Conclusie
Vaststaande feiten en omstandigheden
D/3153).
non-refundable prepayment' ter hoogte van € 1.200.000,--. Omdat de verdachte deze [betrokkene 18] , een vriend en zakenrelatie van [betrokkene 1] , in 2002 nog niet goed kende, heeft hij met [betrokkene 1] afgesproken dat hij het bedrag van 1,2 miljoen euro tijdelijk op meergenoemde Zwitserse bankrekening van [betrokkene 1] zou storten, waarna deze, als de tijd daarvoor gekomen zou zijn, het bedrag in opdracht van de verdachte zou doorbetalen aan [betrokkene 18] . Aldus is geschied in mei/juni 2004.
eerste middelklaagt dat het hof in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv verzuimd heeft in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging dat de overwegingen van de rechtbank omtrent het verweer met betrekking tot de betaling van ongeveer 1,2 miljoen euro (verder: 1,2 mio), hierop neerkomende dat dit bedrag geen gift voor [betrokkene 1] was, maar een betaling bestemd voor [betrokkene 18] , ondeugdelijk zijn en niet de conclusie rechtvaardigen die de rechtbank daaraan heeft verbonden. Daarnaast klaagt het middel dat het hof ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 1 acht heeft geslagen op redengevende feiten en omstandigheden die niet uit de bewijsmiddelen blijken, terwijl ook anderszins door het hof niet met voldoende mate van nauwkeurigheid is aangegeven aan welke wettige bewijsmiddelen die feiten en omstandigheden zijn ontleend.
consultancy feebetaald worden aan [betrokkene 18] , een zakenrelatie van [betrokkene 1] , die het netwerk zou hebben om de besluitvorming hieromtrent te kunnen beïnvloeden. De betaling vond via [betrokkene 1] plaats omdat de verdachte deze [betrokkene 18] , een vriend en zakenrelatie van [betrokkene 1] , in 2002 nog niet goed zou hebben gekend. Daarop zou met [betrokkene 1] zijn afgesproken dat hij het bedrag van 1,2 mio tijdelijk op de Zwitserse bankrekening van [betrokkene 1] zou storten, waarna deze, als de tijd daarvoor gekomen zou zijn, het bedrag in opdracht van de verdachte zou doorbetalen aan [betrokkene 18] . Door het faillissement van [C2] was, aldus de verdediging, de aanschaf van onderzeeboten van de baan, waarop [C] de opdracht gaf om de betaling aan [betrokkene 18] te doen.
nietvoor [betrokkene 1] bestemd was. Voor zover de toelichting op het middel klaagt dat het hof heeft verzuimd te reageren op het daarop betrekking hebbend onderdeel van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag.
NJ2010/638 m.nt. Mevis het volgende overwogen:
NJ2008/69 m.nt. [medeverdachte] het volgende overwogen:
NJ1974, 450). Indien de rechter aan de verwerping van een dergelijk verweer nieuwe, nog niet in de bewijsmiddelen voorkomende feiten of omstandigheden ten grondslag legt waarop de bewezenverklaring steunt, moet immers worden gesproken van feiten en/of omstandigheden die door de rechter redengevend voor de bewezenverklaring worden geacht.
NJ1976, 539 en HR 9 mei 1995,
DD95.334) of aan de verwerping van een verweer dat bewijsmateriaal onrechtmatig is verkregen (vgl. HR 15 mei 2007, LJN AZ6101). Zulke feiten en/of omstandigheden zijn immers niet redengevend voor de bewezenverklaring dat de verdachte het aan hem tenlastegelegde feit heeft begaan.
NJ2004, 165 en HR 5 december 2006, LJN AZ0662).”
consultancy feevoor [betrokkene 18] is wellicht op het eerste gezicht niet in strijd met de bewijsmiddelen – uit de bewijsmiddelen heeft het hof immers afgeleid dat de betalingen zijn gedaan –, maar zijn, indien juist, onverenigbaar met de bewezenverklaring. In dat geval kan niet gesteld worden dat [betrokkene 1] ten aanzien van de betalingen daadwerkelijk voordeel is verschaft en evenmin dat sprake is van het vereiste oogmerk.
tweede middelklaagt dat het hof ten onrechte, althans niet toereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat onbesproken kan worden gelaten het verweer voor zover het betreft de vraag "of uit het door [betrokkene 1] aan [betrokkene 18] betaalde totaalbedrag nadien enige betaling door [betrokkene 18] is gedaan die direct of indirect aan [betrokkene 1] ten goede is gekomen” aangezien het antwoord op die vraag "niet relevant” is. Voorts wordt geklaagd dat het hof de verzoeken tot voeging van correspondentie tussen de raadsman van [betrokkene 1] en [betrokkene 22] bij de processtukken en het horen van deze [betrokkene 22] als getuige op onjuiste gronden heeft afgewezen.
NJ1996/687). De verdediging kan de overlegging van bescheiden of stukken van overtuiging verzoeken op grond van art. 328 en Pro art. 331, eerste lid, in verbinding met art. 315 Sv Pro (en art. 415 Sv Pro). Op een dergelijk verzoek is het noodzaakcriterium van toepassing. [15]
NJ2000/214 m.nt. Reijntjes). [16]
derde middelklaagt dat het oordeel van het hof, inhoudende dat het bieden van een voorkeursbehandeling handelen en/of nalaten “in strijd met zijn plicht” als bedoeld in art. 177, eerste lid, (oud) Sr oplevert, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans niet begrijpelijk en toereikend is gemotiveerd, en/of doordat het hof het verweer strekkende tot vrijspraak van dat bestanddeel heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen. Bezien in samenhang met de toelichting daarop, strekt het middel ten betoge dat voor de vervulling van het delictsbestanddeel doen of nalaten van een ambtenaar in strijd met zijn plicht ook is vereist dat de tegenprestatie op zichzelf als onrechtmatig moet kunnen worden aangemerkt, hetgeen bij het bieden van een voorkeursbehandeling niet steeds het geval is.
Stb. 2014, 445; i.w.tr. op 1 januari 2015), omdat, zo valt in de memorie van toelichting te lezen, in de rechtspraak het onderscheid tussen enerzijds handelen in strijd met de ambtsplicht en anderzijds het niet met de ambtsplicht strijdig handelen was verwaterd en deswege het handelen in strijd met de ambtsplicht aanzienlijk aan belang had verloren. [24]
aannemingvan het aangebodene impliceert, terwijl het voor de toepassing van het artikel onverschillig is of de giften, diensten of beloften worden aangenomen. [26]
Stb. 2000, 616; i.w.tr. op 1 februari 2001) art. 177a (oud) Sr werd ingevoegd. In het eerste lid van dit artikel waren dezelfde gedragingen als genoemd in art. 177, eerste lid, (oud) Sr strafbaar gesteld, zij het dus met dien verstande dat de ambtenaar daardoor niet in strijd met zijn plicht handelde. Volgens gewijzigde inzichten was deze passieve vorm van ‘omkoping’ eveneens strafwaardig, en werd door strafbaarstelling tevens uitvoering gegeven aan het OESO-corruptieverdrag (
Trb. 1998,54). [29] Met ingang van 1 januari 2015 zijn de artikelen 177 (oud) Sr en 177a (oud) Sr in elkaar opgegaan en is, als gezegd, het bestanddeel “in strijd met zijn plicht” komen te vervallen. De ratio daarachter was volgens de wetgever gelegen in ontwikkelingen in de rechtspraak.
NJ1988/381 en HR 13 oktober 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC3224,
NJ1988/472. In het eerstgenoemde arrest oordeelde de Hoge Raad dat het een feit van algemene bekendheid is dat een in zijn bediening handelende hoofdambtenaar van de gemeente in strijd met zijn plicht handelt, wanneer hij als tegenprestatie steekpenningen ontvangt voor het gunnen van grond- en zandwerk aan de betrokkene. Het als tweede genoemde arrest uit 1987 ziet op de bevoorrechte positie van een schoonmaakbedrijf. Hoewel het schoonmaakcontract eerder was opgezegd, bleef de verdachte schoonmaakopdrachten gunnen aan dat bedrijf en de facturen maandelijks betalen, zonder dat het Rijksinkoop-bureau daarvoor toestemming had gegeven en zonder dat de noodzakelijke stempels op de facturen waren gezet. Het middel kwam tevergeefs op tegen het oordeel van het hof dat de verdachte in strijd met zijn plicht had gehandeld door telkens aan het schoonmaakbedrijf een bevoorrechte positie te geven bij het gunnen van schoonmaakopdrachten. Uit deze arresten wordt afgeleid dat het handelen in strijd met een plicht niet meer hoeft te bestaan in een op zichzelf ongeoorloofde tegenprestatie. Mijn ambtgenoot Vellinga heeft daarop een zekere nuancering aangebracht en er op gewezen dat bij het gunnen van werk naar aanleiding van ontvangen steekpenningen en het toestemming verlenen voor schoonmaakwerken aan een bedrijf waarvan het contract was opgezegd, sprake lijkt van een ongeoorloofde tegenprestatie. [32] Dit zou wellicht kunnen verklaren waarom de wetgever in 2001 reden zag om in art. 177a Sr de passieve vorm van begunstiging – “zonder daardoor in strijd met zijn plicht te handelen” – als tegenhanger van art. 177 Sr Pro strafbaar te stellen.
NJ2006/380 ging het om het doen ontstaan van een speciale relatie in het kader van het evenementenbeleid van een provincie. De Hoge Raad overwoog:
vierde middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, keert zich met twee motiveringsklachten tegen de bewezenverklaring van feit 4, in het bijzonder voor zover deze inhoudt dat sprake is van het “opzettelijk” valselijk en in strijd met de waarheid opmaken van een overeenkomst “met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken”. Allereerst wordt geklaagd dat het hof bij zijn oordeel over het oogmerk van de verdachte acht slaat op redengevende feiten en omstandigheden die niet uit de bewijsmiddelen blijken, terwijl het hof evenmin met voldoende mate van nauwkeurigheid aangeeft aan welke wettige bewijsmiddelen deze feiten en omstandigheden zijn ontleend. Daarnaast wordt geklaagd dat het bewezenverklaarde opzet en oogmerk hoe dan ook niet uit de bewijsmotivering kan worden afgeleid.
Vaststaande feiten en omstandigheden
en getekend op 9 juni 2004" (cursivering: hof).
NJ2010/419 gaat dan ook niet op, nu in die zaak het slechts de bedoeling van de verdachten was de reeds eerder tot stand gekomen overeenkomsten te repareren door daarin een verwijzing naar het nieuwe optiereglement en de nieuwe voorwaarden op te nemen. In die zaak was er dus geen sprake van voorwaardelijk opzet (terwijl het daarnaast niet de bedoeling van de verdachten was geweest om door middel van reparatie onwetende derden te misleiden). Zoals gezegd, in de onderhavige zaak is niet uitgegaan van het achteraf optekenen van een juiste overeenkomst.
vijfde middelklaagt dat de aan de verdachte opgelegde geldboete van € 150.000,00 het toentertijd geldende wettelijk strafmaximum overschrijdt.
NJ1996/503 oordeelde de Hoge Raad dat onder “verandering in de wetgeving” een gewijzigd inzicht van de wetgever nopens de strafwaardigheid van het vóór de wetswijziging begane strafbare feit dient te worden verstaan, een maatstaf die de Hoge Raad nadien ook heeft aangelegd in gevallen waarin na het begaan van het feit de toepasselijke regels van het sanctierecht waren gewijzigd in voor de verdachte – mogelijk – gunstige zin. [50] In de uitspraak van EHRM 17 september 2009, ECLI:NL:XX:2009:BK6009 (Scoppola tegen Italië) heeft de Hoge Raad aanleiding gezien om in zijn zogenoemde post-Scoppola arrest zijn rechtspraak ten aanzien van veranderingen in regels van sanctierecht aan te scherpen: “Voor die regels, die zowel het specifieke strafmaximum als meer algemene regels met betrekking tot de sanctieoplegging kunnen betreffen, heeft voortaan te gelden dat een sedert het plegen van het delict opgetreden verandering door de rechter met onmiddellijke ingang moet worden toegepast, indien en voor zover die verandering in de voorliggende zaak ten gunste van de verdachte werkt”. [51] Een dergelijke verandering van het sanctierecht hoeft dan niet te worden getoetst aan de maatstaf van het gewijzigd inzicht van de strafwetgever omtrent de strafwaardigheid van de vóór de wetswijziging begane strafbare feiten.
eerste middelkeert zich met een rechtsklacht en een motiveringsklacht tegen ’s hofs vrijspraak van hetgeen de verdachte onder 3 is tenlastegelegd. Volgens de steller van het middel getuigt het desbetreffende oordeel en de motivering daarvan van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de reikwijdte en/of werkingssfeer van de artikelen 341 (oud) en 343 (oud) Sr en/of heeft het hof met dat oordeel de grondslag van de tenlastelegging verlaten, dan wel heeft het hof zijn oordeel op onvoldoende of onbegrijpelijke gronden gebaseerd.
Tenlastelegging
NJ1929, p. 1269 voorts dat “de wil om de rechten der schuldeischers te verkorten ten deze voldoende is te achten, welke wil mede aanwezig is, indien de dader weet of begrijpt, dat door zijn handelen die rechten worden verkort.“ [56] In het door het hof aangehaalde arrest van 9 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BI4691,
NJ2010/104 overwoog de Hoge Raad ten aanzien van art. 343 (oud) Sr:
NJ2013/228, eveneens door het hof genoemd, oordeelde de Hoge Raad ten aanzien van art. 341 (oud) Sr:
assets, van belang voor het nakomen van de contractuele verplichtingen van KMW. Uit deze omstandigheid kan op zichzelf niet blijken dat - op 9 juni 2004 - een aanmerkelijke kans bestond op faillissement.”
Stb. 2016, 154; i.w.tr. 1 juli 2016) blijkt dat de wetgever van een ruim opzetbegrip uitgaat. In de term “ter bedrieglijke verkorting” zou besloten liggen dat het opzet van de verdachte gericht moet zijn op (het intreden van) het faillissement en de daaruit voortvloeiende benadeling van de schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden. Ik wijs op de volgende passage in de memorie van toelichting:
dat(
al dan niet door de betreffende gedraging)
een faillietverklaring niet een tekort daarin zou volgen endat de schuldeisers
in het latere faillissementdoor de gedraging zouden worden benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden;
faillissementsschuldeisers daardoor zouden worden benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden.
tweede middelkeert zich met een rechtsklacht en een motiveringsklacht tegen ’s hofs vrijspraak van hetgeen de verdachte onder 6 (betreffende [D] BV) en 7 (betreffende [B] BV) is tenlastegelegd. Het daarop gerichte oordeel van het hof en de motivering daarvan zouden van een onjuiste rechtsopvatting getuigen ten aanzien van de reikwijdte en/of werkingssfeer van art. 343 (oud) Sr en/of zou het hof met dat oordeel de grondslag van de tenlastelegging hebben verlaten, dan wel zou het hof zijn oordeel op onvoldoende of onbegrijpelijke gronden hebben gebaseerd.