Conclusie
1.Feiten
nietnaar [betrokkene 1] , maar naar mij/mijn familieleden te sturen en wel naar (…).
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
moetcontracteren en waarbij de inhoud van het contract daarom in belangrijke mate door de wederpartij kan worden gedicteerd;
NJ1996/320; HR 19 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9559,
NJ2001/159; HR 4 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH7854,
NJ2009/398)”
causaal verband: voor een succesvol beroep op misbruik van omstandigheden is een causaal verband vereist tussen de betreffende bijzondere omstandigheid of omstandigheden en het verrichten van de rechtshandeling. De partij die zich op het wilsgebrek beroept, moet aannemelijk maken dat zij de overeenkomst niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten indien haar wil niet onder invloed van de bijzondere omstandigheden was gevormd. [21]
misbruikhebben gemaakt van de situatie waarin de ander zich bevond. Dat is het geval wanneer de wederpartij, de benarde positie of de geestelijke afhankelijkheid van de ander kennende, de overeenkomst sluit hoewel zij wegens de voor haar kenbare nadelen die voor de ander uit de overeenkomst voortvloeien, van het sluiten van de overeenkomst c.q. van het bedingen van bepaalde condities daarin, had behoren af te zien. Vereist is dus dat de wederpartij weet of moet begrijpen dat de ander wordt bewogen door bijzondere omstandigheden; de bijzondere omstandigheden moeten voor haar kenbaar zijn (geweest). [22] Van misbruik is vervolgens sprake wanneer het gedrag van deze wederpartij maatschappelijk onbetamelijk is: heeft zij een prestatie bedongen die in redelijkheid niet bedongen had mogen worden? [23]
S’Energy/Delta c.s.bevestigt dat nog eens, stelt niet de eis van daadwerkelijke (financiële) benadeling van degene die zich op vernietiging beroept. [24] In veel gevallen zal overigens wel van financieel (in dit verband ook wel ‘stoffelijk’ genoemd) nadeel sprake zijn, in andere gevallen in de regel van ‘onstoffelijk’ nadeel. [25] Algemeen aangenomen wordt dat, hoewel al dan niet financieel nadeel geen vereiste is voor een succesvol beroep op art. 3:44 lid 4 BW Pro, aanwezigheid, aard en omvang van enig nadeel al snel een rol spelen in het kader van de vraag of de ander (de wederpartij) zich van het bevorderen van de rechtshandeling had behoren te onthouden. [26]
S’Energy/Delta c.s., op (beoordeling van de) omstandigheden ten tijde van het aangaan van de overeenkomst of rechtshandeling. [27]
totaleschikkingsbedrag (€ 587.078,--) in lijn is met vergoedingen die in dit soort gevallen worden toegekend en daar zelfs boven zit; [37] en
subonderdeel 1.1.Dat geldt ook voor de in wezen als voortbouwende klacht aan te merken klacht gericht tegen het passeren van het bewijsaanbod in rov. 3.10 (hiervoor randnummer 3.23). Met het falen van de overige in subonderdeel 1.1. geformuleerde klachten valt het doek ook voor deze klacht.
subonderdeel 1.2.dus niet tot cassatie leiden.
subonderdeel 1.3.: het is onjuist noch onbegrijpelijk.
onderdeel 1.niet tot cassatie leiden.
ten dienste is komen te staan’aan degene die er een beroep op doet. De in art. 3:52 lid 1 onder Pro d BW geformuleerde regel kan daarom als richtsnoer fungeren bij de uitleg van de specifieke in lid 1 (onder a tot en met c) geformuleerde regels. [53] De door de wetgever gekozen bewoordingen beogen te waarborgen dat de verjaring pas gaat lopen wanneer de benadeelde zijn bevoegdheid daadwerkelijk kan uitoefenen of, iets anders gezegd, wanneer de benadeelde werkelijk over deze bevoegdheid beschikt. [54]
ten dienste is komen te staan’is gekozen voor een begrip dat soepel genoeg is om in de gevallen waarin het van toepassing is, tot een redelijk resultaat te komen. [55] Beide zojuist genoemde aspecten zijn in het arrest inzake
Stern Beheer/Gulf Vastgoednaar voren gehaald, waar Uw Raad heeft overwogen dat uit de totstandkomingsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met de woorden ‘
ten dienste is komen te staan’ heeft bedoeld te bewerkstellingen dat de verjaring een aanvang neemt zodra de vernietigingsbevoegde zijn bevoegdheid daadwerkelijk kan uitoefenen en verder dat hier sprake is van een regel die zich voor flexibele toepassing leent. [56]
bedreigingen
misbruik van omstandigheden, is bepalend voor het aanvangstijdstip van verjaring het tijdstip waarop de invloed van de bedreiging of van het misbruik van omstandigheden heeft opgehouden te werken (art. 3:52 lid 1 sub b BW Pro). [57]
[...] /AZVUen in afwijking van de wettekst pleegt te zeggen, aanvangt op het moment dat de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering in te stellen. [61] Dat is in de regel het geval bij
daadwerkelijke, in dit verband ook wel aangeduid als subjectieve, bekendheid met de schade en de aansprakelijke persoon (zoals de tekst van art. 3:310 BW Pro aangeeft). [62] Soms is ook nodig dat voldoende zicht bestaat op (althans dat er voldoende bekendheid is met) de oorzaak van de schade (denk aan gevallen als in
[...] /AZVU, waarin behalve een medische fout ook een natuurlijke oorzaak in het geding kan zijn). [63] Een
vermoedenomtrent schade of aansprakelijke persoon is voor het aanvangen van de korte verjaringstermijn van art. 3:310 BW Pro niet voldoende, vereist is een voldoende mate van zekerheid, die weer geen absolute zekerheid is. [64] De vereiste bekendheid heeft echter geen betrekking op het recht: onvoldoende bekendheid met het recht of een onjuist inzicht daarin, staat aan het ingaan van de verjaringstermijn niet in de weg. Uit vaste rechtspraak van Uw Raad in het kader van art. 3:310 BW Pro volgt dat voor het aanvangen van de verjaringstermijn niet vereist is dat de benadeelde niet slechts daadwerkelijk bekend is met de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon maar ook met de juridische beoordeling van die feiten en omstandigheden. [65]
Beermann/Dexiawaarin Uw Raad, in het kader van art. 3:52 lid 1 onder Pro d BW, heeft geoordeeld dat voor het aanvangen van de verjaringstermijn bepalend is welke feiten en omstandigheden bekend zijn en niet of bekendheid bestaat met de juridische beoordeling van deze feiten en omstandigheden. [66]
NJ1998, 380) – een vaste termijn [eist]; daarom kan in het algemeen niet worden afgeweken van het in art. 3:310 lid 1 vermelde Pro aanvangstijdstip van die termijn. Voor zover zulks ertoe leidt dat een vordering verjaart welke de schuldeiser niet geldend heeft kunnen maken – een geval dat art. 3:310 lid 1 BW Pro blijkens zijn bewoordingen juist beoogt te voorkomen – is dat uit een oogpunt van individuele gerechtigheid moeilijk te accepteren. Daarom is, wanneer zulk een niet geldend kunnen maken voortvloeit uit omstandigheden die aan de debiteur moeten worden toegerekend, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat deze zich erop zou vermogen te beroepen dat de vijfjarige verjaring een aanvang heeft genomen op het in art. 3:310 lid 1 omschreven Pro aanvangstijdstip daarvan. In zodanig geval moet dan ook worden aangenomen dat de verjaringstermijn eerst een aanvang neemt wanneer die omstandigheden het kunnen geldend maken van de vordering niet langer verhinderen (HR 23 oktober 1998 nr 16567, RvdW 1998, 190 [
NJ2000/15; A-G]).” [68]
[...] /AZVU [70] ingezette algemene lijn (de termijn van vijf jaar uit art. 3:310 BW Pro begint pas te lopen op het moment dat de benadeelde daadwerkelijk in staat is om een rechtsvordering in te stellen) komen we in gevallen als deze niet meer aan de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid toe: zolang immers de betrokken omstandigheid aan het daadwerkelijk instellen van een rechtsvordering in de weg staat, loopt de termijn (nog) niet. Dat sluit echter niet uit dat in andere (typen) gevallen, waarin de termijn dus wel is gaan lopen omdat de betrokkene daadwerkelijk in staat was om een rechtsvordering in te stellen, een beroep op art. 6:2 lid 2 BW Pro ook bij de korte termijn van art. 3:310 BW Pro aan de orde kan zijn.
combinatievan omstandigheden zeker perspectief: (i) een schuldeiser die geen verwijt kan worden gemaakt van zijn late geldend maken van zijn aanspraak en (ii) een schuldenaar wiens mogelijkheden tot verweer door het tijdsverloop niet wezenlijk zijn verslechterd, en (iii) een ‘gekrenkte rechtszekerheid’ van de schuldenaar die onvoldoende gewicht in de schaal legt om het beroep op het verstrijken van de korte termijn te redden. [73]
misbruik van omstandighedeneen beroep op verjaring door degene die zich daaraan schuldig heeft gemaakt, kan worden afgeweerd met een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.
eerstebetreft de vraag of van verjaring sprake is, met als subvraag: of, en zo ja wanneer, de verjaringstermijn gaat lopen. Hierbij is bepalend wanneer de bevoegdheid tot het inroepen van vernietiging ‘
ten dienste is komen te staan’aan degene die een beroep doet op vernietiging. Op een vergelijkbare manier als bij de korte verjaringstermijn van art. 3:310 BW Pro gaat het daarbij om het daadwerkelijk in staat zijn om vernietiging in te roepen. Bekendheid met de relevante feiten is hiervoor van belang, doch niet bekendheid met de juridische beoordeling van deze feiten. Om de vernietigingsbevoegdheid te kunnen uitoefenen is wel nodig dat betrokkene reden heeft om aan te nemen dat er iets is misgegaan of iets schort aan de (totstandkoming van de) overeenkomst. Niet nodig is dat hij weet hoe dat in het recht wordt gekwalificeerd (bijvoorbeeld als misbruik van omstandigheden) en evenmin dat hij weet of die kwalificatie in rechte ook daadwerkelijk stand houdt (of in een gegeven geval werkelijk sprake is van misbruik van omstandigheden). Ik roep verder in herinnering dat bij de toepassing van art. 3:52 lid 1 BW Pro wordt aangenomen dat het gaat om een flexibel begrip dat beoogt een redelijk resultaat mogelijk te maken. De
tweedevraag stelt aan de orde of, mocht inderdaad sprake zijn van verjaring, het hof hier kon oordelen dat een beroep op verjaring door EMC naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Op dit punt is van belang dat de verjaringstermijn van art. 3:52 lid 1 BW Pro net als die van art. 3:310 BW Pro niet alleen in het teken van de rechtszekerheid, maar ook in dat van de billijkheid staat.
onderdeel 2. Dit onderdeel is gericht tegen het verjaringsoordeel van het hof en bestaat uit twee subonderdelen. Subonderdeel 2.1. klaagt over het oordeel van het hof dat er niet zonder meer vanuit kan worden gegaan dat de verjaringstermijn van art. 3:52 lid 1 sub b BW Pro in 2005 is gaan lopen. Subonderdeel 2.2. klaagt over het oordeel dat, voor zover de verjaring (mogelijk) wel is gaan lopen in 2005 een beroep op verjaring aan EMC niet toekomt op grond van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid.
onvoldoende zeker is” of [verweerder] van [betrokkene 1] moet hebben begrepen dat de overeenkomst vernietigbaar was, zijn oordeel dat EMC geen beroep op verjaring toekomt niet (mede) dragen.
onvoldoende zeker is” of [verweerder] van [betrokkene 1] moet hebben begrepen dat de overeenkomst vernietigbaar was, zijn oordeel dat EMC geen beroep op verjaring toekomt niet dragen.
onvoldoende zeker is” of [verweerder] van [betrokkene 1] moet hebben begrepen dat de overeenkomst vernietigbaar was, zijn oordeel dat EMC geen beroep op verjaring toekomt in combinatie met de andere door het hof aangeduide omstandigheden wel degelijk kan dragen (randnummer 3.70 van deze conclusie). Uit ’s hofs bewoordingen blijkt wat mij betreft evenmin dat het hof het geldende verjaringsregime zou hebben miskend door te verlangen dat [verweerder] in 2005 op de hoogte moest zijn van de juridische beoordeling van de feiten. Om werk te kunnen maken van een vernietigingsbevoegdheid is echter wel degelijk bepaalde kennis vereist, dat staat, ook bij art. 3:52 lid 1 onder Pro b BW, buiten kijf (zie randnummer 3.67 van deze conclusie). Zonder die kennis gaat de verjaringstermijn niet lopen. De door het hof gekozen bewoordingen passen daarbij ook zeer wel: voor [verweerder] moest in ieder geval (voldoende) duidelijk zijn dat er voor hem grond was om te denken dat er bij (totstandkoming van) de overeenkomst met EMC iets was misgegaan.
ten dienste is komen te staan”, 2) dat bij inbreuken op de lichamelijke integriteit de toegang tot de rechter niet te snel mag worden afgesneden en een slachtoffer in rechte behoort te kunnen opkomen vanaf het moment dat hij daadwerkelijk in staat is de omvang van de ondergane schade te bepalen, en 3) dat uit de enkele omstandigheid dat [verweerder] in 2005 nog contact heeft gehad met [betrokkene 1] niet volgt dat [verweerder] op dat moment al op de hoogte was van de vernietigbaarheid van de vaststellingsovereenkomst. Evenmin rechtvaardigt dit contact de conclusie dat [betrokkene 1] [verweerder] op de hoogte heeft gesteld van de vernietigbaarheid (rov. 3.8). Met dit oordeel zou het hof blijk hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting dan wel van een onbegrijpelijk (want ontoereikend gemotiveerd) oordeel. Dit oordeel wordt aangevallen met een viertal klachten.
ten dienste is komen te staan” of dat in 2005 de invloed van de bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in art. 3:44 lid 4 BW Pro nog niet had opgehouden te werken, ‘s hofs oordeel onbegrijpelijk is, bezien in het licht van de twee brieven van [betrokkene 1] uit 2005. Op basis van de daarin opgenomen weergave van de contacten tussen [betrokkene 1] en [verweerder] kan immers niet anders worden geconcludeerd dan dat [verweerder] op dat moment van mening was dat misbruik van omstandigheden was gemaakt (‘hij voelt zich gepakt door de deal, de wijze waarop en de omstandigheden waaronder dit plaats vond’), en kennelijk in staat was contact te zoeken met een advocaat en dat aldus de invloed van de bijzondere omstandigheden in 2005 moeten zijn opgehouden te werken. Het voorgaande klemt te meer, aldus het subonderdeel, nu [verweerder] zelf heeft gesteld dat zijn bijstandsuitkering na 2004 is stopgezet als gevolg van de slotuitkering, [82] zodat hij in 2005 ook van deze omstandigheid waarop het beroep op misbruik van omstandigheden is gebaseerd, op de hoogte moet zijn geweest.
ten dienste is komen te staan’aan degene die er een beroep op doet. De verjaring gaat pas lopen wanneer de benadeelde zijn bevoegdheid daadwerkelijk kan uitoefenen of, iets anders gezegd, wanneer de benadeelde werkelijk over deze bevoegdheid beschikt. Bepalend voor het aanvangstijdstip van verjaring is het tijdstip waarop de invloed van het misbruik van omstandigheden heeft opgehouden te werken. Het hof heeft deze maatstaf niet miskend: het hof heeft in de eerste zin van rov. 3.8 overwogen dat de vernietigingsgrond in art. 3:52 lid 1 sub b BW Pro moet worden gezien als een uitwerking van art. 3:52 lid 1 sub d BW Pro en dat uiteindelijk beslissend is wanneer de vordering tot vernietiging aan [verweerder] ten dienste is komen te staan. Evenmin heeft het hof met zijn oordeel de aanvang van de verjaringstermijn afhankelijk gemaakt van het moment waarop de benadeelde – kort gezegd – juridisch advies inwint. Dit licht ik als volgt toe. Het hof behandelt in rov. 3.7 de stelling van EMC, inhoudende dat volgens EMC [verweerder] reeds in 2005 op de hoogte was van het feit dat mogelijk sprake was van misbruik van omstandigheden. Hierbij verwijst EMC naar de brieven uit 2005 van [betrokkene 1] . Het hof heeft vervolgens in rov. 3.8 deze stelling beoordeeld. Het hof heeft met de woorden ‘volgt (…) niet dat [verweerder] op dat moment op de hoogte was van de
vernietigbaarheidvan de vaststellingsovereenkomst’ en ‘Evenmin (…) dat [betrokkene 1] [verweerder] op de hoogte heeft gesteld van de
vernietigbaarheid’ niet gedoeld op het inwinnen van juridisch advies. Het hof heeft hiermee beoogd de stelling van EMC (zoals vermeld in rov. 3.7) te beoordelen en met “vernietigbaarheid” doelt het hof dan ook op “misbruik van omstandigheden” (en dat [verweerder] daarvan in 2005 niet (zonder meer) op de hoogte was). Het hof heeft, kortom, geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en uit rov. 3.8 blijkt niet dat het hof bekendheid met het recht (bekendheid met de juridische beoordeling en het recht op vernietiging/het inwinnen van juridisch advies) aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd. Evenmin volgt uit het voorgaande dat, zoals de derde klacht betoogt, dit oordeel van het hof onbegrijpelijk is. Hiermee falen zowel de eerste als de derde klacht van subonderdeel 2.1.
destijds(in 2005) heeft beseft dat sprake was van misbruik van omstandigheden. Nu het oordeel van het hof op dit punt evenmin onbegrijpelijk is faalt ook de tweede klacht van dit subonderdeel.
onderdeel 2.vergeefs is voorgesteld.