Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
nietbepalend is voor het oordeel over de aansprakelijkheid.
onvoldoende zorg is besteed of informatie is verstrektin verband met de bij de behandeling gebruikte zaak. Deze afdeling regelt echter niet specifiek de aansprakelijkheid voor het gebruik van ongeschikte of gebrekkige medische hulpzaken.
producent van een gebrekkig product(artikel 6:185 e.v. BW), de buitencontractuele aansprakelijkheid van de
bezitter of bedrijfsmatige gebruiker van een gebrekkige roerende zaak(artikelen 6:173 en 6:181 BW) en de contractuele aansprakelijkheid van de
verkoper die een non-conforme zaak heeft afgeleverd(artikel 7:17 BW Pro). Dit wordt besproken onder 6.
afgeleverd’, wordt namelijk niet ‘
gebruikt’. Indien de medische behandeling erin voorziet dat een implantaat in het lichaam wordt geplaatst, is in de praktijk de vraag gerezen of sprake is van aflevering van die zaak.
objectieve en subjectieve aanknopingspuntenkan worden beoordeeld. Hieruit volgt dat
ongeschiktheiden
gebrekkigheidvan een zaak niet automatisch samenvallen. Een niet-gebrekkige zaak kan ongeschikt zijn; een gebrekkige zaak hoeft niet ongeschikt te zijn. Als de geschiktheid van een medische hulpzaak wordt beoordeeld in functie van de hoofdverbintenis van de behandelaar om goede zorg te verlenen (artikel 7:453 BW Pro), dan is volgens
dezenorm de behandelaar niet aansprakelijk voor ten tijde van het gebruik van de hulpzaak objectief onbekende gebreken in de zaak (met name onbekende productiegebreken), die een redelijk handelend en redelijk bekwaam behandelaar niet kán kennen.
eerste opvattingis het gebruik van een ongeschikte zaak als zodanig een tekortkoming in een resultaatsverbintenis om geen ongeschikte zaak te gebruiken. In deze opvatting kan een objectief gebrekkige zaak als ongeschikt worden aangemerkt (9.15 en 9.19). In de
tweede opvattingmoet de in artikel 6:77 BW Pro bedoelde verbintenis worden afgeleid uit de overeenkomst. Bij de behandelingsovereenkomst leidt dit tot de hiervoor al genoemde conclusie dat een gebrekkig product geen ongeschikte zaak hoeft te zijn (9.16 en 9.20).
in welke gevalleneen behandelaar toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van de behandelingsovereenkomst wegens ongeschiktheid van een bij de behandeling gebruikte hulpzaak. Hiertoe moet de
risicosfeervan behandelaar en ziekenhuis nader worden afgebakend.
risicosfeervan behandelaar en ziekenhuis nader moet worden afgebakend (onderdeel 10).
kenmerkendzijn voor de eigenlijke behandeling, zoals een implantaat, dan wel
overige hulpzaken, zoals bij de behandeling of de aanpalende handelingen gebruikte apparatuur, instrumenten en materialen en overige in verband met de behandeling en verzorging gebruikte zaken.
argumentenbesproken die zijn aangevoerd om te betogen dat het gebruik van een ongeschikte of gebrekkige hulpzaak al dan niet voor risico van behandelaar of ziekenhuis behoort te komen. De betekenis van verschillende argumenten kan in de medische context in meer of mindere mate worden gerelativeerd. Het betreft argumenten die worden ontleend aan omstandigheden als: onbekendheid, deskundigheid, profijt, verzekerbaarheid, draagkracht en daaraan verwante gezichtspunten, keuzevrijheid en ten slotte zeggenschap. De werfkracht van deze argumenten hangt af van de omstandigheden van het geval en kan overigens variëren al naar gelang het gaat om een hulpzaak die kenmerkend is voor de eigenlijke behandeling dan wel een overige hulpzaak.
3.Procesverloop
The removal of hydrogel explants” uit 2016 van N. Crama (als oogarts/onderzoeker verbonden aan het Radboudumc) en J. Klevering overgelegd. [14] Op voorstel van het hof is de ter zitting aanwezige Crama over dit artikel gehoord als deskundige aan de zijde van het Radboudumc.
4.Medische hulpzaken; regelgeving; CE-markering
audit on-site. [50]
post-market surveillance(voor onder andere klinische gegevens) opzetten. [54] De verzamelde documentatie wordt door de Commissie elektronisch bijgehouden. De verordening regelt verder de oprichting van een coördinatiegroep voor medisch hulpmiddelen, het Unique Device Identification systeem voor de traceerbaarheid van hulpmiddelen [55] en de Europese databank waarin de informatie over een medisch hulpmiddel ook voor de patiënt beschikbaar komt. [56]
5.De rechtsverhouding tussen patiënt, behandelaar en ziekenhuis
medisch-professionele standaard genoemd), en anderzijds normen die van buiten de beroepsgroep afkomstig zijn, zoals de rechten van patiënten en andere maatschappelijke regelingen. [70] Bij het bepalen van de medisch-professionele standaard wordt in toenemende mate gebruik gemaakt van richtlijnen, standaarden en protocollen. [71] Dit zijn handelingsinstructies voor zorgvuldig professioneel handelen in de zorg. [72] Ook de kwaliteitsstandaard uit de Zorgverzekeringswet kan daaronder worden begrepen. [73] Een richtlijn of standaard kan zowel een lokaal (bijv. binnen een ziekenhuis) of landelijk geldingsbereik hebben. Een protocol is vaak een ‘lokale vertaling’ van een landelijke richtlijn of standaard en heeft een meer gedetailleerde of praktische inhoud. [74] Met betrekking tot de juridische status van richtlijnen en protocollen heeft de Hoge Raad geoordeeld dat deze in beginsel in acht moeten worden genomen, maar dat daarvan kan of zelfs moet worden afgeweken als op die manier wel de zorg van een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener wordt verleend. Dat brengt mee dat een afwijking door de arts moet worden beargumenteerd en dat het volgen van protocol of richtlijn niet zonder meer betekent dat de arts juist heeft gehandeld. [75] In dit verband is ook van belang of een richtlijn of protocol moet worden beschouwd als een veiligheidsnorm die de patiënt tegen een specifiek gevaar beoogt te beschermen. Wanneer dit gevaar zich heeft verwezenlijkt is aansprakelijkheid in beginsel gegeven. Het is dan aan de aangesproken hulpverlener om te bewijzen dat naleving van richtlijn of protocol de verwezenlijking van het gevaar niet had kunnen voorkomen. [76]
6.Aansprakelijkheid voor ongeschikte en/of gebrekkige zaken in het algemeen
Wilnis-arrest, kort gezegd, dat het aankomt: [98]
Wilnis-rechtspraak. [103]
7.Artikel 6:77 BW Pro in het algemeen
Vliegtuigvleugelen
Polyclens.
Vliegtuigvleugelbetrof een geval waarin een overeenkomst om een vliegtuigvleugel te transporteren niet goed werd uitgevoerd, omdat een bout in de daarvoor gebruikte kraan afbrak. Daarom was sprake van een tekortkoming in de nakoming van een resultaatsverbintenis, namelijk “
de verplichting (..) om de vliegtuigvleugel onbeschadigd overeenkomstig de door Fokker's personeel gegeven aanwijzingen op de vrachtauto over te brengen”. [112] De Hoge Raad overwoog: [113]
Polyclensbetrof een geval waarin een overeenkomst om een vloer schoon te maken, waarbij was besproken dat de in de betreffende ruimte opgeslagen goederen niet mochten worden beschadigd, niet goed werd uitgevoerd nadat het gebruikte schoonmaakmiddel een partij opgeslagen aluminium aantastte. Daarom was sprake van een tekortkoming in de nakoming van een resultaatsverbintenis, namelijk “
dat Hessing dat schoonmaken zodanig diende te verrichten dat daardoor geen schade zou ontstaan aan de in de fabriekshal aanwezige goederen”. De Hoge Raad overwoog: [114]
Vliegtuigvleugel-arrest en het
Polyclens-arrest was geformuleerd. [115]
- wordt een medische zaak zoals een implantaat gebruikt bij de uitvoering van de behandelingsovereenkomst en/of is sprake van aflevering ervan (hierna 8.1 e.v.)?
8.Gebruik bij de uitvoering van een verbintenis; aflevering?
gebruiktbij de uitvoering van de behandelingsovereenkomst en/of wordt
afgeleverdaan de patiënt.
gebruiktin het kader van een medische behandelingsovereenkomst;
gebruiktin het kader van een medische behandelingsovereenkomst
en afgeleverdin het kader van een koopovereenkomst; en
afgeleverdin het kader van een koopovereenkomst.
afleveringverstaan het stellen van de zaak in het bezit of, bij een eigendomsvoorbehoud, in de macht van de koper (artikel 7:9 leden Pro 2 en 3 BW). [132] De aflevering staat aldus in functie van de eigendomsverkrijging (zie de artikelen 3:84, 3:90, 3:91 en 3:92 BW).
uitde macht van de behandelaar, maar is kwestieus of het ook
inde macht van de patiënt wordt gebracht. Bezits- of machtsverschaffing bij koop betreft immers de macht die de schuldeiser kan uitoefenen over een zaak als (bij eigendomsvoorbehoud: verwacht) onderdeel van zijn vermogen. Het menselijk lichaam is geen zaak in de zin van artikel 3:2 BW Pro. [133] Ten aanzien van implantaten zou hetzelfde kunnen worden aangenomen, maar daarover bestaat enige discussie. [134]
verbintenisdie strekt tot aflevering van de zaak (zie bij koop artikel 7:9 BW Pro).
gebruiktbij de uitvoering van de medische behandelingsovereenkomst. Als de patiënt bijvoorbeeld pijnklachten en beperkingen ervaart door een ‘versleten heup’, dan zullen die klachten worden behandeld en is het gebruik van een heupprothese daartoe een middel. [136]
gebruikt. De opvatting dat ten aanzien van het implantaat
alleeneen verbintenis tot
afleveringbestaat − de in 8.5 genoemde variant (iii) − valt daarom af. Er is altijd ook een zorgverbintenis uit hoofde van de medische behandelingsovereenkomst en in het licht van
dieverbintenis wordt het implantaat gebruikt als hulpzaak.
samenloopvan de twee overeenkomsten levert geen problemen op. Er zijn twee afzonderlijke, onafhankelijk van elkaar werkende overeenkomsten. De patiënt kan de behandelaar aanspreken uit hoofde van de behandelingsovereenkomst en in dat verband geldt dat het implantaat door de behandelaar is gebruikt. Daaraan doet niet af dat het implantaat tevens uit hoofde van de koopovereenkomst is geleverd. Beide overeenkomsten moeten in deze hypothese immers onafhankelijk van elkaar worden beoordeeld. De patiënt/koper kan kiezen op welke grondslag hij de behandelaar/verkoper aansprakelijk stelt.
kwalificatievraag: is het overheersende aspect van de rechtsverhouding tussen patiënt en behandelaar de behandeling en is de aflevering door de behandelaar van het implantaat aan de patiënt daaraan ondergeschikt?
9.Ongeschiktheid en tekortkoming
daartoeongeschikt is …”). In de tweede plaats is dat een verband tussen de tekortkoming en de ongeschiktheid van de hulpzaak (“… dan wordt de tekortkoming die
daardoorontstaat de schuldenaar toegerekend, tenzij …”). Uit de bespreking van beide verbanden zal blijken dat zij met elkaar verweven zijn.
informed consent. Het gaat hierbij met name om eigenschappen van hulpzaken die kenmerkend zijn voor de eigenlijke behandeling (zoals implantaten) en niet of in mindere mate om eigenschappen van andere hulpzaken die bij de behandeling worden gebruikt (zoals de verschillende operatie-instrumenten).
recall-actie aankondigt.
dezenorm niet dat de behandelaar aansprakelijk is voor ten tijde van het gebruik van de hulpzaak objectief onbekende gebreken in de zaak (met name onbekende productiegebreken), die een redelijk handelend en redelijk bekwaam behandelaar niet kán kennen.
welkeverbintenis wordt hier bedoeld? Ik noem twee opvattingen hierover.
instaan voorde gebruikte zaak’. [165] Deze bewoordingen bieden geen duidelijkheid. ‘Instaan voor’ heeft geen vaste betekenis. [166] Doelt men hiermee op het bestaan van een verbintenis ten aanzien van de geschiktheid van de zaak zodat het gebruik van een ongeschikte zaak een tekortkoming oplevert die vervolgens aan de schuldenaar wordt toegerekend? Of gaat het slechts om de toerekeningsvraag?
Vliegtuigvleugelen
Polyclenswaarop dit artikel is geïnspireerd, bieden op zichzelf een aanknopingspunt voor de keuze voor de bij 9.16 bedoelde tweede opvatting. In beide zaken overweegt de Hoge Raad immers dat het gaat een resultaatsverbintenis. Deze verbintenissen werden afgeleid uit de in deze gevallen tussen partijen gemaakte afspraken. Omdat in beide zaken het resultaat niet was bereikt, was sprake van een tekortkoming. De discussie betrof in die zaken dus de vraag of deze tekortkoming aan de schuldenaar kan worden toegerekend.
Polyclens). De functionele ongeschiktheid betrof alleen de in dat geval contractueel beoogde toepassing; het ging niet om een algemene ongeschiktheid om als schoonmaakmiddel te worden gebruikt in verband met veiligheidsrisico’s die het middel een gebrekkig product zouden maken.
Polyclensbrengt dus de keuze van een voor de uitvoering van de verbintenis verkeerd middel in het algemeen voor risico van de schuldenaar van een resultaatsverbintenis.
Vliegtuigvleugelgecompliceerder. Voorts ligt de situatie weer anders wanneer niet de schuldenaar, maar de schuldeiser verantwoordelijk is voor de keuze van de hulpzaak, zo volgt uit
Moffenkit-arrest. [171]
welke gevalleneen behandelaar toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van de behandelingsovereenkomst wegens gebrekkigheid of ongeschiktheid van een bij de behandeling gebruikte hulpzaak. Het antwoord zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Ik zal hierna enige algemene lijnen proberen uit te zetten.
10.De allocatie van risico’s ter zake van de medische hulpzaak
kenmerkendzijn voor de eigenlijke behandeling, zoals een implantaat, dan wel
overige hulpzaken, zoals bij de behandeling of de aanpalende handelingen gebruikte apparatuur, instrumenten en materialen en overige in verband met de behandeling en verzorging gebruikte zaken. [180]
informed consent. Dat impliceert als regel dat de patiënt het eens moet zijn met de behandeling met de hulpzaak, al is niet steeds vereist dat het type of merk hulpzaak wordt besproken of dat de keuze van de hulpzaak wordt overgelaten aan de patiënt. Voor zover is gesproken over de eigenschappen van de hulpzaak en/of standaardinformatie over de zaak is verstrekt door middel van een folder of een website, kan een en ander mede bepalen wat de patiënt redelijkerwijs van de zaak mag verwachten. Het redelijke verwachtingspatroon van de patiënt ten aanzien van de eigenschappen van deze zaken kan daarom worden bepaald aan de hand van objectieve en subjectieve aanknopingspunten.
claims made-model met beperkte inloop kunnen worden afgesloten. [184]
Moffenkit-arrest wordt wel betoogd dat toerekening onredelijk zou zijn als niet de arts maar de patiënt de hulpzaak heeft gekozen. [187] Hetzelfde zou kunnen worden betoogd in geval dat de keuze voor de hulpzaak is bepaald door de ziektekostenverzekering van de patiënt, omdat dit tot zijn risicosfeer behoort. [188] Om de hierna te geven redenen, gaan dergelijke aan keuze(vrijheid) ontleende argumenten voor de allocatie van risico ten aanzien van medische hulpzaken die kenmerkend zijn voor de eigenlijke behandeling, naar mijn mening niet of maar in beperkte mate op.
binnende invloedsfeer van behandelaar of ziekenhuis.
buitende invloedsfeer van behandelaar of ziekenhuis. Dit speelt in gevallen waarin de hulpzaak een gebrekkig product is en behandelaar of ziekenhuis dit niet kunnen onderkennen.
11.Bespreking van het principale cassatieberoep
Onderdeel 1richt zich tegen het oordeel van het hof dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de verbintenis door de arts. Het stelt de verhouding tussen artikel 6:77 BW Pro (toerekening bij het gebruik van ongeschikte hulpzaken) en artikel 6:74 BW Pro (tekortkoming) aan de orde.
Onderdeel 2bevat rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel dat de Miragelplombe een ongeschikte hulpzaak is in de zin van artikel 6:77 BW Pro.
Onderdeel 3, ten slotte, komt op tegen het oordeel van het hof dat toerekening op grond van artikel 6:77 BW Pro niet onredelijk zou zijn.
subonderdeel 1.1gaat het hof er in rov. 2.16 en 2.17 EA ten onrechte vanuit dat het gebruik van een ongeschikte (medische) hulpzaak (zonder meer) een tekortkoming in de nakoming oplevert.
subonderdeel 1.3dat een geneeskundige behandelingsovereenkomst niet, althans niet in alle gevallen en in het bijzonder niet in dit geval, een (deel)resultaatsverbintenis bevat die inhoudt dat de behandelaar (altijd) instaat voor de (deugdelijkheid van) gebruikte medische hulpzaken. Alternatief, betoogt het onderdeel dat het hof heeft miskend dan wel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd dat in dit geval op het Radboudumc een inspanningsverbintenis en geen resultaatsverbintenis rustte ten aanzien van de (keuze voor een) plombe en dat met het gebruik van de Miragelplombe door het Radboudumc aan die inspanningsverbintenis is voldaan.
subonderdeel 1.5is er geen sprake van een tekortkoming indien onderdeel 2 terecht klaagt over het oordeel dat de plombe een ongeschikte zaak is.
subonderdeel 2.2onjuist althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd in het licht van de door het Radboudumc ingenomen stellingen uit subonderdelen 1.2-1.3.
de gebruikte hulpzaak (…) als gebrekkig kan worden gekwalificeerd als deze niet geschikt is (gebleken) voor het doel waarvoor het is of werd gebruikt”, (ii) “
de Miragelplombe door zijn samenstelling/eigenschappen waardoor de latere complicaties van zwelling (met mogelijke bijwerkingen, zoals oogbewegingsbeperking en sterke scleraverdunning) en van fragmenteren bij verwijdering zijn opgekomen (voor [verweerder] ) ongeschikt [is] gebleken” en (iii) “
dat het feit dat in 1992 (en de jaren daarna) gebruikmaking van de Miragelplombe “state of the art” was en het feit dat (de artsen van) het Radboudumc toentertijd niet wisten van de toekomstige complicaties (…) dit niet anders [maakt].”
recall-actie is geweest en dat de plombe nog tot medio 2000 werd gebruikt. Weliswaar overweegt het hof in rov. 2.17 ook: “
Het feit dat ook siliconenplombes postoperatieve (latere en vergelijkbare) complicaties kunnen opleveren, laat onverlet dat alleen bij de Miragelplombe sprake is van zwelling van de plombe en fragmentatie bij verwijdering van de plombe, waardoor de kans op deze ernstige complicaties bij gebruik van deze plombe veel hoger is komen te liggen.” Daarmee is echter slechts gewezen op een verhoogde kans op bepaalde complicaties.
onderdeel 3stellen alle de toerekeningsvraag aan de orde en behoeven gezien het voorgaande geen behandeling.
12.Bespreking van het incidentele cassatieberoep
in zoverre is het … debat over het punt of de behandelend artsen … wel of niet wisten dat … een Miragelplombe was gebruikt niet zo relevant”) en rov. 2.12 EA (“
Dat [betrokkene 3] niet wist dat sprake was van een Miragelplombe kan hem .. rechtens niet worden verweten (…) en de indicatie tot verwijdering van de plombe niet ervan afhangt of het een Miragelplombe is…”).
onderdeel II.1.3dient ook te falen.
onderdeel I.2.1is de beslissing van het hof om Crama als deskundige te horen tijdens het pleidooi van 5 september 2016 in strijd met artikel 200 lid 1 Rv Pro, artikel 6 EVRM Pro en een goede procesorde, omdat partijen niet om dit verhoor hebben verzocht, de advocaat van [verweerder] tegen het verhoor bezwaar heeft gemaakt en [verweerder] door het verhoor is overvallen.
De rechter kan een partij op haar verzoek toestaan deskundigen te doen horen die niet door de rechter zijn benoemd.” Dit wordt ook wel de ‘partijdeskundige’ genoemd, al heeft de wetgever deze term aanvankelijk vermeden om associatie met de partij-getuige aan wiens verklaring slechts beperkte bewijskracht toekomt, te voorkomen. [200]
onderdeel I.2.1te verwerpen, bezie ik nader of er bezwaar tegen is om te aanvaarden dat de rechter ook ambtshalve bevoegdheid is over te gaan tot het verhoor. Ik wijs op de volgende drie punten.
Het scheidsgerecht kan, op verzoek van een der partijen, een partij toestaan om getuigen of deskundigen voor te brengen.”
“Het scheidsgerecht kan, op verzoek van een der partijen of uit eigen beweging, partijen bevelen om bewijs te leveren door het horen van getuigen en deskundigen (…).” De parlementaire toelichting vermeldt hierover:
Met voorafgaande toestemming van de rechter kunnen tijdens de mondelinge behandeling getuigen en partijdeskundigen worden gehoord. De negende afdeling van de tweede titel is van overeenkomstige toepassing, onverminderd artikel 284, eerste lid.” [210] Deze bepaling is ook van toepassing in hoger beroep (artikel 353 Rv Pro), maar gold niet ten tijde van het pleidooi bij het hof op 5 september 2016. De bepaling is overgenomen van artikel 30k Rv, dat is ingevoerd voor digitaal procederen. De memorie van toelichting vermeldt over artikel 30k lid 2 Rv onder meer: [211]
onderdelen I.2.2 en I.2.3bevatten verder nog klachten tegen de beslissing om de deskundige Crama nadere schriftelijke vragen te stellen en tegen de formulering van een bepaalde vraag.
mondelingaanvullende vragen te stellen. Nu het hof Crama mondeling heeft gehoord, zou [verweerder] evenzeer mondeling aanvullende vragen moeten kunnen stellen (‘equality of arms’). Dat Crama driemaal uitvoerig mondeling is gehoord kan de afwijzing volgens het onderdeel niet dragen, omdat het daarbij ging om het in rov. 4.4 TA vermelde verhoor en verhoren in het kader van mediation. De aan Crama verzochte schriftelijke toelichting kan de afwijzing evenmin dragen omdat dit [verweerder] niet de mogelijkheid biedt om Crama ‘aan de tand te voelen’, aldus de klacht.
materiaal, [215] door het hof - in vraag 5 van het dictum van het tussenarrest - is gewijzigd in de vraag of dit het eerste artikel was dat wees op een gebrek in de (Miragel)
plombe. Volgens de klacht had het hof deze wijziging niet mogen doorvoeren omdat de vraag van [verweerder] naar een gebrek in het soort materiaal daarmee is verengd tot een vraag naar een gebrek van het uit dit materiaal vervaardigde product.
onderdeel I.3.
Kennis/wetenschap over eigenschappen Miragelplombe in 1992
for a long time after surgery”. Zij vervolgen: “
However, to our knowledgde, similar complications in patients who receive an episcleral [de Miragel, toev. hof] have not been reported. We have used MIRAgel as an episcleral implant in a large number of patients since 1986 [dat is dus 6 jaar, toev. hof] and have not observed such complications.” Met kennis achteraf stelt [verweerder] dat risico’s van complicaties van de Miragelplombe dus niet konden worden uitgesloten en hij verwijst daarvoor ook onder meer naar publicaties van latere datum. Hooymans concludeert echter (antwoord op vraag 3), mede naar aanleiding van dit artikel van Marin et al, dat op 6 juli 1992 (de dag van de operatie van [verweerder] ) er geen enkel vermoeden bestond van de nu bekende lange termijn complicaties van de Miragelplombe. “
Pas in 1997 beschrijven Hwang et al de eerste episclerale implant [het betreft 1 casus, toev. hof] die 10 jaar na de operatie complicaties gaf in de vorm van zwelling en fragmentatie.” Met de kennis van toen was de keuze van [betrokkene 1] om een Miragelplombe te plaatsen een goede keuze en zou een redelijk handelend patiënt toentertijd gekozen hebben voor de Miragelplombe, aldus nog steeds Hooymans. (Hooymans vermeldt ook dat het alternatief, een siliconen plombe, meer kans op infectie geeft.) Het hof volgt Hooymans in haar deskundige opinie en maakt haar conclusies tot de zijne. Overigens heeft ook Crama in antwoord op de schriftelijke vraag 5 van het hof in het tussenarrest van 3 oktober 2017 bevestigd dat Marin et al enkel schrijven over de Maiplombe en niet over gebreken van de Miragelplombe en zelfs daarover schrijven dat zij bij de vele patiënten met een Miragelplombe niet zulke complicaties hebben gezien; ook Crama verwijst naar het hiervoor genoemde citaat (comment, pag. 88). Het hof sluit zich voorts aan bij de rechtsoverwegingen 2.6-2.9 en 2.11-2.13 van de rechtbank in het eindvonnis en maakt die tot de zijne. Grief 4 faalt en de daarop voortbouwende grieven 5 en 6 ook: met de kennis van toen kon en behoefde [betrokkene 1] [verweerder] niet te informeren over mogelijke en toekomstige complicaties en kon de toestemming van [verweerder] daarop ook niet gericht zijn. In zoverre is grief 1 in het (voorwaardelijk) incidenteel appel van het Radboudumc tegen de feitenvaststelling onder 2.10 van het tussenvonnis van 3 maart 2010 terecht opgeworpen (dat op enig moment in de jaren ’90 de medische wereld ermee bekend raakte dat de Miragelplombe na verloop van een aantal jaren de eigenschap had te zwellen en te fragmenteren); deze feitenvaststelling is in het licht van het voorgaande te ongenuanceerd.”
onderdelen II.2.1. tot en met II.2.1.5zijn gericht tegen de beslissing van het hof in rov. 2.7 EA om deskundige prof. Hooymans te volgen in haar conclusie dat er ten tijde van de operatie van [verweerder] op 6 juli 1992 geen enkel vermoeden bestond van de nu bekende lange termijncomplicaties van de Miragelplombe.
onderdeel II.2.1.1is deze beslissing onbegrijpelijk gezien de opmerking van Marin et al in hun artikel van januari 1992 dat bij Miragelplombes in de toekomst soortgelijke problemen als met de Maiplombe zouden kunnen ontstaan en dat daarvoor periodiek (vervolg)onderzoek van patiënten nodig is “for a long time after surgery”. Deze opmerking kan volgens het onderdeel niet anders worden opgevat dan dat er op 6 juli 1992 wél een vermoeden was van de lange termijncomplicaties van de Miragelpombe.
de eerste klacht van onderdeel II.2.1.2heeft het hof miskend dat het bij het beantwoorden van de vraag of het de conclusies van de deskundige zal volgen alle ter zake door partijen betrokken stellingen in aanmerking moet nemen en op basis daarvan in volle omvang moet toetsen of aanleiding bestaat om van de conclusies van de deskundige af te wijken.
tweede klacht van onderdeel III.2.1.2is de beslissing onbegrijpelijk gezien de vaststelling van het hof dat de Miragelplombe en de Maiplombe dezelfde chemische samenstelling hebben en voorts gezien een aantal essentiële stellingen van [verweerder] , [217] die zich volgens de klacht niet anders laten verstaan dan dat er op 6 juli 1992 wel een serieus te nemen vermoeden was van de nu bekende lange termijn complicaties van de Miragelplombe.
de eerste klacht van onderdeel II.2.1.3is de beslissing onbegrijpelijk voor zover het hof zijn beslissing heeft gebaseerd op de in rov. 2.7 aangehaalde slotopmerking van het artikel van Marin et al: “
However, to our knowledge, similar complications in patients who receive an episcleral [de Miragel: toev. Hof] have not been reported. We have used MIRAgel as an episcleral implant in a large number of patients since 1986 [dat is dus 6 jaar, toev. Hof] and have not observed such complications.” Uit deze opmerking zou niet kunnen volgen dat er geen vermoeden zou zijn geweest van de lange termijn complicaties van de Miragelplombe.
de tweede klacht van onderdeel II.2.1.3heeft het hof niet (voldoende) gereageerd op de essentiële stelling van [verweerder] dat volgens Marin et al de hydrogel implant “
7 – 11 jaar na toepassing ervan, dus 1993 – 1997” bleek te kunnen gaan zwellen en dat zij de Miragelplombe pas sinds 1986 gebruikten, dat daarom in 1992 al duidelijk was dat deze termijn nog niet was verstreken en niet uitgesloten kon worden dat de zwelling zich ook zou kunnen voordoen bij de Miragelplombes. [218]
onderdeel II.2.1.4is de beslissing onbegrijpelijk voor zover het hof aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd dat bij [verweerder] sprake was van een episcleraal geplaatste Miragelplombe terwijl het artikel van Marin et al een intrascleraal geplaatste Maiplombe betreft. Het hof zou niet zijn ingegaan op de stelling van [verweerder] dat uit het artikel van Marin et al niet blijkt dat de toepassingswijze intrascleraal of episcleraal van invloed zou zijn op het wel of niet optreden van complicaties. [219]
onderdeel II.2.1.5worden verder steeds aangegeven welke overwegingen van het eindvonnis eveneens worden getroffen indien deze onderdelen slagen.
Intrascleraal wil zeggen dat de plombe op halve diepte in de sclera geplaatst wordt. Een op die manier geplaatste plombe heeft geen enkele ruimte om te zwellen. Er ontstaat druk op de sclera met als gevolg verdunning. Uiteindelijk barst de wand.” [223]
We have used Miragel as an episcleral implant in a large number of patients since 1986 and have not observed such complications.” Aan dit een en ander heeft Hooymans de conclusie verbonden dat op 6 juli 1992 geen enkel vermoeden bestond van de nu bekende lange termijncomplicaties van de Miragelplombe. Met deze complicaties is de oogheelkundige wereld volgens Hooymans pas in 1997 bekend geraakt toen de eerste casus in een artikel van Hwang et al is gerapporteerd.
onderdeel II.2.1.4aanvoert. Hieruit volgt verder dat het niet alleen gaat om de door het hof in rov. 2.7 EA onderkende overeenkomst in chemische samenstelling van de Maiplombe en de Miragelplombe (zie rov. 2.8 van het eindvonnis). Daarom faalt de
tweede klacht van onderdeel III.2.1.2.
de tweede klacht van onderdeel II.2.1.3wordt gewezen op het argument dat in 1992 de Miragelplombe nog geen zeven jaar werd gebruikt (de kortste post-operatieve periode waarin complicaties bij de Maiplombe werden gerapporteerd volgens Marin et al). Het hof heeft de in
onderdeel II.2.1.1bedoelde passage uit de conclusie van Marin et al onder ogen gezien, maar ook de
de eerste klacht van onderdeel II.2.1.3genoemde passage uit die conclusie. Het hof kon zich daarom aansluiten bij de beoordeling door prof. Hooymans van de ontwikkeling van de kennis over het gebruik van de Miragelplombe (zoals weergeven in rov 2.6 van het eindvonnis van de rechtbank).
eerste (rechts)klacht van onderdeel II.2.1.2niet opgaat. De stellingen en omstandigheden waarop de onderdelen II.2.1.1-II.2.1.4 een beroep doen, dwongen het hof niet tot het geven van een nadere motivering, zodat deze onderdelen falen. Dat betekent dat ook de voortbouwklacht van
onderdeel II.2.1.5faalt.
onderdelen II.2.2.1 tot en met II.2.2.4bevatten klachten over onjuistheid en/of onbegrijpelijkheid van respectievelijk:
in 1996(
onderdeel II.3.1) dan wel
in 1997(
onderdelen II.3.2.1 en II.3.2.2) niet eigener beweging hebben gewaarschuwd voor de lange termijncomplicaties.
onderdeel II.3.2.2kan het antwoord van deskundige Hooymans op de vraag wanneer de oogheelkundige wereld bekend raakte met de lange termijncomplicaties van de Miragelplombe niet anders worden opgevat dan dat de oogheelkundige wereld daarmee in 1997 bekend was.
.
onderdelen II.3.1 en II.3.2.2bevat een klacht voor het geval het hof zou hebben geoordeeld dat [verweerder] verwijt berust op “de kennis van nu”. Deze klachten gaan uit van een onjuiste lezing van het arrest en dienen daarom te falen.
onderdeel II.3.3.1is onbegrijpelijk de overweging dat niet is gesteld of gebleken dat in 1995 de productie van de Miragelplombes is gestopt in verband met de nadien in de literatuur beschreven problemen van zwelling en defragmentatie, omdat [verweerder] heeft gesteld dat de fabrikant de Miragelplombes in 1994/1995 van de markt heeft gehaald wegens de complicaties ervan. De
onderdelen II.3.3.2 en II.3.4bevatten hierop voortbouwende klachten waarin wordt vermeld welke overwegingen van het hof door onderdeel II.3.3.1 worden aangetast.
Device firm closes pending compliance with FDA regulations – Mira Inc.; Food and Drug Administration”, noemt door de FDA geconstateerde “
manufacturing problems with sensitive eye treatment devices” en vermeldt een reeks aan tekortkomingen in de “
good manufacturing practices (GMP) regulations” met betrekking tot “
implants”, “
a laser and a glaucoma device” en “
silicone implants and cryogenic freezing instruments”.
gemotiveerdgesteld of gebleken is dat in 1995 de productie van de Miragelplombes is gestopt in verband met de problemen van zwelling en defragmentatie. Onbegrijpelijk is dat oordeel niet te noemen, ook niet in het licht van de in onderdeel II.3.3.1 genoemde wetenschappelijke artikelen die dateren van (lang) na 1995 en waarin een duidelijke bronvermelding ontbreekt.
onderdeel II.3.5faalt. Op het ontbreken van waarschuwingen en een recall heeft het hof mede de vaststelling gebaseerd dat de lange termijncomplicaties van de Miragel niet de reden zijn geweest voor het stoppen van de productie daarvan in 1995. Mede op basis van deze vaststelling heeft het hof vervolgens geoordeeld dat het Radboudumc in de jaren 1996-1997 geen tekortschieten in haar informatieplicht kan worden verweten. De gevolgde redenering behoeft geen aanvullende motivering om begrijpelijk te zijn.
in de eerste plaatsdat het hof heeft miskend dat een hulpverlener verplicht is om een patiënt op duidelijke wijze in te lichten over diens gezondheidstoestand (artikel 7:448 lid 1 BW Pro), waaronder de gevolgen en risico’s van de behandeling en de staat en vooruitzichten van de gezondheid (artikel 7:448 lid Pro 2, onder b en d, BW), en dat deze inlichtingen slechts mogen worden onthouden voor zover het verstrekken daarvan ernstig nadeel voor de patiënt zou opleveren (artikel 7:448 lid 3 BW Pro). Het hof zou verder hebben miskend dat deze informatieplicht ook besloten ligt in de algemene zorgplicht van een goed hulpverlener (artikel 7:453 BW Pro). Voor het geval volgens het hof de uitzondering op de informatieplicht van artikel 7:448 lid 3 BW Pro van toepassing is, voegt het onderdeel een klacht over de motivering van dit oordeel toe.
in de tweede plaatsdat het hof heeft miskend dat informatieverstrekking door de hulpverlener ertoe dient te voorkomen dat de patiënt een informatieachterstand heeft wat betreft zijn gezondheid en dat de patiënt nadere schade oploopt. De in aanmerking genomen omstandigheden zouden hieraan niet kunnen afdoen.
informed consent). [232]
onderdelen II.4 en II.5betreffen de oordelen dat het Radboudumc in de jaren 2003 en 2005 zijn informatieplicht tegenover [verweerder] niet heeft geschonden (rov. 2.12 EA) en dat niet aannemelijk is dat [verweerder] toentertijd zou hebben gekozen voor verwijdering van de plombe als hij had geweten dat een Miragelplombe was gebruikt (rov. 2.11 EA). Beide oordelen dragen zelfstandig de afwijzing van de vordering voor wat betreft de gestelde beroepsfouten in deze periode.
geïnformeerd had moeten worden over de risico’s en behandelmethoden, over het wel of niet uitnemen van de plombe”). Dat het hof in dit geval deze benadering kiest, hangt kennelijk samen met zijn overwegingen over het gevoerde expectatieve beleid - waaronder dat bij afwachten er geen (significante) toename is op de risico’s van scleraperforatie en een recidiverende netvliesloslating - en over het afwegen van de risico’s van het verwijderen van een (gezwollen) plombe tegen de klachten van de patiënt (zie bij 12.55 onder (ii), (v) en (vi)). Zolang deze situatie niet aan de orde was, behoefde de behandelaar in de benadering van het hof het gesprek daarover met [verweerder] niet aan te gaan.
In november 2003 ziet [betrokkene 2] de plombe (uitstulping) door de conjunctiva heen schemeren. Dit is op zich geen alarmsymptoom. Bij goede observatie zijn vrijwel alle plombes onder de conjunctiva zichtbaar.” De redenering van het hof is verweven met de omstandigheden van dit geval. Zij geeft naar mijn mening geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting over het moment waarop [verweerder] in de omstandigheden van dit geval geïnformeerd had moeten worden over de mogelijkheid van complicaties en behandelingen daarvoor en behoefde geen aanvullende motivering.
In april 2005 is met [verweerder] gesproken (door [betrokkene 3] ) over verwijdering van de plombe en de daaraan verbonden operatierisico’s” (rov. 2.11 EA) en “
Uit hetgeen hiervoor onder rov. 2.11 is overwogen volgt genoegzaam dat [betrokkene 3] [verweerder] voldoende heeft geïnformeerd over verwijdering van de plombe en de daaraan verbonden risico’s.” (rov. 2.12 EA).
eerste klacht van onderdeel II.4.2.1zijn deze overwegingen onbegrijpelijk, omdat zij niet inhouden dat [verweerder] geïnformeerd is over de bij hem gebruikte Miragelplombe, de met deze plombe samenhangende risico’s (fragmentatie en zwelling) en behandelmethoden. Volgens de
tweede klachtvan het onderdeel reageert het hof niet voldoende op de in het onderdeel bedoelde stellingen van [verweerder] die zich niet anders laten verstaan dan dat [betrokkene 3] wist of behoorde te weten dat bij [verweerder] een Miragelplombe was geplaatst en dat de lange termijncomplicaties daarvan zich bij hem manifesteerden
onderdeel II.4.2.2onbegrijpelijk gezien de in onderdeel II.4.1.1 genoemde stellingen die niet anders kunnen worden opgevat dan dat [betrokkene 3] ook zonder vermelding in het medisch dossier behoorde te weten dat bij [verweerder] in 1992 een Miragelplombe was gebruikt, en dat deze plombe lange termijncomplicaties kan hebben.
onderdeel II.4.2.3onjuist en/of onbegrijpelijk omdat [betrokkene 3] in april 2005 behoorde te weten dat een Miragelplombe was geplaatst en dat de lange termijncomplicaties daarvan zich manifesteerden, zodat hij [verweerder] daarover had moeten informeren. Een andere opvatting is volgens de klacht in strijd met het door de artikelen 7:448 en 7:450 BW beschermde recht van de patiënt op zelfbeschikking.
onderdeel II.5.
onderdeel II.5.1.1niet (zonder meer) mee dat niet aannemelijk is dat [verweerder] eerder voor verwijdering van de Miragelplombe zou hebben gekozen toen deze begon te zwellen omdat niet het beleid van het Radboudumc maar het zelfbeschikkingsrecht en de beslissing van de patiënt daarvoor leidend is.
Miragelplombe was gebruikt. In dat verband kent het hof betekenis toe aan de door het hof genoemde oogheelkundige opinies over de risico’s − dat wil zeggen het risico op een recidiverende netvliesloslating en een scleraperforatie (ruptuur van de oogwand) − en daarmee over het in verband met die risico’s gevoerde expectatieve beleid.
in de eerste plaatsdat het hof niet (voldoende) is ingegaan op de stellingen dat het Radboudumc bij [verweerder] in ieder geval niet bewust een expectatief beleid heeft gevoerd aangezien [betrokkene 3] in 2005 niet wist dat een Miragelplombe was toegepast, en dat niet gebleken is dat [betrokkene 2] in 2003 enig beleid voerde, laat staan een verantwoord beleid.
in de tweedeplaats dat het hof niet (voldoende) is ingegaan op de in het onderdeel bedoelde stellingen van [verweerder] die zich niet anders laten verstaan dan dat eventueel beleid van het Radboudumc niet teruggevoerd kan worden op NOG-beleid en niet steeds inhield dat ’tot het laatste moment’ werd gewacht met verwijdering van de zwellende Miragel plombe.
niet in zijn geheel verwijderd kan worden, maar defragmenteert, aldus Crama tijdens zijn verhoor op 5 september 2016 en Hooymans op pag. 11 van het deskundigenrapport”. Volgens de klacht is het hof, samengevat, bij het beantwoorden van de vraag of het de conclusies van deze deskundigen zal volgen ten onrechte niet ingaan op de stelling van [verweerder] dat een vroegtijdige verwijdering van episcleraal geplaatste plombes gemakkelijk en zonder noemenswaardig risico is en dat geanticipeerd kan worden op defragmentering zoals volgt uit een artikel uit 2003 van Oshitari et al en uit een verklaring van dr. A. Verbeek.
onderdeel II.5.4.3is het bestreden oordeel onbegrijpelijk voor zover het erop berust dat het grote verschil tussen de Miragelplombe en een siliconenplombe pas aan het licht komt bij verwijdering. Omdat “alleen bij de Miragelplombes sprake is van zwelling” (rov. 2.17 EA), volgt al uit de constatering dat een plombe gezwollen is dat het gaat om een Miragelplombe en dat deze bij verwijdering kan defragmenteren.
onderdeel II.5.4.5is het hof met het door onderdeel II.5 bestreden oordeel niet ingegaan op de uitgebreid gedocumenteerde stellingen van [verweerder] (i) dat de Miragelplombe bij eerste tekenen van zwelling verwijderd moet worden om erger te voorkomen, zoals beschreven in een viertal vóór november 2003 gepubliceerde wetenschappelijke artikelen, althans een artikel van Kearney et al uit 2004 en (ii) dat aan het zwellen van de Miragelplombe de risico’s van extrusie en intrusie zijn verbonden en zich bij [verweerder] ook verwezenlijkt hebben.
Onderdeel 5.6voert aan dat deze klacht ook ziet op de beslissing van het hof in rov. 2.11 EA om zich aan te sluiten bij rov. 2.24 van het eindvonnis.