ECLI:NL:HR:2019:654

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 april 2019
Publicatiedatum
22 april 2019
Zaaknummer
16/03365
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420ter SrArt. 420bis.1.b SrArt. 3 Wet inzake de geldtransactiekantorenArt. 81 lid 1 ROArt. 440 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en niet-ontvankelijkheid wegens verjaring bij medeplegen gewoontewitwassen en ongeregistreerd geldtransactiekantoor

De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag inzake medeplegen van gewoontewitwassen en het zonder vereiste registratie werkzaam zijn als geldtransactiekantoor. Het hof had bewijsvoering deels gebaseerd op een uittreksel uit justitiële documentatie dat niet volledig was voorgelezen, en er was discussie over de wetenschap van het criminele karakter van de geldbedragen.

De Hoge Raad oordeelde ambtshalve dat het feit van het zonder vereiste registratie werkzaam zijn als geldtransactiekantoor was verjaard, omdat de strafvordering hiervoor op 18 april 2019 volledig was vervallen. Dit leidde tot vernietiging van het arrest voor dat onderdeel en niet-ontvankelijkverklaring van de Officier van Justitie in de vervolging.

De zaak werd terugverwezen naar het hof voor hernieuwde beoordeling van de strafoplegging, terwijl het overige beroep van de verdachte werd verworpen. Hiermee bevestigde de Hoge Raad het belang van correcte bewijsvoering en de toepassing van verjaringsregels bij strafzaken over witwassen en financiële delicten.

De uitspraak werd gedaan door de vice-president van Schendel, met raadsheren Buruma en van Strien, op 23 april 2019.

Uitkomst: Hoge Raad verklaart OvJ niet-ontvankelijk wegens verjaring en wijst zaak terug voor hernieuwde strafoplegging.

Uitspraak

23 april 2019
Strafkamer
nr. S 16/03365
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 7 juni 2016, nummer 22/002057-08, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968.

1.Geding in cassatie

1.1.
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
1.2.
De Hoge Raad heeft bij arrest van 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:79, geoordeeld dat het eerste middel niet tot cassatie kan leiden en dat de Advocaat-Generaal in de gelegenheid behoort te worden gesteld zich uit te laten over de overige middelen.
1.3.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft bij aanvullende conclusie geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde en de strafoplegging en tot zodanige op art. 440 Sv Pro gegronde beslissing als de Hoge Raad passend voorkomt.

2.Beoordeling van het tweede en het derde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

3.1.
Op grond van hetgeen is vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 17 is de Hoge Raad van oordeel dat het onder 2 tenlastegelegde feit is verjaard.
3.2.
De Hoge Raad zal, met vernietiging van de bestreden uitspraak in zoverre, de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.

4.Beoordeling van het vierde middel

Gelet op de hierna volgende beslissing behoeft het middel geen bespreking.

5. Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging;
verklaart de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk in de vervolging wat betreft het onder 2 tenlastegelegde;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak wat betreft de strafoplegging op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
23 april 2019.