan pensioenverplichtingen en andere soortgelijke verplichtingen”), die bepaling kan meebrengen dat een pensioenverplichting die in de loop van het jaar winstneutraal binnenkomt (overname van een pensioenverplichting tegen een zakelijke vergoeding) per jaarultimo neerwaarts
ge(her)
waardeerdmoet worden, met als gevolg fiscale winstneming (die overigens later ingelopen wordt door hogere lasten).
2000-2005. De correctie van het Hof ad € 50.764 op de waardering van de pensioenverplichting lijkt daarom onjuist. De pensioenverplichting moet ultimo 2005 op € 1.418.945 (exclusief kostenopslag) gewaardeerd worden en de aanslag moet worden berekend naar een belastbaar bedrag ad € 525.719 (beide conform de opgelegde aanslag).
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
i.e.op de zakelijke overnamesom. Het is in strijd met het voorzichtigheidsbeginsel om meteen na de overname een niet-bestaande en ongerealiseerde winst te moeten verantwoorden. Omdat er per saldo geen effect is op de totaalwinst, is het onjuist om op basis van jaarwinstbepalingen winst te moeten nemen en later weer verlies te moeten nemen: bij directe winstneming moet immers belasting worden betaald die als gevolg van de beperkte verliesverrekeningstermijn waarschijnlijk niet kan worden teruggevraagd tegen de tijd dat het concomitante verlies genomen moet worden. Moet de overnemer meteen winst nemen, dan kan per saldo in eigen beheer geen zakelijke overname plaatsvinden. Op basis van het Besluit van 3 juli 2008 (CPP2008/447M) kan de pensioenverplichting worden gewaardeerd volgens de grondslagen die ook bij de zakelijke bepaling van de overnamesom zijn gebruikt; in casu gelden niet de Besluitregels voor pensioenverplichtingen in eigen beheer, maar de Besluitregels voor verzekerde pensioenverplichtingen; die schrijven geen rekenrente van minstens 4% voor.
i.e.op basis van een rekenrente ad minimaal 4%. Die aanvullende eisen gelden ook als de pensioenverplichtingen zijn overgenomen en daarvoor een (zakelijke) vergoeding is ontvangen op basis van een rekenrente van minder dan 4%. De stelling dat de verplichting tijdelijk moet worden bevroren op de overnamesom op grond van het voorzichtigheidsbeginsel vindt geen steun in het recht. Het Besluit van 3 juli 2008, nr. CPP2008/447M, maakt dat niet anders.
4.De regelgeving
ratione temporisniet op haar van toepassing. Het deel van het 2008-Besluit waarop zij zich beroept, is een herschrijving en aanpassing van het Besluit van 11 november 2005, nr. CPP 2005/2740M, [7] dat in werking is getreden op 11 november 2005. Dat Besluit 2005 lijkt mij daarom wél van toepassing op haar geval. Dat Besluit vermeldt duidelijk dat de rekenrente minstens 4% moet zijn en dat dit geldt voor zowel pensioenverplichtingen in eigen beheer als voor verzekerde pensioenverplichtingen. Daarbij is bewust aanvaard dat art. 3.29 Wet IB 2001 leidt tot winstneming als de premies zijn gebaseerd op een lagere rekenrente dan 4%. De relevante delen van het 2005-besluit luidden als volgt:
Achtergrond en algemene uitgangspunten van fiscale waardering van pensioenverplichtingen
i.e.actuarieel: rekening houdend met een rentefactor en met sterftekansen. U formuleerde het in HR BNB 1959/74 [15] als volgt:
opbouwvan dat aldus bepaalde doelvermogen gedurende de diensttijd liet u echter tot aan de invoering van art. 9b Wet IB 1964 (zie 5.8 hierna) toe dat de levensverzekeringswiskunde werd veronachtzaamd (lineaire methode: rekenrente ad nihil).
i.e.rekenrente 0%) of sterftekansen: [26] bij de lineaire methode werd “het doelvermogen tijdsevenredig (…) verdeeld met verwaarlozing van het rente-element en de sterftekansen”. [27] Deze methode voorzag in een relatief snelle opbouw van een pensioenpassiefpost.
i.e.de lineaire methode) en dat minimaal 4% moest worden gebruikt, was niet duidelijk of die 4% ook gebruikt mocht worden als de rentevoet voor langlopende leningen hoger was, zoals in 1995. [29] Aan die onduidelijkheid is door u een einde gemaakt met het in 5.7 reeds genoemde arrest HR BNB 2000/275: de te hanteren rekenrente is de marktrente voor langlopende geldleningen, met een minimum van 4%. Zie nader 8.2 hieronder.
6.De Parlementaire geschiedenis van art. 3.29 Wet IB 2001
7.De parlementaire geschiedenis van art. 8(6) Wet Vpb
i.e.inclusief terugstelling wegens autoselectie [69] ) (wél) in overeenstemming met goed koopmansgebruik. Art. 8(6) Wet Vpb is dus een bewuste inbreuk op goed koopmansgebruik. Kortenbach merkt daarover op: [70]
8.Jurisprudentie
(…)
Ten slotte is het de vraag voor welk bedrag de overnemende persoonlijke houdstervennootschap deze verplichting op haar balans moet opnemen. De overnemer begint met de ontvangen overnamesom. Mocht de overnamesom worden bepaald op basis van een rekenrente van minder dan 4%, dan dient naar mijn mening bij de jaarlijkse balanswaardering art. 9b Wet IB 1964 op grond van het voorzichtigheidsbeginsel buiten toepassing te blijven zolang toepassing van dat artikel tot winstneming zou leiden.”
BNB2004/163). Aangezien de prestatie door de crediteur - het ter beschikking stellen van de hoofdsom - gedurende de looptijd gelijk blijft, zal ook de overeengekomen rente gelijkelijk aan de jaren moeten worden toegerekend.
BNB2000/275, die inhoudt dat de verplichting op de winstbepalende balans moet worden gewaardeerd tegen de geldende marktrente voor langlopende leningen ten tijde van het aangaan van de verplichting, met dien verstande dat bij een daling van de rentestand de verplichting dienovereenkomstig hoger mag worden gewaardeerd en bij een nadien optredende stijging van de rentestand de verplichting dienovereenkomstig lager moet worden gewaardeerd doch niet lager dan zij zou zijn gewaardeerd met toepassing van de oorspronkelijk gehanteerde rekenrente. Dit laatste heeft ook te gelden indien de overeengekomen prestatie een gerichte lijfrente is. Ook in een zodanig geval is het rentepercentage slechts een hulpmiddel voor de berekening van de te zijner tijd uit te keren lijfrentetermijnen. In zoverre is de Hoge Raad met het vorenvermelde arrest van 23 januari 2004 teruggekomen van zijn arrest van 9 november 1994, nr. 29448, LJN AA2983,
BNB1995/60.
9.Literatuur
10.Beschouwing
De verhouding tussen goed koopmansgebruik en art. 3.29 Wet IB 2001 en art. 8(6) Wet Vpb
BNB2000/275 is daarvan één van de voorbeelden). Als de wetgever bovenop deze tendens in de rechtspraak in zijn algemeenheid wat aan de asymmetrische behandeling van winsten en verliezen binnen goed koopmansgebruik zou willen doen, dan dient hij dit mijns inziens goed en ten principale te overdenken. Van zodanig denkwerk is in elk geval niet gebleken bij de meest recente hap-snap inbreuken op goed koopmansgebruik zoals die met de inwerkingtreding van de wet 'Werken aan winst' vanaf 1 januari 2007 van kracht zijn geworden. Met de inwerkingtreding van deze wet is een aantal op zich best pleitbare inbreuken op goed koopmansgebruik van kracht geworden (beperking van de afschrijvingen op onroerende zaken, goodwill en overige bedrijfsmiddelen en voortschrijdend winstnemen op onderhanden werk), maar node wordt een algemene visie gemist waarbinnen die concrete maatregelen hun natuurlijke plaats en rechtvaardiging vinden. Velen bekruipt het onprettige gevoel dat op deze wijze de wetgever elke keer als hij budgettaire noden heeft, weer met een nieuwe inbreuk op goed koopmansgebruik uit de hoge staatshoed kan komen. En het fiscale jaarwinstbegrip dient er niet primair toe om de budgettaire noden van de schatkist te verzadigen, maar om een bedrijfseconomisch verantwoorde jaarwinst vast te stellen waarop de bijdrage aan de staatskas voor ondernemers kan worden gebaseerd.”
carry backtermijn [95] te lijden verliezen. Alsdan is er wél een (onredelijk) totaalwinsteffect. Dit is echter wellicht eerder toe te schrijven aan die temporeel beperkte verliescompensatie dan aan de werking van de artt. 3.29 Wet IB 2001 en 8(6) Wet Vpb.
11.Behandeling van belanghebbendes cassatiemiddel
Primair: art. 3.29 Wet IB 2001 en art. 8(6) Wet Vpb zijn geen van beide van toepassing
carry backvan verliezen, zo bleek). Het gaat slechts om het verdelen van de totale winst over de jaren. Dat er geen totaalwinsteffect is, zegt op zichzelf niets over de vraag aan welk jaar opbrengsten en lasten moeten worden toegerekend. Ook dit argument keert zich dus in wezen op basis van art. 3.25 Wet IB (de
generalis) tegen de werking van de
specialesartt. 3.29 Wet IB 2001 en 8(6) Wet Vpb. Wellicht heeft de belanghebbende zich geïnspireerd op de opvatting dat de waardering van vrijgestelde deelnemingen niet beheerst wordt door goed koopmansgebruik omdat een post die buiten de totale winst valt, ook buiten de verdeling van die totale winst over de jaren valt, en dus ook buiten het daarvoor ontwikkelde verdelingsmechanisme. [96] De meer algemene opvatting zou dan zijn dat goed koopmansgebruik niet de waardering normeert van een fiscale balanspost als vaststaat dat zich per saldo binnen die balanspost geen totaalwinsteffect voordoet. Wat daar van zij, de waardering van de litigieuze pensioenverplichting wordt juist niet genormeerd door goed koopmansgebruik voor zover zij door het slechte koopmanschap van art. 3.29 Wet IB 2001 en art. 8(6) Wet Vpb wordt bepaald, welke bepalingen zowel naar hun tekst als de bedoeling van de wetgever van toepassing zijn. Zelfs het gegeven dat de marktrente lager dan 4% kan zijn, is door de wetgever onder ogen gezien (zie 6.17 t/m 6.20 hierboven).
ratione temporisniet van toepassing in 2005, en het toen wél toepasselijke Besluit 2005 biedt de belanghebbende geen soelaas. Ik meen dat reeds daarom het beroep op het Besluit faalt.
worden gewaardeerd met gebruikmaking van de geldende marktrente voor langlopende leningen en de gebruikelijke overlevingstafels ten tijde van het aangaan van de verplichtingen. Daarbij geldt dat bij een stijging van de verplichting als gevolg van een verzwaring – per saldo – van de grondslagen de verplichtingen dienovereenkomstig hoger mogen worden gewaardeerd en bij een nadien optredende verlichting – per saldo – van die grondslagen de verplichtingen dienovereenkomstig lager moeten worden gewaardeerd,
doch niet lager dan zij worden gewaardeerd met gebruikmaking van de oorspronkelijk gehanteerde grondslagen(vgl. HR 28 juni 2000, nr. 34 169, HR 23 januari 2004, nr. 38 029, en HR 1 september 2006, nr. 40 930).”
en,
i.e.de rekenrente (art. 3.29 Wet IB 2001) én de overlevingstafels (art. 8(6) Wet Vpb). De belanghebbende stelt op basis van het citaat dat de overgenomen pensioenverplichting moet (blijven) worden gewaardeerd op basis van de zakelijke grondslagen van de bepaling van de overnamesom (zie 2.5).
carry backvan verliezen, fiscaal niet verrekenbaar zullen blijken te zijn, is wellicht onredelijk, maar niet iets waar de rechter iets aan kan doen.
12.Behandeling van het cassatiemiddel van de Staatssecretaris
1995-2000zou hebben gebruikt. Hij verwijst naar gedingstukken waaruit volgt dat de Inspecteur de overlevingstafel GBM/GBV
2000-2005heeft gebruikt. Hij erkent wel dat,
alsde Inspecteur de overlevingstafel GBM/GBV
1995-2000zou hebben gebruikt, leeftijdsterugstelling mogelijk was tot correctie van het verschil tussen die overlevingstafel en de recenter overlevingstafel.
2000-2005. In die brief schrijft de Inspecteur dat hij de belanghebbende kan volgen in zijn berekening van de balanswaarde van de pensioenverplichting ultimo 2005 op € 1.418.945 (exclusief kostenopslag) en geeft hij toe dat het verschil met zijn aanvankelijke berekening voortkomt uit de gehanteerde sterftetafel. Uit bijlage 2B en 2B1 bij het verweerschrift in beroep (brief van belanghebbendes gemachtigde van 15 december 2008, met berekening) blijkt dat de door de belanghebbende berekende waardering van de pensioenverplichting ultimo 2005 ad € 1.418.945, waar de Inspecteur zich dus bij aansluit, is gebaseerd op de sterftetafel GBM/ GBV 2000-2005 en dat geen verdere leeftijdsterugstelling in acht is genomen. De correctie van het Hof ad € 50.764 op de balanswaardering van de pensioenverplichting is derhalve onjuist.