Conclusie
1.Feiten en procesverloop
door de eigen accountantkan inderdaad schade optreden van honderden miljoenen. En dan moet een rechter niet bang zijn om doortastend op te treden en het recht toe te passen. Maar bij grote claims leert de ervaring dat Nederlandse rechters nerveus worden. Er gaan opeens gekke dingen gebeuren, zoals rechters die uitvoerig met advocaten gaan bellen over de zaak. In de Chipshol-zaak is dat ook gebeurd met [eiser] van de Haagse Rechtbank. Nederland lijkt wel te klein voor grote claims. Iedereen kent elkaar. Laten we dat een variant noemen van ons poldermodel.”
ik heb niet gebeld met advocaten in de Chipsholzaak”) in ieder geval
gedeeltelijkonjuist was. Dit kan [eiser] worden verweten. Indien komt vast te staan dat [eiser] niet alleen met Gerritsen , maar ook met [verweerder] heeft gebeld, is deze centrale stelling zelfs
geheelonjuist. Indien komt vast te staan dat [eiser] en [verweerder] wél een telefoongesprek hebben gevoerd, dan zijn − bezien in samenhang met de door de rechtbank genoemde omstandigheden − de belangen van [verweerder] onevenredig benadeeld en heeft [eiser] misbruik van zijn bevoegdheid gemaakt (rov. 5.4 Rb). Aan het tussenarrest van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 23 juni 2009 (zie alinea 1.9 hiervoor) komt volgens de rechtbank geen bindende kracht toe (rov. 6.6 Rb). De rechtbank dient daarom zelfstandig te beoordelen of de stelling van [eiser] dat hij niet met [verweerder] heeft gebeld, onjuist was (rov. 6.9 Rb). Na in rov. 6.10 en 6.11 te hebben overwogen dat [verweerder] geacht moet worden voorshands te zijn geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat [eiser] (ook) met hem had gebeld, heeft de rechtbank [eiser] toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Op de overwegingen van de rechtbank omtrent het verweer van [eiser] dat de vordering tot schadevergoeding verjaard is (rov. 7.1 – 7.9 Rb) kom ik hierna nog terug.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
en daadwerkelijk in staat is een vordering in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Dit betekent dat het antwoord op de vraag afhankelijk is van alle ter zake dienende omstandigheden (rov. 7.3 Rb). De rechtbank concludeerde dat op 19 april 2004 de feiten voor [verweerder] minder duidelijk waren dan [eiser] had gesteld. Weliswaar was [verweerder] toen al bekend met het telefoongesprek dat hij – naar eigen zeggen − op 6 december 1994 met [eiser] had gevoerd, maar [verweerder] wist op dat moment onvoldoende van telefoongesprekken die [eiser] met andere advocaten in de Chipshol-zaak zou hebben gevoerd; dit geldt ook voor het telefoongesprek tussen [eiser] en de opvolgende advocaat Gerritsen in 1997. Bij deze stand van zaken kan volgens de rechtbank niet gezegd worden dat bij [verweerder] op 19 april 2004 al ‘voldoende zekerheid’ bestond over de relevante feiten of over het oorzakelijk verband tussen het handelen van [eiser] en de door [verweerder] gestelde schade (rov. 7.4 Rb). Voor zover [eiser] zijn stelling in de Rotterdamse procedure dat hij niet met [verweerder] heeft gebeld, heeft herhaald en de vordering van [verweerder] is gebaseerd op onjuistheid van die stelling, geldt telkens een nieuwe aanvangsdatum voor de verjaringstermijn (rov. 7.5 Rb).
in rechtezouden komen vaststaan, acht het hof niet relevant: voor het aanvangen van de verjaringstermijn is immers niet vereist dat de benadeelde (ook) bekend is met de juridische beoordeling van de aansprakelijkheid (rov. 6.26) [7] .
herinnert, dat hij niet met [verweerder] heeft gebeld, en dat aldus niet is komen vast te staan dat hij willens en wetens onwaarheid heeft gesproken.”
en de omstandigheden die aan deze onmogelijkheid ten grondslag hebben gelegen, moeten worden toegerekend aan de schuldenaar, staat de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid in de weg aan het beroep op verjaring. De termijn van vijf jaar gaat niet in zolang die omstandigheden verhinderen dat de vordering kan worden ingesteld [9] . Volgens de s.t. is deze ‘toerekeningsconstructie’ losgelaten in HR 31 oktober 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AL8168, NJ 2006/112 m.nt. C.E. du Perron). De Hoge Raad overwoog daar:
rechtsdwaling in het algemeen niet kan worden aanvaard;
motiveringsklacht in 1.2.1 (ad a)houdt in dat niet valt in te zien waarom het in deze twee volzinnen bedoelde onrechtmatige optreden van [eiser] het [verweerder] onmogelijk of bezwaarlijk maakte om zijn vordering jegens [eiser] geldend te maken dan wel ten minste een stuitingsbriefje aan [eiser] te versturen.
motiveringsklacht in 1.2.2 (ad b)hangt hiermee samen. In het licht van de terughoudendheid, welke passend is bij een zodanige werking van de redelijkheid en billijkheid dat deze de rechtszekerheid beperkt, valt volgens de klacht niet in te zien waarom de omstandigheid dat [verweerder] zich geconfronteerd zag met het feit dat hij was gedagvaard door een rechter en het gerechtsbestuur en de Raad voor de Rechtspraak tegenover zich vond, zou meebrengen dat niet van [verweerder] kon worden verwacht dat hij tijdig zijn vordering tot schadevergoeding tegen [eiser] instelde of ten minste een eenvoudige stuitingsbrief aan [eiser] deed uitgaan: van enige schroom van [verweerder] in zijn acties en optreden jegens [eiser] is volgens het middelonderdeel nooit iets gebleken. Verder ziet het hof volgens de klacht eraan voorbij dat van [verweerder] − als ervaren procesadvocaat − mocht worden verwacht dat hij bedacht was op een lopende verjaringstermijn. Dit laatste blijkt ook uit het feit dat [verweerder] jegens de Staat wél de verjaring tijdig heeft gestuit, hoewel het hof anderzijds – en volgens het middelonderdeel: in zoverre innerlijk tegenstrijdig – overwoog dat de betrokkenheid van het gerechtsbestuur en de Raad voor de Rechtspraak [verweerder] zodanig in het defensief drong dat zelfs een stuiting van de verjaring niet van hem mocht worden verwacht. Volgens [eiser] lijkt het hof de eenvoud van het verrichten van een stuitingshandeling te miskennen. Het hof maakt volgens de klacht in elk geval niet inzichtelijk waarom het verrichten van een stuitingshandeling niet redelijkerwijs van [verweerder] mocht worden verwacht.
motiveringsklacht onder 1.2.3 (ad c)voegt aan het voorgaande toe dat zonder een nadere motivering onbegrijpelijk is waarom het hof van oordeel is dat het instellen van een vordering of het versturen van een eenvoudige stuitingsbrief door [verweerder] zou hebben geleid tot een “verdere escalatie van het conflict”.
motiveringsklacht onder 1.2.4 (ad d)houdt in dat niet valt in te zien hoe het in rov. 6.31 genoemde feit dat [verweerder] na het royement van de procedure bij het gerechtshof Den Haag heeft getracht in der minne schadevergoeding te verkrijgen en toen dat niet lukte, tien maanden later [eiser] heeft gedagvaard, in combinatie met de aanname dat [eiser] van deze onderhandelingen op de hoogte was, zou kunnen bijdragen aan de beslissing dat redelijkerwijs niet van [verweerder] mocht worden verwacht dat hij op een eerder tijdstip de vordering tegen [eiser] instelde althans een stuitingsbrief aan [eiser] verstuurde. In beginsel doen schikkingsonderhandelingen niet af aan het feit dat de verjaringstermijn doorloopt. Bovendien is volgens de klacht onbegrijpelijk waarop het hof de vaststelling baseert dat [eiser] van de onderhandelingen tussen [verweerder] en de Raad voor de Rechtspraak op de hoogte was. Uit de gedingstukken blijkt volgens [eiser] slechts dat hijzelf niet betrokken was bij deze onderhandelingen: zij hebben plaatsgevonden tussen [verweerder] en anderzijds mr. F.W.H. van den Emster, die op dat moment de voorzitter van de Raad voor de rechtspraak was.
motiveringsklacht onder 1.2.5 (ad e)hangt samen met het voorgaande. De aanname (in rov. 6.32) dat [eiser] in het relevante tijdvak rekening heeft gehouden met een schadeclaim van [verweerder] , is volgens de klacht in het licht van de gedingstukken onbegrijpelijk. De omstandigheid dat [eiser] , bij zijn vertrek uit de rechterlijke macht in augustus 2009, een algemene vrijwaring met de Staat was overeengekomen biedt volgens de klacht geen grond voor deze aanname: uit dat feit volgt nog niet dat [eiser] rekening hield althans moest houden met een schadeclaim van [verweerder] . Deze klacht is nader uitgewerkt als volgt:
op verzoek van [eiser]. Na het royement lag de vraag of [eiser] aan [verweerder] schadevergoeding verschuldigd is, dus nog helemaal open. Wat het eerste punt betreft: [verweerder] heeft toen ervoor gekozen, de onderhandelingen rechtstreeks met de Raad voor de Rechtspraak te voeren. De door [eiser] gestelde afspraak bij gelegenheid van zijn vertrek uit de rechtspraak, dat de Raad voor de Rechtspraak als goed werkgever hem zou vrijwaren voor schadeclaims, is daarmee niet in tegenspraak. De gestelde afspraak betreft de rechtsverhouding tussen [eiser] en de Staat onderling. Een dergelijke vrijwaring kan meebrengen dat de Staat de financiële lasten draagt indien de betrokken rechter tot schadevergoeding wordt aangesproken; zij brengt niet een wijziging mee van de rechtsverhouding tussen de betrokken rechter ( [eiser] ) en de partij die schadevergoeding wenst ( [verweerder] ). Waarom [verweerder] dan niet rechtstreeks jegens [eiser] een stuitingshandeling heeft verricht, kwam hiervoor al aan de orde. Ook onderdeel 1.2.5 faalt.
klacht onder 1.2.6 (ad f)houdt in dat het hof, in het licht van de vereiste terughoudendheid, ten onrechte en/of onbegrijpelijk mede aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd dat [eiser] niet in zijn rechtszekerheid of bewijspositie is benadeeld (rov. 6.32). Volgens het middelonderdeel is dat oordeel rechtens onjuist voor zover het hof heeft miskend dat − anders dan bij een beroep op rechtsverwerking − bij het antwoord op de vraag of een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, niet
in concretowordt getoetst of de belangen van de schuldenaar achteruitgaan door het tijdsverloop. Zulke belangen worden − in het kader van het leerstuk verjaring −
in het algemeengeacht achteruit te gaan. Om die reden behoort in het kader van een beroep op verjaring geen discussie te worden gevoerd over de vraag of daadwerkelijk een concrete achteruitgang van de rechtszekerheids- of bewijspositie van de schadeveroorzaker heeft plaatsgevonden. Bovendien is het oordeel volgens de klacht ontoereikend gemotiveerd, nu [eiser] in de procedure bij het hof heeft aangevoerd dat zijn processuele belangen wel degelijk waren geschaad door het stilzitten van [verweerder] . [eiser] werd hierdoor in een positie gebracht waarin hij bewijsmateriaal moet zien te verkrijgen of te bewaren ten aanzien van feiten die zich in 1994 hebben voorgedaan. De gehouden getuigenverhoren hebben volgens [eiser] duidelijk gemaakt dat het verstrijken van de tijd voor hem een nadelige rol heeft gespeeld.
motiveringsklacht in 1.2.7 (ad g)loopt gedeeltelijk vooruit op middelonderdeel 2.5, dat hierna zal worden behandeld. Verder houdt de klacht in dat, mede in het licht van de voor een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid vereiste terughoudendheid, niet valt in te zien hoe het veronderstelde liegen van [eiser] (‘dat hij niet met advocaten van Chipshol heeft getelefoneerd’) bijdraagt aan de beslissing van het hof dat niet redelijkerwijs van [verweerder] mocht worden verwacht dat hij vóór het verstrijken van de verjaringstermijn een vordering tegen [eiser] instelde dan wel de verjaring stuitte.
dat hij het zich zo herinnertdat hij niet met [verweerder] heeft gebeld en dat aldus niet vaststaat dat hij
willens en wetensonwaarheid heeft gesproken. Aan het slot van rov. 6.32 overweegt het hof dat het [eiser] in dit standpunt niet volgt. In rov. 6.32 verwijst het hof ter motivering van dit oordeel naar rov. 6.12. In laatstgenoemde overweging heeft het hof dit standpunt van [eiser] uitdrukkelijk en gemotiveerd verworpen. Kort samengevat wijst het hof op: het ongebruikelijke karakter van het gestelde telefoongesprek; de omstandigheid dat [eiser] enkele dagen later (toen hij met de rechtbankpresident de klachtbrief van [verweerder] van 12 december 1994 besprak) aan de rechtbankpresident heeft laten weten dat zo’n telefoongesprek nimmer had plaatsgevonden; de omstandigheid dat de herinnering aan het beweerde telefoongesprek levend is gehouden door de daarop gevolgde klachtprocedure en door de publicatie in het boek van de journalist [de journalist] . Daarnaast wijst het hof in rov. 6.12 op het uitzonderlijke karakter van de onderliggende zaak, mede gelet op de omvang ervan en de aandacht voor de zaak in de media.
factfinding [23] . Het richt zich mede tot de rechter die de hoofdzaak behandelt; niet tot de rechter die over de aansprakelijkheid moet oordelen indien de rechter in de hoofdzaak bewust onjuist is voorgelicht. Een ruime ‘waarheidsplicht’ op grond van art. 21 Rv Pro is daarom goed te verenigen met een enger criterium voor misbruik van procesbevoegdheid, te weten: wanneer de eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden
waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen(of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden).
petitum(de uiteindelijke vordering) in de Rotterdamse procedure: [eiser] vorderde toen een verklaring voor recht dat de aantijging van [verweerder] in het interview met [de journalist] “met de strekking dat [eiser] niet onafhankelijk, niet onpartijdig resp. niet bekwaam is”, onrechtmatig is.
nietop enige wijze heeft ingelaten met partijen of hun advocaten of gemachtigden over enig voor hem aanhangig geschil of over enig geschil waarvan hij weet of vermoedt dat dit voor hem aanhangig zal worden. Echter: wanneer een rechter – buiten het geval van een zitting waarbij alle betrokken procespartijen aanwezig (kunnen) zijn – spreekt of telefoneert met een procespartij of advocaat/gemachtigde in een voor hem aanhangig geschil of in een geschil waarvan die rechter weet of vermoedt dat dit voor hem aanhangig zal worden, loopt die rechter het risico dat later door een wederpartij of andere belanghebbende wordt beweerd dat tijdens dat telefoongesprek inhoudelijk over het geschil is gesproken. Dat is achteraf moeilijk te controleren: van de meeste telefoongesprekken wordt geen geluidsopname gemaakt. Om die reden zijn rechters en gerechten in de regel zeer terughoudend om dit soort telefoongesprekken tot stand te brengen [26] . In de gedragsregels voor advocaten is hiermee rekening gehouden [27] .
willens en wetensonwaarheid heeft gesproken. Volgens het middelonderdeel is dat oordeel onbegrijpelijk omdat het hof niet duidelijk heeft gemaakt of het slechts van oordeel was dat [eiser] zich het gesprek wel herinnert (en daarvan afwist toen hij de vordering tegen [verweerder] instelde) óf dat het hof tevens van oordeel is dat [eiser] bewust onwaarheid heeft gesproken
.De enkele vaststelling dat [eiser] wel een herinnering moet hebben gehad van dit telefoongesprek betekent op zich nog niet dat [eiser]
willens en wetensonwaarheid heeft gesproken: over de inhoud van de herinnering heeft het hof niets vastgesteld. Ook hier ziet het hof volgens het middelonderdeel eraan voorbij dat de ‘centrale stelling’ van [eiser] in de Rotterdamse procedure niet de ontkenning van het telefoongesprek was, maar de ontkenning van de stelling dat hij met [verweerder] over de inhoud van de zaak heeft gesproken. Nu dat laatste – het spreken met [verweerder] over de inhoud van de Chipshol-zaak − niet door het hof, noch door een andere rechter is vastgesteld, kan volgens het middelonderdeel niet worden volgehouden dat [eiser]
willens en wetensonwaarheid heeft gesproken.
over de inhoudvan de voor hem aanhangige Chipshol-zaak. Het hof overwoog in 2017 over het telefoongesprek in december 1994: “Wat er precies is besproken kan niet meer worden vastgesteld, maar dat het meer was dan een puur procedureel punt is voldoende komen vast te staan.” (rov. 6.11). Het “willens en wetens” onwaarheid spreken, als bedoeld in rov. 6.12, ziet dan ook niet op het spreken van [eiser] met [verweerder] over de inhoud van de toen bij de Haagse rechtbank voor pleidooi geagendeerde Chipshol-zaken. Het ziet op de onwaarheid van [eiser] pertinente ontkenning van het (door het hof vastgestelde) feit dat hij met advocaten in de Chipsholzaak heeft gebeld, in het bijzonder met [verweerder] . Dit blijkt met zoveel woorden uit de eerste volzin in rov. 6.13, waar het hof overweegt: “Het voorgaande betekent dat [eiser] in strijd met de waarheid heeft ontkend dat hij met [verweerder] een telefoongesprek voerde twee dagen vóór het pleidooi in de Chipshol-zaak op 8 december 1994”. Onderdeel 2.5 faalt.
onderdelen 2.6 en 2.7zijn gericht tegen rov. 6.13, waarin het hof heeft beslist dat [eiser] [verweerder] ‘per saldo heeft weggezet als leugenaar’ doordat [eiser] in strijd met de waarheid het feit heeft ontkend dat het telefoongesprek had plaatsgevonden. Volgens onderdeel 2.6 is dit onbegrijpelijk in het licht van de gedingstukken: daaruit blijkt dat niet de ontkenning van het telefoongesprek de ‘centrale stelling’ van [eiser] was. Centraal stond de ontkenning door [eiser] van de bewering van [verweerder] dat [eiser] met [verweerder] heeft gesproken
over de inhoud van de zaakzodat kan worden getwijfeld aan onafhankelijkheid en onpartijdigheid van [eiser] als rechter. De hierop volgende overweging dat de betrokkenen en het publiek ‘eerder zullen afgaan op de juistheid van de verklaring van een rechter dan op de verklaring van een advocaat’, is volgens de klacht eveneens onbegrijpelijk. Uit het door het hof genoemde feit dat de Raad voor de Rechtspraak en het gerechtsbestuur [eiser] hebben geloofd, kan niet de gevolgtrekking worden gemaakt dat ‘men’ eerder afgaat op de juistheid van de verklaring van rechter [eiser] . Volgens onderdeel 2.7 ziet het hof eraan voorbij dat veeleer het tegendeel is gebleken uit de berichtgeving in de media over de procedures tussen [eiser] en [verweerder] . In ieder geval heeft het hof zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd door daarop betrekking hebbende stellingen van [eiser] onbesproken te laten.
nietmet advocaten in de Chipshol-zaken heeft getelefoneerd, heeft [eiser] [verweerder] , die het tegendeel had beweerd, ‘weggezet’ als een leugenaar. Dat oordeel slaat uitsluitend op de vraag of het telefoongesprek tussen [eiser] en [verweerder] heeft plaatsgevonden, ongeacht de inhoud van dat gesprek. Het antwoord van [eiser] op die vraag (‘neen’) sloot het antwoord van [verweerder] (‘ja’) uit.
uitsluitendheeft gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen. Een vordering kan zijn gebaseerd op een onbeperkt aantal feiten en omstandigheden, waarvan sommige juist en andere onjuist kunnen blijken te zijn. Om die reden is alleszins begrijpelijk dat het hof heeft gezocht naar de betekenis voor de Rotterdamse procedure van [eiser] stelling dat het telefoongesprek helemaal niet had plaatsgevonden. In rov. 6.10, reeds besproken, is het hof tot de slotsom gekomen dat die stelling “vrijwel meteen de centrale stelling in die procedure is geworden”. Het hof heeft hetgeen door [eiser] aan zijn vordering in de Rotterdamse procedure ten grondslag was gelegd in rov. 6.14 opgevat als één geheel. Het hof heeft dan ook geen aanleiding gezien om in de onderhavige aansprakelijkheidszaak – bij beantwoording van de vraag of sprake was van misbruik van procesbevoegdheid – de grondslag van de vordering te splitsen in een rechtmatig deel en een onrechtmatig deel (te weten: de stelling dat het telefoongesprek nooit heeft plaatsgevonden). Daarvan uitgaande, is voor de lezer van het bestreden arrest niet onbegrijpelijk waarom het hof in rov. 6.15 tot de slotsom is gekomen dat in dit geval was voldaan aan de in rov. 6.8 weergegeven maatstaf voor misbruik van procesrecht. Het oordeel is naar behoren met redenen omkleed.