Conclusie
tweede middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde gedragingen van [A] (verder ook: [A] ) en bevat twee klachten. Ten eerste wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat de verdachte binnen de rechtspersoon [A] bevoegd was om maatregelen te nemen ter voorkoming van de bewezenverklaarde verduisteringen, begaan door die rechtspersoon. Ten tweede zou uit de bewijsvoering niet, althans niet zonder nadere motivering, kunnen worden afgeleid dat de verdachte als feitelijke leidinggever opzet had op de wederrechtelijke toe-eigening van de in de bewezenverklaring bedoelde geldbedragen.
terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedragingen.”
feitelijke leidinggevenNaar vaste jurisprudentie is van feitelijke leiding geven aan een verboden gedraging sprake indien:
Voornoemd nalaten is alleen strafbaar indien de verdachte bevoegd was maatregelen te nemen en hij ook redelijkerwijs daartoe gehouden was. Deze bevoegdheid tot ingrijpen bestaat indien de verdachte feitelijke zeggenschap heeft over de gedraging die de rechtspersoon wordt geacht te hebben verricht en het tevens tot de taak van de verdachte behoorde in te grijpen. [3] Uit het dossier blijkt dat verdachte in 2004 via zijn beheersmaatschappij [B] werkzaamheden voor [C] is gaan verrichten. Beheersmaatschappij [B] was tot 12 december 2008 bestuurder van [C] . Blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel was verdachte vanaf 1 november 2009 tot 10 februari 2010 bestuurder van [C] . Verdachte heeft na het vertrek van [medeverdachte 1] in december 2008 diens taken voor een deel overgenomen en werd hij algemeen directeur van [A] .
NJ2016/375, m.nt. Wolswijk heeft de Hoge Raad, ter verduidelijking van het beslissingskader te dier zake en mede aan de hand van zijn eerdere rechtspraak, enkele opmerkingen gemaakt over de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor het feitelijke leidinggeven aan een door een rechtspersoon verrichte verboden gedraging. Na voorop te hebben gesteld dat en hoe de rechter eerst zal moeten vaststellen of de rechtspersoon een strafbaar feit heeft begaan, heeft de Hoge Raad over de feitelijke leidinggever zelf het volgende (met weglating van de voetnoten) overwogen:
Pas nadat is vastgesteld dat een rechtspersoon een bepaald strafbaar feit heeft begaan, komt aan de orde of iemand als feitelijke leidinggever daarvoor strafrechtelijk aansprakelijk is. Bij de beoordeling daarvan moet worden vooropgesteld dat uit de taalkundige betekenis van het begrip feitelijke leidinggeven enerzijds voortvloeit dat de enkele omstandigheid dat de verdachte bijvoorbeeld bestuurder van een rechtspersoon is, niet voldoende is om hem aan te merken als feitelijke leidinggever aan een door die rechtspersoon begaan strafbaar feit. Maar anderzijds is een dergelijke juridische positie geen vereiste, terwijl ook iemand die geen dienstverband heeft met de rechtspersoon feitelijke leidinggever kan zijn aan een door de rechtspersoon begaan strafbaar feit.
3.5.2.
Feitelijke leidinggeven zal vaak bestaan uit actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip valt. Van feitelijke leidinggeven kan voorts sprake zijn indien de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door de verdachte (bijvoorbeeld als bestuurder) gevoerde beleid. Ook kan worden gedacht aan het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven. Niet is vereist dat een ander de fysieke uitvoeringshandelingen heeft verricht.
3.5.3.
In feitelijke leidinggeven ligt een zelfstandig opzetvereiste op de verboden gedraging besloten. Voor dit opzet van de leidinggever geldt als ondergrens dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen. Van het bewijs van dergelijke aanvaarding kan – in het bijzonder bij meer structureel begane strafbare feiten – ook sprake zijn indien hetgeen de leidinggever bekend was omtrent het begaan van strafbare feiten door de rechtspersoon rechtstreeks verband hield met de in de tenlastelegging omschreven verboden gedraging. Een ander voorbeeld van een geval waarin onder omstandigheden voldaan kan zijn aan het voor de feitelijke leidinggever geldende opzetvereiste biedt een leidinggever die de werkzaamheden van een onderneming zo organiseert dat hij ermee rekening houdt dat de aan de betrokken werknemers gegeven opdrachten niet kunnen worden uitgevoerd zonder dat dit gepaard gaat met het begaan van strafbare feiten.”
Ten eerstelijkt de steller van het middel in het vervolg van de toelichting uit te gaan van een benadering waarin ófwel van feitelijke leidinggeven sprake kan zijn vanwege de formele positie die de verdachte bekleedde, ófwel omdat blijkt dat zijn ‘materiële’ positie dusdanig was dat hij als feitelijke leidinggever kan worden aangemerkt. Die benadering lijkt mij hoe dan ook niet juist. Het gaat er steeds om of in feitelijke zin sprake is van een zodanige zeggenschap over het strafbare feit dat kan worden gezegd dat de verdachte daaraan feitelijke leiding geeft. De juridische positie van de verdachte binnen de rechtspersoon kán in dat verband van belang zijn, maar dat hoeft zeker niet. De juridische werkelijkheid is uiteindelijk immers niet doorslaggevend, maar kan hooguit relevant zijn voor de beoordeling van de feitelijke realiteit.
Ten tweedeis het – anders dan de klacht suggereert – zo dat voor strafrechtelijke aansprakelijkheid wegens feitelijke leidinggeven niet is vereist dat de verdachte “zelfstandig” bevoegd was de verboden gedragingen te voorkomen of te beëindigen. Zoals de Hoge Raad in het hiervoor geciteerde arrest ook overweegt, kan aan hetzelfde strafbare feit door meer personen, zowel gezamenlijk als door ieder van hen afzonderlijk, feitelijke leiding worden gegeven. Hij die in organisatorisch verband in vereniging met een of meer anderen in onderling overleg het feitelijke leidinggeven heeft gerealiseerd, is bovendien eveneens een feitelijke leidinggever. [4] In dat verband verder nog van belang is dat aan feitelijke leidinggeven niet in de weg staat dat de verdachte binnen de rechtspersoon verantwoording aflegt aan één of meer andere, hoger geplaatste perso(o)n(en). [5] Ten derdemerk ik op dat het feitelijke leidinggeven een zekere macht, invloed en verantwoordelijkheid verlangt van de verdachte over de door de rechtspersoon begane verboden gedragingen. Maar dat vergt niet dat de verdachte belangrijke macht, invloed en verantwoordelijkheid binnen de rechtspersoon heeft bezeten. [6] Het gaat in de onderhavige zaak anders gezegd niet om de vraag of de verdachte zeggenschap had binnen [A]
in het algemeen, maar of hij de macht, invloed en verantwoordelijkheid had om maatregelen te nemen ter voorkoming van de door [A]
begane verduisteringen.
feitelijkeleidinggeven, dat eventueel mede kan worden afgeleid uit de juridische verhoudingen binnen de rechtspersoon. Het is klip en klaar dat de hiervoor beschreven organisatiestructuur en juridische rollen die de verdachte binnen het concernverband heeft vervuld, hem een belangrijke mate van (juridische) macht en zeggenschap binnen het concern en binnen [A] verschaften.
“doorslaggevende betekenis” heeft toegekend aan de omstandigheid dat [C] (vanaf het begin) een negatief eigen vermogen had. Dat berust op een onjuiste lezing van het arrest. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [C] vanaf het begin een negatief eigen vermogen had, dat het geen andere inkomsten had dan inkomsten uit geldlening van andere vennootschappen binnen het concern en dat er nooit concreet uitzicht is geweest op andere inkomsten. Desondanks zijn uit [C] voortdurend gelden onttrokken ten behoeve van natuurlijke personen. De term onttrekken heeft het hof kennelijk bewust gekozen om te benadrukken dat het hier niet (slechts) normale bedrijfsmatige kosten betrof, maar (ook) buitensporige betalingen ter verrijking van de betrokken natuurlijke personen. Deze onttrekkingen zijn indirect (en soms ook direct) gefinancierd door [A] , terwijl [A] wist van de financiële situatie van [C] . [10] Door, ondanks die wetenschap, van beleggers verkregen gelden uit te lenen aan een grootmoedervennootschap die geen inkomsten had en over eerdere leningen geen rente betaalde, heeft [A] het oogmerk gehad de ingelegde gelden voor andere doelen aan te wenden dan die met de beleggers waren overeengekomen. Het is dus niet louter of in doorslaggevende mate het negatieve eigen vermogen van [C] waaruit het hof afleidt dat [A] de bedoeling had de ingelegde geldbedragen te verduisteren door ze uit te lenen aan [C] .
derde middelkomt op tegen het oordeel van het hof dat de onder feit 2 subsidiair bewezenverklaarde gedragingen van [C] kunnen worden gekwalificeerd als (gewoonte)witwassen.
- telkens een voorwerp, te weten een geldbedrag heeft verworven en voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en heeft omgezet
en
- telkens van een voorwerp, te weten een geldbedrag de werkelijke aard heeft verborgen en/of verhuld,
terwijl [C] telkens wist dat bovenomschreven voorwerpen onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf, terwijl [C] van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en);”
Feit 2: WitwassenAan verdachte is onder feit 2 ten laste gelegd dat hij geldbedragen heeft witgewassen door, kort weergegeven:
Het hof stelt voorop dat noch de tekst van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht noch de wetsgeschiedenis eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepaling omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens witwassen. Dit betekent niet dat elke gedraging die in artikel 420bis, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is omschreven, onder alle omstandigheden de kwalificatie witwassen rechtvaardigt.
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht “om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen”. Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als witwassen kan worden gekwalificeerd.
Het hof stelt vast dat door [C] een bedrag van € 8.523.108,- van [A] is ontvangen. [C] heeft dit bedrag door middel van verduistering gepleegd door [A] verkregen.
Uit AH18, bijlage 10, blijkt dat er iets meer dan € 4.000.000,- vanuit [C] naar de volgende verdachte natuurlijke personen dan wel aan hen gelieerde ondernemingen gaat:
[medeverdachte 2] € 1.175.609,-
[verdachte] € 302.779,-
[betrokkene 3] € 203.043,-
[betrokkene 4] € 317.552,-
[medeverdachte 1] € 2.014.442,-
ConclusieHet hof leidt hieruit af dat verdachte geldbedragen ter beschikking heeft gehad, overgedragen en omgezet die afkomstig waren van de verduistering gepleegd door [A] , zodat bewezen kan worden dat de rechtspersoon [C] geldbedragen heeft witgewassen.
enkeleverwerven of voorhanden hebben, in die zin dat die gedraging een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. [15] Hetzelfde geldt niet voor een op de delictsomschrijving van art. 420bis, eerste lid onder a, Sr toegesneden bewezenverklaring, waarin immers reeds ligt besloten dat de gedragingen van de verdachte op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp waren gericht. [16] In beginsel hebben de door de Hoge Raad gegeven kwalificatieuitsluitingsregels óók geen betrekking op de andere in art. 420bis, eerste lid onder b, Sr omschreven delictsgedragingen dan het “verwerven” of “voorhanden hebben”; dus niet op het in de onderhavige zaak eveneens bewezenverklaarde “overdragen” en “omzetten”, en evenmin op het in die bepaling voorkomende “gebruik maken”. Dit kan anders liggen indien een van deze gedragingen plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van de gevallen waarin het begaan van een bepaald (grond)misdrijf en het daardoor verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp uit dat misdrijf, automatisch zou leiden tot het begaan van witwassen. [17] Zo kan het enkele storten op een eigen bankrekening van contante geldbedragen die onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig zijn, worden aangemerkt als “omzetten” van die geldbedragen, maar rechtvaardigt die gedraging niet zonder meer de kwalificatie witwassen. [18] Ook dan is dus een aanvullende gedraging vereist of dient nader te worden gemotiveerd waarom het storten van dat geld op de eigen bankrekening gericht was op het daadwerkelijk verhullen van de criminele herkomst daarvan. [19]
vierde middelklaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de onder 2 subsidiair bewezenverklaarde gedragingen van [C] en behelst twee klachten. Eensdeels wordt geklaagd dat de verdachte een gedeelte van de bewezenverklaarde periode niet als bestuurder bij [C] was betrokken en in die periode dus niet bevoegd was maatregelen te treffen ter voorkoming van de verboden gedragingen. Anderdeels wordt geklaagd dat het opzet van de verdachte als feitelijke leidinggever op witwassen niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
eerste middelklaagt dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden doordat het hof de stukken van het geding te laat aan de Hoge Raad heeft gezonden.
namens de benadeelde partij voorgestelde middelklaagt dat de beslissing van het hof de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk te verklaren, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen is omkleed. [22]
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 47.518,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.
[...]
[...]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.”
uitsluitendheeft gebaseerd op de mogelijkheid dat nog gelden aan de benadeelde partij worden uitgekeerd, berust het mijns inziens op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. De overwegingen van het hof moeten mijns inziens zó worden begrepen dat het de bedoelde omstandigheid heeft betrokken in zijn oordeel over de belasting die de vordering voor het strafgeding oplevert.
NJ2018/475, m.nt. Vellinga heeft de Hoge Raad de bakens verzet ten aanzien van de ambtshalve cassatie vanwege het intreden van de vervolgingsverjaring. [28] De Hoge Raad stelt in rechtsoverweging 3.1. van dat arrest zijn vaste rechtspraak voorop dat de rechter ambtshalve verplicht is om op de voet van art. 348 Sv Pro onder meer de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie te onderzoeken en van dit onderzoek in vier van elkaar te onderscheiden gevallen in zijn uitspraak blijk te doen geven. Vervolgens overweegt de Hoge Raad:
3.4. In cassatie lijdt dit evenwel naar huidig inzicht uitzondering voor het geval dat de verjaring reeds voor het indienen van de schriftuur was voltooid en de cassatieschriftuur niet de klacht bevat dat de rechter hetgeen hiervoren onder 3.1 is overwogen, heeft miskend. Wel zal de Hoge Raad ambtshalve ingrijpen ingeval de termijn van verjaring is vervuld tussen de indiening van de schriftuur en de uitspraak van het arrest omdat in dat geval niet bij wege van een middel van cassatie beroep kon worden gedaan op het alsnog intreden van de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging.
3.5. De Hoge Raad zal daarom de vraag laten rusten of in het onderhavige geval de verjaring voor het indienen van de schriftuur was voltooid.”
onderhavigezaak is daarmee niet alles gezegd. Enerzijds is in casu geen sprake van een verjaring die vóór de indiening van de schriftuur reeds (volledig) was voltooid, terwijl aan de andere kant aan de raadsman die de verdachte in de cassatieprocedure bijstaat tot op zekere hoogte kan worden tegengeworpen dat hij over de verjaring niet heeft geklaagd. Aldus rijst de vraag hoe de bevoegdheid tot ambtshalve cassatie zal worden ingekleurd indien op een – al dan niet impliciet – cumulatieve tenlastelegging opgenomen feiten verjaren ná de indiening van de cassatieschriftuur, terwijl over het verjaren van andere feiten op die tenlastelegging vóór de indiening van de schriftuur niet is geklaagd.
NJ2019/230, m.nt. Keijzer stelt mijn ambtgenoot Aben dat het misdrijf van art. 328ter Sr met als pleegperiode 8 juni 1999 tot en met 30 januari 2009 in elk geval gedeeltelijk is verjaard. Nu de absolute verjaringstermijn naar zijn oordeel reeds was aangevangen in 2011 en in de schriftuur daarover niet werd geklaagd, schonk hij hieraan enkel in een voetnoot aandacht. De Hoge Raad besteedde in het op de conclusie volgend arrest aan de verjaring geen overwegingen. Daarmee komt de vraag op of dat als instemming met het standpunt van mijn ambtgenoot kan worden begrepen. Ik merk in dat verband op dat de verjaringstermijn van het misdrijf van art. 328ter, eerste lid, (oud) Sr volgens de Hoge Raad niet al aanvangt bij het aannemen van een gift, maar eerst na het in strijd met de goede trouw verzwijgen ervan tegenover de werkgever, welk verzwijgen moet worden aangemerkt als één voortdurend omissiedelict. [31] Het kan dus zo zijn dat de Hoge Raad in die zaak heeft geoordeeld dat het recht tot strafvervolging van het tussen 8 juni 1999 en 30 januari 2009 (meermalen) gepleegde feit in het geheel nog niet was verjaard toen hij op 2 april 2019 arrest wees, omdat de aanvang van de verjaringstermijn op een later dan het door de A-G aangegeven moment was gelegen. Mijn ambtgenoot Keulen constateert in zijn conclusie vóór HR 10 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1926 eveneens dat over (een gedeelte van) de potentieel verjaarde feiten in de schriftuur kon worden geklaagd en veronderstelt dat de Hoge Raad dus niet zal ingrijpen, al betrof het een opmerking ten overvloede nadat hij reeds had geconstateerd dat van verjaring (om een andere reden) geen sprake was. Dat de Hoge Raad in de zaak niet ambtshalve ingreep, kan derhalve evenmin als een impliciet antwoord op de hier opgeworpen vraag worden beschouwd. [32]
konworden geklaagd, ambtshalve beoordeling door de Hoge Raad niet op prijs wordt gesteld. Uit het arrest van de Hoge Raad waarin hij de bakens ten aanzien van ambtshalve cassatie wegens verjaring heeft verzet, kan ik in elk geval niet opmaken dat de Hoge Raad die stap in dat arrest heeft bedoeld te nemen.