Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
rechtsklachtmiskent het hof dat van kwade trouw in de zin van art. 6:205 BW Pro pas sprake is indien de ontvanger (Dexia) bij ontvangst van de betaling wist of vermoedde dat deze hem niet verschuldigd was. Het gaat daarbij om louter subjectieve kennis die moet worden getoetst naar het moment van ontvangst van de betaling. Of de ontvanger achteraf bezien had moeten of kunnen weten dat niet verschuldigd werd betaald, is dus niet relevant. Bij een betaling op grond van een overeenkomst die vernietigbaar is, kan de vereiste subjectieve kennis nooit bestaan voordat de overeenkomst is vernietigd. Tot dat moment is de overeenkomst immers geldig. Dit wordt niet anders doordat de ontvanger rekening heeft moeten houden met de mogelijkheid dat de overeenkomst later kan worden vernietigd en dat vernietiging terugwerkende kracht heeft.
subonderdeel 1.azijn de overwegingen in de eerste, tweede en derde volzin van rov. 4.13 onbegrijpelijk, omdat pas vele jaren na het afsluiten van de overeenkomst in 2001 door HR 28 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2837, is bepaald dat effectenleaseovereenkomsten naar toenmalig recht kwalificeerden als huurkoop. [2]
subonderdeel 1.bvolgt uit de overweging, kort gezegd, dat Dexia wist of vermoedde dat art. 1:88 BW Pro van toepassing was, niet dat Dexia bij ontvangst van de door [verweerder] gedane betalingen wist of vermoedde dat de echtgenote van [verweerder] de overeenkomst zou gaan vernietigen op de voet van art. 1:89 BW Pro, waardoor die betalingen achteraf bezien niet verschuldigd waren. Die wetenschap zou Dexia pas hebben ingeval zij bij ontvangst van die betalingen wist of vermoedde dat de overeenkomst door de echtgenote van [verweerder] vernietigd zou gaan worden, waarvoor nodig was dat Dexia wist of vermoedde (a) dat [verweerder] getrouwd was en (b) dat de overeenkomst bij beëindiging verlieslatend zou zijn, omdat er alleen dan aanleiding zou zijn voor vernietiging. Dexia heeft in appel aangevoerd dat zij dit ten tijde van de ontvangst van de betalingen door [verweerder] niet wist of vermoedde. Het hof heeft deze essentiële stelling ongemotiveerd gepasseerd en dus zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.
bij ontvangstvan de prestatie
wist of vermoeddedat de prestatie niet verschuldigd was. Het gaat hier om een subjectief criterium. Hierover bestaat, ook in cassatie, [9] geen discussie. [10]
subonderdeel 1.b, omdat de overweging dan onvoldoende is gemotiveerd in het licht van het partijdebat. Dexia heeft aangevoerd dat zij niet wist dat [verweerder] gehuwd was. [30] [verweerder] heeft dit niet betwist (maar betoogd dat Dexia bewust niet heeft gecontroleerd of toestemming vereist en gegeven was [31] en dat wat betreft de kwade trouw van Dexia het erom gaat of zij wist of vermoedde dat de overeenkomst vernietigbaar was). [32] Subonderdeel 1.b slaagt ook, omdat het hof niet heeft gereageerd op het betoog van Dexia dat een beroep op vernietiging alleen in de rede zou liggen als de overeenkomst verlieslatend zou zijn en dat Dexia daarvan niet uit behoefde te gaan. [33]