Conclusie
(hierna:
[eiser])
(hierna:
De Drie Geuzen)
(hierna:
[verweerder 2])
1.De feiten
arrestrespectievelijk het
hof). [1]
verzoekschriftprocedure).
beschikking) heeft de rechtbank (hierna: de
rekestenrechter) [4] op dat verzoek beslist. De rekestenrechter heeft overwogen dat het verzoek is gebaseerd op art. 2:298 BW Pro, op grond waarvan een bestuurder in de daar genoemde omstandigheden door de rekestenrechter kan worden ontslagen. Vervolgens heeft de rekestenrechter overwogen dat deze, om te kunnen beslissen op het verzoek, eerst moest vaststellen of [eiser] op dat moment nog bestuurder van De Drie Geuzen was. De rekestenrechter heeft daarover een gemotiveerd oordeel gegeven. De rekestenrechter heeft bij dat oordeel onder meer de statutaire bepalingen voor een besluit buiten vergadering van het bestuur van De Drie Geuzen betrokken, en ook de statutaire bepalingen omtrent het ontslag van een bestuurder. De rekestenrechter is tot de slotsom gekomen dat [eiser] op 25 april 2017 overeenkomstig de daarvoor geldende statutaire bepalingen rechtsgeldig is ontslagen als bestuurder van De Drie Geuzen. In het verlengde daarvan heeft de rekestenrechter geoordeeld dat het verzoek tot ontslag van [eiser] moest worden afgewezen, omdat hij al vanaf de datum van zijn ontslag geen bestuurder van De Drie Geuzen meer was. Het dictum luidt, kort gezegd, dat de rechtbank het verzoek afwijst, [verweerder 2] veroordeelt in de proceskosten en deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaart. [eiser] heeft van deze beschikking geen hoger beroep ingesteld en [verweerder 2] evenmin.
2.Het procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank) een comparitie gelast die heeft plaatsgevonden op 6 november 2018 en waarvan proces-verbaal is opgemaakt. In het proces-verbaal is onder andere vermeld dat gelet op het feit dat het gezag van gewijsde van de beschikking eerst ter zitting aan de orde is gekomen, de comparitierechter gelegenheid aan [eiser] geeft om zich bij akte uit te laten over het beroep op het gezag van gewijsde van de beschikking, alsook over de vraag ten aanzien van wie ( [verweerder 2] en/of De Drie Geuzen) en van welke vorderingen dit gezag van gewijsde al dan niet zou gelden. Voorts is vermeld dat De Drie Geuzen en [verweerder 2] op die akte bij antwoordakte zullen kunnen reageren. [6]
vonnis) heeft de rechtbank het door [eiser] gevorderde afgewezen en [eiser] veroordeeld in de proceskosten en nakosten van De Drie Geuzen en [verweerder 2] .
2. De feiten
Ontslag bestuurder
4. De beoordeling
4. De beoordeling
arrest) heeft het hof, recht doende in hoger beroep, kort gezegd, het vonnis bekrachtigd en [eiser] veroordeeld in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [verweerder 2] en de Drie Geuzen, welke kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleidende opmerkingen
Objectieve omvang van het gezag van gewijsde
geschilbeslissingen, waarover dus hiervoor - beslissingen in een vonnis die de in het dictum gegeven beslissing niet (mede) dragen. Aan beslissingen ten overvloede komt dus geen bindende kracht toe. [27] Verder geldt dat bijvoorbeeld aan beslissingen waarbij enkel het bestaan van een feit wordt aangenomen, [28] of een (zuiver) rechtsoordeel wordt gegeven, [29] geen bindende kracht toekomt; ook dat zijn niet zulke geschilbeslissingen. Ik laat voorts De Bruin aan het woord, waar zij enkele nadere voorbeelden geeft van gevallen waarin wel sprake is van een beslissing, maar niet van zo’n beslissing betreffende de rechtsbetrekking in geschil, oftewel zo’n geschilbeslissing: [30]
geschilzelf. Daarom geldt dit niet voor beslissingen die weliswaar een procedure beëindigen, maar geen beslissing inhouden over de rechtsbetrekking in geschil. Dergelijke beslissingen staan niet in de weg aan een beoordeling in een ander geding over dezelfde rechtsbetrekking in geschil. Een voorbeeld is dat eiser in de eerste procedure niet-ontvankelijk werd verklaard omdat hij had nagelaten griffierecht te betalen. Ook is er geen gezag van gewijsde als in een vorig geding is beslist dat eiser niet had voldaan aan zijn stelplicht en daarom toen niet ontvankelijk werd verklaard in zijn vordering. Evenmin kan gezag van gewijsde worden ingeroepen in een geval dat de vordering in een vorig geding in vrijwaring was ingesteld tegen de waarborg en daar was afgewezen op de enkele grond dat de vordering in de hoofdzaak tegen de gewaarborgde (eiser in vrijwaring) was afgewezen. Laatstgenoemde mocht de vordering opnieuw in een zelfstandige procedure tegen de waarborg instellen. Omdat het gezag van gewijsde verbonden is met de rechtsstrijd tussen partijen aangaande de ingestelde vordering, hebben beslissingen waarbij de rechter buiten de rechtsstrijd treedt geen gezag van gewijsde, behalve als de rechter ambtshalve de rechtsgronden aanvult.” [31]
[zonder noten in origineel, A-G]
gehoudenwas een oordeel te geven over de rechtsgeldigheid van het reeds in april 2017 gegeven ontslagbesluit. Volgens het hof is dit oordeel daarom een beslissing die de rechtsbetrekking in geschil betrof, waaraan gezag van gewijsde toekomt.”
[gecursiveerd in origineel, A-G]
art. 2:298 BW Prode mogelijkheid biedt aan iedere belanghebbende de rechtbank te verzoeken een bestuurder
te ontslaan, welke rechtsingang niet de mogelijkheid biedt (aan iedere belanghebbende) een bindend oordeel te krijgen over de vraag of een reeds gegeven ontslagbesluit geldig is; [55]
Verzoekschrift tot ontslag van een bestuurder van een stichting ex artikel 2:298 BW Pro” [onderstreping in origineel, A-G] is ingediend, waarbij in het petitum is verzocht “ [eiser] met onmiddellijke ingang als bestuurder van de Stichting
te ontslaan” [onderstreping in origineel, A-G], welk verzoek echter een
voorwaardelijke strekkinghad; [56]
reeds de onderhavige dagvaardingsprocedurevan [eiser] tegen De Drie Geuzen en [verweerder 2] aanhangig was, waarvan de inzet de geldigheid van het ontslagbesluit was en de rekestenrechter op de hoogte was; [57]
Vervolgens heeft de rechtbank[de rekestenrechter, A-G]
overwogen dat zij, om te kunnen beslissen op het verzoek, eerst moest vaststellen of [eiser] op dat moment nog bestuurder van De Drie Geuzen was. De rechtbank[de rekestenrechter, A-G]
heeft daarover een gemotiveerd oordeel gegeven. De rechtbank[de rekestenrechter, A-G]
heeft bij dat oordeel onder meer de statutaire bepalingen voor een besluit buiten vergadering van het bestuur van De Drie Geuzen betrokken, en ook de statutaire bepalingen omtrent het ontslag van een bestuurder. De rechtbank[de rekestenrechter, A-G]
is tot de slotsom gekomen dat [eiser] op 25 april 2017 overeenkomstig de daarvoor geldende statutaire bepalingen rechtsgeldig is ontslagen als bestuurder van De Drie Geuzen. In het verlengde daarvan heeft de rechtbank [de rekestenrechter, A-G] geoordeeld dat het verzoek tot ontslag van [eiser] moest worden afgewezen, omdat hij al vanaf de datum van zijn ontslag geen bestuurder van De Drie Geuzen meer was.”
[onderstreping toegevoegd, A-G]
Het subonderdeel klaagt niet (ook) dat het in deze dagvaardingsprocedure hoe dan ook zou gaan om een andere rechtsbetrekking in geschil - in de zin van art. 236 Rv Pro (toegepast naar analogie) - dan waarover in de verzoekschriftprocedure is beslist, [62] maar (dus) slechts dat de rechtsingang van art. 2:298 BW Pro “niet de mogelijkheid (aan iedere belanghebbende) [biedt] om een bindend oordeel te krijgen over de vraag of een reeds gegeven ontslagbesluit geldig is”. Voor zover de klacht al feitelijke grondslag heeft, waarover hiervoor, loopt deze erop vast dat de daarin verdedigde (categorische) rechtsopvatting, in zijn algemeenheid, geen steun vindt in het recht. Zoals reeds uiteengezet onder 3.5-3.6 hiervoor, kan art. 236 Rv Pro naar analogie worden toegepast op beslissingen aangaande een rechtsbetrekking in geschil (geschilbeslissingen) die vervat zijn in een beschikking die is gegeven in een verzoekschriftprocedure ex art. 2:298 BW Pro, wat tevens geldt ten aanzien van beslissingen over een of meer daarin te beantwoorden voorvragen [63] - in beginsel dan ook omvattend een voorvraag die erop ziet of een stichtingbestuurder ten tijde van deze verzoekschriftprocedure (meer precies: de beoordeling door de rechter) nog bestuurder van de stichting is, want niet reeds bij ontslagbesluit rechtsgeldig is ontslagen door de stichting in deze hoedanigheid, aldus of ten tijde van die beoordeling er nog steeds zo’n ontslagbesluit ligt dat werking heeft (waarover een geschil bestaat tussen partijen), waarover ook hierna - mits ten aanzien van deze beslissingen aan de uit art. 236 Rv Pro volgende voorwaarden is voldaan, hetgeen van geval tot geval beoordeeld dient te worden. Dat geldt (dus) ook in het onderhavige geval. Daaraan doet op zichzelf (dus) niet af dat, zoals in het onderhavige geval, de beslissingen in de verzoekschriftprocedure ex art. 2:298 BW Pro ook betrekking hebben op een besluit van een rechtspersoon, en vernietiging van een dergelijk besluit zoals bedoeld in art. 2:15 lid 1 BW Pro (jo. art. 2:8 BW Pro) niet in een dergelijke procedure aan de orde kan komen, maar op de voet van art. 2:15 lid 3 BW Pro geschiedt, zo daartoe aanleiding bestaat en desgevorderd, door een uitspraak van de rechtbank van de woonplaats van de rechtspersoon in een daartoe strekkende dagvaardingsprocedure. [64] , [65] Daarbij wijs ik er nog op dat in de beschikking de rekestenrechter ook niet zo’n vernietiging van het ontslagbesluit heeft uitgesproken, hetgeen in deze verzoekschriftprocedure ook niet voorlag, maar, zoals het hof vaststelt in rov. 2 sub vii) in verbinding met rov. 3.11 van het arrest, dus slechts (en bij wege van daarin te beantwoorden voorvraag, voor zover daarin aan de orde gesteld) het ontslagbesluit in het licht van hetgeen in deze verzoekschriftprocedure wel voorlag (en met inachtneming van het partijdebat) specifiek heeft getoetst aan statutaire bepalingen van De Drie Geuzen, om te bezien of [eiser] ten tijde van deze verzoekschriftprocedure (meer precies: de beoordeling door de rekestenrechter) nog wel bestuurder was van De Drie Geuzen, wat tussen partijen in geschil was, en heeft geoordeeld dat [eiser] toen geen bestuurder meer was van De Drie Geuzen nu hij op 25 april 2017 overeenkomstig de daarvoor geldende statutaire bepalingen rechtsgeldig is ontslagen in deze hoedanigheid, wat dus wil zeggen dat ten tijde van die beoordeling het ontslagbesluit er nog steeds lag en werking had, [66] reden waarom het verzoek tot ontslag van [eiser] als bestuurder van De Drie Geuzen moest worden afgewezen. Dit een en ander vindt geen ‘op voorhand’-blokkade in art. 2:15 BW Pro (al dan niet in verbinding met art. 2:8 BW Pro), waaruit (dus) evenmin volgt dat een dergelijk(e) toets en oordeel (op voor toepassing (naar analogie) van art. 236 Rv Pro per se prohibitieve wijze) exclusief is voorbehouden aan de rechter in een dagvaardingsprocedure waarin (ook) een op art. 2:15 BW Pro gebaseerde vordering voorligt, strekkende tot vernietiging van een bepaald besluit van een rechtspersoon (al dan niet in verbinding met art. 2:8 BW Pro). [67] , [68] Een andere uitkomst zou - nog los van de uit art. 236 Rv Pro (toegepast naar analogie) volgende eisen voor een succesvol beroep op gezag van gewijsde in een concreet geval, waarover tevens onder 3.5-3.6 hiervoor, alsmede 3.11 en 3.20-3.21 hierna - ook te zeer afbreuk doen aan een adequate werking van de in art. 2:298 BW Pro verankerde mogelijkheid (met de daaraan inherente, voor de praktijk belangrijke rechtszekerheid) voor de rechtbank desverzocht een bestuurder van een stichting te ontslaan als aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan, in het bijzonder waar in een concreet geval (wat in de praktijk niet een zeldzaamheid zal zijn) de in de desbetreffende verzoekschriftprocedure ex art. 2:298 BW Pro te beantwoorden voorvraag voorligt of de desbetreffende stichtingbestuurder ten tijde van deze verzoekschriftprocedure (meer precies: de beoordeling door de rechter) nog bestuurder van de stichting is, want niet reeds bij ontslagbesluit rechtsgeldig is ontslagen door de stichting in deze hoedanigheid, aldus of ten tijde van die beoordeling er nog steeds zo’n ontslagbesluit ligt dat werking heeft [69] (waarover een geschil bestaat tussen partijen), en de aangezochte rechter, omdat hij deze voorvraag in dat kader van art. 2:298 BW Pro niet - via art. 236 Rv Pro (toegepast naar analogie) - bindend zou kunnen beantwoorden, evenmin een, bezien naar het moment van de beoordeling (en behoudens een tegen deze beschikking aan te wenden rechtsmiddel), werkelijk ten volle (ook finaal, duidelijkheid verschaffend) oordeel zou kunnen geven over het op de voet van deze bepaling gedane verzoek tot ontslag van deze bestuurder ex art. 2:298 BW Pro (welk verzoek is gedaan voor het geval dat, kort gezegd, deze rechter van oordeel zou zijn dat deze bestuurder ten tijde van deze verzoekschriftprocedure nog bestuurder van deze stichting is, want niet reeds bij ontslagbesluit rechtsgeldig is ontslagen door de stichting in deze hoedanigheid, waarover hiervoor). Dat kan, uitgaande ook van een redelijke, op de praktijk gerichte uitleg van art. 2:298 BW Pro (een betekenisvol correctiemechanisme in het stichtingenrecht van Boek 2 BW), [70] niet de bedoeling zijn; de mogelijkheid van zo’n in de desbetreffende procedure bindend te beantwoorden voorvraag is welbeschouwd inherent aan de systematiek van art. 2:298 BW Pro, niettegenstaande een wettelijke regeling als art. 2:15 BW Pro (al dan niet in verbinding met art. 2:8 BW Pro).
Kortom, dat een op de voet van art. 2:298 BW Pro gedaan verzoek strekt tot ontslag van een stichtingbestuurder (op welke mogelijkheid art. 2:298 BW Pro mede betrekking heeft) sluit niet uit dat, mede gelet op het partijdebat in de desbetreffende verzoekschriftprocedure, de daarin aangezochte rechter in het kader van de beoordeling van dat verzoek ook, en eerst, antwoord zal hebben te geven op de voorvraag of deze bestuurder ten tijde van deze verzoekschriftprocedure (meer precies: de beoordeling door de rechter) nog bestuurder van de stichting is gelet op een reeds genomen ontslagbesluit ter zake, in welk verband deze bestuurder in essentie weerspreekt dat ten tijde van die beoordeling door de rechter zo’n ontslagbesluit er nog steeds ligt en werking heeft, en dat op deze beslissing in een ander geding art. 236 Rv Pro (naar analogie) kan worden toegepast als aan de voorwaarden ter zake is voldaan. Door in deze verzoekschriftprocedure deze te beantwoorden voorvraag daadwerkelijk te beantwoorden, met inachtneming van deze beslissing dat ontslagverzoek te beoordelen, en aldus - via art. 236 Rv Pro (toegepast naar analogie) - partijen in deze procedure daaraan te binden, treedt deze rechter (dus) ook niet, althans niet zonder meer, buiten de door art. 2:298 BW Pro getrokken begrenzing van zijn bevoegdheid en verlaat hij (dus) evenmin, althans niet zonder meer, de grondslag van het voorliggende verzoek ex art. 2:298 BW Pro. Hieraan ziet het hof (ook) in rov. 3.11 van het arrest niet voorbij.
Hierop stuit het subonderdeel af.
te ontslaan, terwijl de rekestenrechter op het moment dat hij de beschikking gaf, wist dat er bij de rechtbank een afzonderlijke dagvaardingsprocedure aanhangig was waarin [eiser] op grond van art. 2:15 jo Pro. 2:8 BW de vernietiging van het ontslagbesluit had gevorderd. De rekestenrechter is dan ook buiten de door art. 2:298 BW Pro getrokken begrenzing van zijn bevoegdheid getreden, dan wel heeft hij de grondslag van het verzoek verlaten en is hij ten onrechte vooruitgelopen op het oordeel over de rechtsgeldigheid van het ontslagbesluit in de dagvaardingsprocedure - met het risico dat daarover tegenstrijdige beslissingen zouden worden gegeven. Aan dat oordeel van de rekestenrechter kan “daarom” geen gezag van gewijsde toekomen, en het hof heeft ook ten onrechte overwogen dat dit wel het geval is, aldus nog steeds het subonderdeel. [71]
te ontslaan, maar niet (ook) de mogelijkheid (aan iedere belanghebbende) biedt om een bindend oordeel te krijgen over de vraag of een reeds genomen ontslagbesluit rechtsgeldig is, verwijs ik terug naar de bespreking van subonderdeel 1.1 sub a onder 3.9 hiervoor, waar reeds is uiteengezet dat die klacht strandt. Ook voor het overige, met name in termen van toespitsing op het onderhavige geval, en voor zover het subonderdeel feitelijke grondslag heeft, boekt het subonderdeel wat mij betreft geen succes.
Ik start, voor zover hier relevant, met de door het hof in het arrest gegeven uitleg aan de gedingstukken in de verzoekschriftprocedure en de beschikking (in het licht van deze gedingstukken), welke uitleg in cassatie slechts beperkt (op begrijpelijkheid en toereikendheid van de motivering) kan worden onderzocht (zie onder 3.5 hiervoor). ’s Hofs oordeel ter zake dient m.i., voor zover hier relevant, als volgt te worden begrepen:
Zoals mede volgt uit 3.5-3.6 en 3.9 hiervoor, kan sprake zijn van een beslissing betreffende de rechtsbetrekking in geschil in de zin van art. 236 lid 1 Rv Pro (toegepast naar analogie) ten aanzien van een in een verzoekschriftprocedure ex art. 2:298 BW Pro te beantwoorden en door de aangezochte rechter beantwoorde voorvraag, ook wanneer deze voorvraag erop ziet of een stichtingbestuurder ten tijde van deze verzoekschriftprocedure (meer precies: de beoordeling door de rechter) nog bestuurder van de stichting is, want niet reeds bij ontslagbesluit rechtsgeldig is ontslagen door de stichting in deze hoedanigheid (voor zover in deze verzoekschriftprocedure aan de orde gesteld), aldus of ten tijde van die beoordeling zo’n ontslagbesluit er nog steeds ligt en werking heeft, en ook wanneer deze beantwoording daarvan door de aangezochte rechter dictum-dragend tot gevolg heeft dat het verzoek tot ontslag van de desbetreffende stichtingbestuurder niet wordt toegewezen. Door aldus te oordelen, en - via art. 236 Rv Pro (toegepast naar analogie) - partijen in deze procedure daaraan te binden, treedt deze rechter niet, althans niet zonder meer, buiten de door art. 2:298 BW Pro getrokken begrenzing van zijn bevoegdheid en verlaat hij niet, althans niet zonder meer, de grondslag van het voorliggende verzoek ex art. 2:298 BW Pro. Het behoeft geen betoog dat waar in een ander geding, waarin een beroep wordt gedaan op het gezag van gewijsde van een dergelijke voorvraagbeslissing in zo’n eerdere verzoekschriftprocedure ex art. 2:298 BW Pro, in het concrete geval geacht kan worden sprake te zijn geweest van een in zo’n verzoekschriftprocedure ex art. 2:298 BW Pro te beantwoorden voorvraag (omdat daarin deze voorvraag was voorgelegd aan de desbetreffende rechter door de insteek van dat verzoek en het daarop volgende partijdebat, en beantwoording daarvan door deze rechter nodig was om het verzoek tot ontslag van de desbetreffende stichtingbestuurder toe dan wel af te wijzen), in dat andere geding en concrete geval eveneens aan te nemen valt dat deze rechter door deze voorvraag te beantwoorden en dit te betrekken bij deze toe- dan wel afwijzing binnen de door art. 2:298 BW Pro getrokken begrenzing van zijn bevoegdheid handelde en niet de grondslag van het voorliggende verzoek ex art. 2:298 BW Pro heeft verlaten, zodat in dat andere geding en concrete geval in deze begrenzing en grondslag hoe dan ook geen reden gelegen is deze voorvraagbeslissing niet aan te merken als een beslissing betreffende de rechtsbetrekking in geschil in de zin van art. 236 lid 1 Rv Pro (toegepast naar analogie). De enkele omstandigheid dat deze rechter, op het moment dat hij de beschikking gaf in de desbetreffende verzoekschriftprocedure ex art. 2:298 BW Pro, wist dat bij de rechtbank een afzonderlijke dagvaardingsprocedure aanhangig was waarin de desbetreffende stichtingbestuurder op de voet van art. 2:15 jo Pro. 2:8 BW de vernietiging vorderde van het desbetreffende ontslagbesluit, leidt niet tot een andere uitkomst dan hier voorgestaan. Waar een dergelijk of vergelijkbaar (min of meer) gelijklopen van procedures in het algemeen voor het kunnen aannemen van gezag van gewijsde op de voet van art. 236 Rv Pro (toegepast naar analogie) geen per se-belemmering vormt (zie onder 3.5-3.6 hiervoor), valt, althans zonder meer, niet in te zien waarom dit uitgangspunt anders zou moeten zijn ingeval het beroep op gezag van gewijsde in zo’n dagvaardingsprocedure betrekking heeft op een (dergelijke voorvraag)beslissing in zo’n eerdere verzoekschriftprocedure en de rechter in laatstgenoemde procedure ten tijde van zijn uitspraak wist dat eerstgenoemde procedure aanhangig was. Een dergelijke beperking volgt ook niet uit art. 236 Rv Pro (toegepast naar analogie) (zie onder 3.5-3.6 hiervoor). Evenmin valt, althans zonder meer, in te zien dat op grond van deze enkele omstandigheid: niet meer kan worden gesproken van een voorvraag in zo’n verzoekschriftprocedure ex art. 2:298 BW Pro die deze rechter daarin had te beantwoorden en betrekken bij de toe- dan wel afwijzing van het desbetreffende ontslagverzoek, binnen de door art. 2:298 BW Pro getrokken begrenzing van zijn bevoegdheid en zonder de grondslag van het voorliggende verzoek ex art. 2:298 BW Pro te verlaten; en, in het verlengde daarvan, in een ander geding, waarin een beroep wordt gedaan op het gezag van gewijsde van een dergelijke voorvraagbeslissing in zo’n verzoekschriftprocedure ex art. 2:298 BW Pro, in het concrete geval niet meer geacht kan worden sprake te zijn geweest van zo’n beslissing. Een dergelijke beperking volgt ook niet uit (het belang van een adequaat werkend) art. 2:298 BW Pro (zie onder 3.9 hiervoor). Daarbij betrek ik mede:
Kort en goed: niet kan worden gezegd dat wat het subonderdeel aanvoert, meebrengt dat het hof in rov. 3.11 van het arrest blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of een ontoereikende motivering door, kort gezegd, deze beantwoording door de rekestenrechter van deze voorvraag aan te merken als een geschilbeslissing waarop art. 236 lid 1 Rv Pro zich in dit geding (naar analogie) laat toepassen, zoals bedoeld in het subonderdeel.
noodzakelijkwas dat de rekestenrechter in de verzoekschriftprocedure (als voorvraag) zou vaststellen of het reeds gegeven ontslagbesluit rechtsgeldig was, zodat aan die niet-noodzakelijke beslissing geen gezag van gewijsde toekomt. Het hof “miskent namelijk” dat het verzoek van [verweerder 2] blijkens de genoemde omstandigheden in subonderdeel 1.1 sub a t/m d
voorwaardelijkvan aard was: de rekestenrechter diende in de verzoekschriftprocedure te beslissen of [eiser] kon worden ontslagen als bestuurder “
voor het gevalin de dagvaardingsprocedure zou worden beslist dat het eerdere ontslagbesluit niet geldig was”. In de verzoekschriftprocedure had de rekestenrechter niet te oordelen over het ontslagbesluit, maar alleen over de vraag of, mocht dat ontslag nietig zijn, [eiser] kon worden ontslagen op grond van wanbeleid, aldus nog steeds het subonderdeel. [84]
sluit indat de beantwoording van deze voorvraag door de rekestenrechter in de beschikking volgens het hof kwalificeert als een geschilbeslissing (waarop art. 236 lid 1 Rv Pro (toegepast naar analogie) betrekking heeft), waarover onder 3.5-3.6 alsmede 3.9 en 3.11 hiervoor, [86] en
sluit uitdat, anders dan het subonderdeel onder meer veronderstelt, het verzoek van [verweerder 2] in deze verzoekschriftprocedure aangemerkt moet worden als voorwaardelijk van aard, in de zin dat de rekestenrechter in deze verzoekschriftprocedure diende te beslissen of [eiser] kon worden ontslagen als bestuurder van De Drie Geuzen voor het geval in de dagvaardingsprocedure zou worden beslist dat genoemd ontslagbesluit niet rechtsgeldig was.
sub avoorgestane (categorische) opvatting, in zijn algemeenheid, geen steun in het recht. Uit deze (in algemene bewoordingen geformuleerde) opvatting blijkt ook niet dat in het onderhavige geval het verzoek van [verweerder 2] voorwaardelijk van aard was, zoals bedoeld in subonderdeel 1.1.2. Subonderdeel 1.1.3 doet geen beroep op deze opvatting. Zoals volgt uit 3.11 hiervoor, liet het verzoek ex art. 2:298 BW Pro van [verweerder 2] inclusief de in subonderdeel 1.1
sub bgenoemde passages - waarvan subonderdeel 1.1.3
sub bslechts een deel herhaalt - het hof de ruimte, zoals het doet in rov. 3.11 in verbinding met rov. 2 sub vi) en vii), om aan te nemen dat [verweerder 2] daarmee:
sub c- waarvan subonderdeel 1.1.3
sub ceen doublure vormt - geldt dat het daarin opgemerkte, hetgeen naar de kern genomen betrekking heeft op de enkele bekendheid bij de rekestenrechter op het moment van geven van de beschikking met het aanhangig zijn van de dagvaardingsprocedure en de inzet van laatstgenoemde procedure, naar de aard niets zegt over de vraag hoe [verweerder 2] zijn verzoek ex art. 2:298 BW Pro heeft ingestoken in de verzoekschriftprocedure (die door hem aanhangig is gemaakt ruim voordat [eiser] de dagvaardingsprocedure aanhangig maakte, zie onder 3.11 hiervoor), en de subonderdelen 1.1.2 en 1.1.3 die lacune niet wegnemen. Ook die opmerkingen baten deze subonderdelen dus niet. Tot slot de verwijzing in subonderdeel 1.1
sub d- cryptisch herhaald in subonderdeel 1.1.3
sub d(“mr. Beck dit ter zitting heeft bevestigd”) - naar een erkenning door mr. Beck ( [verweerder 2] raadsman) ter zitting bij de rekestenrechter van “het voorwaardelijke karakter” van [verweerder 2] verzoek ex art. 2:298 BW Pro, kennelijk zoals bedoeld in de subonderdelen 1.1.2 en 1.1.3; mr. Beck zou hebben “gesteld dat als in de dagvaardingsprocedure de vordering van [eiser] wordt toegewezen beide partijen weer bestuurder zijn”. Ook dit biedt deze subonderdelen geen soelaas. Voor de opmerking in subonderdeel 1.1 onder d betreffende een erkenning door mr. Beck ter zitting bij de rekestenrechter verwijst dat subonderdeel (na de punt-komma in die zin, in noot 11 aldaar) als enige vindplaats naar p. 4 (laatste alinea) van de memorie van grieven, waar is opgenomen:
sub b(en subonderdeel 1.1.1
sub b) zo-even, hieraan voorbijgaan zoals het doet. Daarbij betrek ik dat deze passage uit p. 4 (laatste alinea) van de memorie van grieven wat betreft deze erkenning door [verweerder 2] geen verwijzing bevat naar enige vindplaats in enig gedingstuk (noch uit de dagvaardingsprocedure, noch uit de verzoekschriftprocedure) en dat zijdens De Drie Geuzen en [verweerder 2] in hun memorie van antwoord gemotiveerd is aangevoerd, kort gezegd, dat het klopt dat het verzoek ‘voorwaardelijk’ was, maar juist niet in de zin zoals [eiser] dat hier bedoelt: zij bedoelen, onder verwijzing naar par. 22 van het verzoekschrift, met deze voorwaardelijkheid dat [verweerder 2] verzocht heeft eerst te oordelen over de rechtsgeldigheid van het ontslag van [eiser] als bestuurder van De Drie Geuzen, alvorens op zijn verzoek tot ontslag van [eiser] te beslissen: [87]
Voor zover uw Rechtbank mocht besluiten dat [eiser] niet reeds bij ontslagbesluit rechtsgeldig als bestuurder van de Stichting is ontslagen, meent [verweerder 2] dat onder meer de eerder genoemde incidenten gronden zijn om uw Rechtbank te verzoeken [eiser] ook als bestuurder van de Stichting te ontslaan”.
Kortom, ook hetgeen de subonderdelen aanvoeren, rechtvaardigt niet de conclusie dat ’s hofs bestreden oordeel in rov. 3.11 van het arrest onjuist of onbegrijpelijk zou zijn, zoals bedoeld in de subonderdelen.
volledig gunstig dictum. Het subonderdeel voert aan dat die partij in dat geval ex art. 3:303 BW Pro niet voldoende belang bij het instellen van een rechtsmiddel heeft. Het gezag van gewijsde houdt op daar waar een partij in het dictum geen prikkel vindt voor hoger beroep of cassatieberoep. Het enkel vermijden van gezag van gewijsde van nadelige eindbeslissingen in een dergelijke uitspraak en/of het enkel corrigeren van een rechterlijke fout kan niet worden aangemerkt als een voldoende procesbelang. Vanuit maatschappelijk oogpunt is het ook onwenselijk dat een partij hoger beroep tegen een gunstige beslissing zou moeten instellen enkel en alleen om gezag van gewijsde te voorkomen. Een ander uitgangspunt zou leiden tot het nodeloos voeren van procedures, aldus nog steeds het subonderdeel. [89]
A-G Huydecoper merkte in zijn conclusie voor laatstgenoemde Hoge Raad-arrest op, in het kader van een klacht inzake voormelde overweging van het gerechtshof: [113]
[zonder noot in origineel, A-G]
Ik sta ook nog stil bij een ander Hoge Raad-arrest uit 2012, te weten het arrest van 30 maart 2012 [119] dat het hof ook noemt in rov. 3.12 van het arrest. In dat geding heeft, kort gezegd, Fafianie gevorderd dat voor recht zal worden verklaard dat een arbeidsovereenkomst tussen hem en KSN in stand is gebleven tot 20 mei 2008 en dat KSN zal worden veroordeeld hem het loon te voldoen over de periode van 20 november 2007 t/m 20 mei 2008. KSN heeft primair betwist dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen en heeft subsidiair onder meer aangevoerd dat Fafianie hooguit over de periode van 1 januari tot 1 april 2008 aanspraak heeft op salaris, aangezien hij daarvoor nog niet en daarna niet meer zijn arbeidskracht ter beschikking van KSN heeft gesteld. De kantonrechter oordeelde dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst is gesloten en van kracht is geweest van 20 november 2007 tot 20 mei 2008, maar tevens dat het subsidiaire verweer van KSN doel trof. Daarom wees hij in het dictum van zijn vonnis de loonvordering slechts toe voor de periode van 1 januari t/m 31 maart 2008 en het meer of anders gevorderde af. Fafianie is van dat vonnis in hoger beroep gekomen voor zover zijn loonvordering is afgewezen. KSN heeft geen (voorwaardelijk) incidenteel appel ingesteld. Het hof heeft in hoger beroep het verweer van KSN ten aanzien van de arbeidsovereenkomst opnieuw beoordeeld op grond van de devolutieve werking van het appel. De Hoge Raad oordeelde evenwel dat het hof dat primaire verweer niet meer in zijn beoordeling kon betrekken, waartoe als volgt werd overwogen:
In een zodanig geval kan met het oog op het voorkomen van tegenstrijdige onherroepelijke rechterlijke uitspraken, niet worden aanvaard dat in een door de appellant tegen het voor hem ongunstige gedeelte van het dictum ingestelde hoger beroep het primaire verweer van de geïntimeerde op grond van de hiervoor in 3.3.2 genoemde hoofdregel van de devolutieve werking opnieuw zou kunnen (en moeten) worden beoordeeld, zonder dat de geïntimeerde incidenteel appel heeft ingesteld - ook niet voorwaardelijk - tegen het voor hem ongunstige, op de verwerping van zijn verweer berustende gedeelte van het dictum teneinde te voorkomen dat dit gedeelte van het dictum in kracht van gewijsde gaat en de daaraan ten grondslag liggende beslissing van de eerste rechter gezag van gewijsde verkrijgt. Onbeperkte toepassing van de genoemde hoofdregel van de devolutieve werking zou immers tot gevolg kunnen hebben dat - zoals in deze zaak is gebeurd - de appelrechter over hetzelfde geschilpunt een ander oordeel bereikt dan de eerste rechter, zodat na het in kracht van gewijsde gaan van de uitspraak van de appelrechter met betrekking tot dat geschilpunt twee tegenstrijdige onherroepelijke rechterlijke beslissingen met gezag van gewijsde zouden bestaan.”
In lijn hiermee ligt de volgende, in algemene bewoordingen geformuleerde, vooropstelling van de Hoge Raad in een arrest van 18 december 2020, [127] volgend op de vaststelling dat art. 236 lid 1 Rv Pro bepaalt dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben:
Het antwoord op de vraag of in het eerdere geding sprake is geweest van beslissingen aangaande een geschilpunt dat dezelfde rechtsbetrekking betreft als in het andere geding, is afhankelijk van de grondslag van de vordering of het verweer, het processuele debat en de gegeven beslissingen. Dat vergt uitleg van de in de eerdere procedure gedane uitspraak, mede in het licht van de gedingstukken waarop die uitspraak berust.
3.1.4 Indien een vordering met kracht van gewijsde is afgewezen, en de afwijzing erop is gebaseerd dat de voor de vordering aangevoerde grondslag niet is komen vast te staan of dat deze grondslag de vordering niet kan dragen, kan tot uitgangspunt dienen dat de beslissingen aangaande het ontbreken of niet toereikend zijn van deze grondslag, in een ander geding tussen dezelfde partijen gezag van gewijsde hebben. Dit betekent onder meer dat bij een beroep op gezag van gewijsde, feiten en bewijsmiddelen die in de eerdere procedure niet ter staving van de gestelde grondslag zijn aangevoerd, in een ander geding niet alsnog in het kader van dezelfde grondslag aan de vordering ten grondslag kunnen worden gelegd. Het gezag van gewijsde kan evenwel niet eraan in de weg staan dat in een ander geding dezelfde of een soortgelijke vordering wordt ingesteld op basis van een andere grondslag, waarover de rechter zich nog niet heeft uitgelaten. Dit geldt ongeacht of deze andere grondslag ook reeds in de eerdere procedure aangevoerd had kunnen worden.”
[zonder noten in origineel, A-G]
Kortom, steun voor de door het subonderdeel voorgestane rechtsopvatting, zoals samengevat onder 3.19 hiervoor, valt aan deze rechtspraak m.i. evenmin te ontlenen.
Uit art. 236 Rv Pro zelf blijkt niet dat geen gezag van gewijsde kan toekomen aan (een) voor een partij nadelige geschilbeslissing(en) in het lichaam van een uitspraak met een voor die partij onverkort gunstig dictum, zoals bedoeld in het subonderdeel. Deze bepaling, in het bijzonder lid 1 daarvan, gaat immers ervan uit dat “[b]eslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht [hebben],” welke beslissingen, naar algemeen wordt aangenomen (zie onder 3.5 hiervoor), in het dictum van de desbetreffende uitspraak kunnen staan, maar ook (alleen) in de ‘dragende’ overwegingen in het lichaam van die uitspraak, en waarbij geen uitzondering wordt gemaakt voor een geval van, kort gezegd, een gunstig dictum zoals bedoeld in het subonderdeel. [134] Het subonderdeel wijst ook niet op een uit de parlementaire geschiedenis blijkende bedoeling van de wetgever in die richting (niettegenstaande de tekst van art. 236 Rv Pro), welke bedoeling ik daarin ook niet ben tegengekomen (zie ook onder 3.5 hiervoor). Het subonderdeel onderkent dat intussen ook wel, [135] want doet een beroep - niet op de tekst van art. 236 Rv Pro of een uit de parlementaire geschiedenis blijkende bedoeling van de wetgever met die bepaling (niettegenstaande de tekst daarvan), maar - op uitleg van die bepaling via een “redelijke toepassing van art. 236 Rv Pro”, erop neerkomend dat geen gezag van gewijsde in de zin van art. 236 Rv Pro toekomt aan (een) voor een partij nadelige geschilbeslissing(en) in het lichaam van een uitspraak met een voor die partij gunstig dictum, in welk geval die partij op de voet van art. 3:303 BW Pro niet voldoende belang heeft bij het instellen van een rechtsmiddel, dit omdat:
Bij deze stand van zaken strandt ook de motiveringsklacht in het subonderdeel, waarbij zij aangetekend dat het subonderdeel dus uitgaat van een (door het hof terecht niet gehanteerde) uitleg van art. 236 Rv Pro die geen steun vindt in het recht, en verder niet (ook) uiteenzet waarom ’s hofs bestreden oordeel in rov. 3.11 van het arrest onbegrijpelijk zou zijn. [144] Dit behoeft geen verdere toelichting.
beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW Pro)in een geval als het onderhavige eraan in de weg staat dat De Drie Geuzen met succes een beroep doet op het gezag van gewijsde. Van [eiser] kon “gelet op het voorgaande” redelijkerwijs niet kon worden verwacht dat hij had moeten bedenken dat de overwegingen in de beschikking over de geldigheid van het ontslagbesluit onherroepelijk zouden komen vast te staan en aan de beoordeling van zijn op art. 2:8 en Pro 2:15 BW gebaseerde vordering in de weg zouden staan, als hij niet zou appelleren tegen de voor hem gunstige beschikking (waarin het verzoek van [verweerder 2] aan de rechtbank (de rekestenrechter) om hem te ontslaan was afgewezen, met veroordeling van [verweerder 2] in de proceskosten van het geding) enkel vanwege het feit dat die beschikking overwegingen bevatte die nadelig waren voor [eiser] . [eiser] zou zelf handelen in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, de in acht te nemen redelijkheid ex art. 2:8 BW Pro, althans art. 6:2 BW Pro en art. 3:303 BW Pro, als hij wél in hoger beroep was gegaan tegen de beslissing van de rechtbank (dus de rekestenrechter). [145]
Het hof respondeert in rov. 3.12 van het arrest, direct aansluitend op rov. 3.11 (tegen welke achtergrond rov. 3.12 ook moet worden bezien), [146] op hetgeen door [eiser] is aangevoerd in de memorie van grieven, p. 5-6 inzake zijn betoog dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om in de gegeven omstandigheden van hem te verlangen dat hij hoger beroep had ingesteld tegen de beschikking. [147] Deze vindplaatsen in de gedingstukken noemt het subonderdeel ook. Dat het hof in rov. 3.12 dit betoog van [eiser] zou hebben misverstaan, lees ik niet in het subonderdeel en is overigens ook niet het geval: ’s hofs samenvattende uitleg van dat betoog is geenszins onbegrijpelijk, gelet op [eiser] stellingname ter zake in de genoemde vindplaatsen. ’s Hofs beoordeling van dat betoog in rov. 3.12 is, ook zonder nadere motivering, eveneens goed navolgbaar: het is duidelijk dat en waarom volgens het hof het door [eiser] aangevoerde, wat door het hof dus is onderkend, zijn beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (aldus dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is in de gegeven omstandigheden van hem te verlangen dat hij hoger beroep had ingesteld tegen de beschikking) niet kan dragen. [148] Voor zover het subonderdeel klaagt dat het hof, aldus oordelend in rov. 3.12, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en daarbij voortbouwt op subonderdeel 2.1, loopt de klacht erop vast dat subonderdeel 2.1 faalt (zie onder 3.18-3.21 hiervoor), in welk lot de klacht deelt. Gelet op: