Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
7 maart 2017.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin hij was veroordeeld voor witwassen. Verdachte had grote contante geldbedragen gestort op bankrekeningen van zijn eigen B.V.'s, waarvan hij feitelijk leidinggever was. Het hof had bewezen verklaard dat verdachte en de rechtspersonen geldbedragen hadden verworven, voorhanden gehad, overgedragen en omgezet, terwijl verdachte wist dat deze afkomstig waren uit enig misdrijf.
De Hoge Raad oordeelde dat de bewezenverklaring voor zover die inhoudt dat de rechtspersonen geldbedragen hebben overgedragen onvoldoende was gemotiveerd, maar dat dit niet tot vernietiging van het arrest leidt omdat de aard en ernst van het feit als geheel niet worden aangetast. De bewezenverklaring voor het omzetten van de geldbedragen was toereikend gemotiveerd. Verdachte voerde aan dat het geld afkomstig was uit een geldlening en andere legale bronnen, maar het hof vond deze verklaringen niet aannemelijk en concludeerde dat het geld crimineel was verkregen.
Verder stelde verdachte dat het enkele verwerven of voorhanden hebben van geld afkomstig uit eigen misdrijf niet als witwassen kan worden gekwalificeerd, maar de Hoge Raad oordeelde dat dit niet van toepassing was omdat niet aannemelijk was dat het geld uit een eigen misdrijf kwam. Ten slotte stelde verdachte dat de redelijke termijn was overschreden, wat de Hoge Raad bevestigde en daarom de opgelegde gevangenisstraf met 4 dagen verminderde. Het beroep werd verder verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot 84 dagen wegens overschrijding van de redelijke termijn, veroordeling voor witwassen blijft in stand.