ECLI:NL:HR:2011:BP6878
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- J. de Hullu
- H.A.G. Splinter-van Kan
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Aanscherping rechtspraak over toepassing gunstigere sanctieregeling na delict
De zaak betreft een cassatie in het belang der wet waarin de Hoge Raad zijn rechtspraak over art. 1, tweede lid, Sr aanscherpt. Dit artikel bepaalt dat bij wetswijzigingen na het plegen van het delict de gunstigste bepalingen voor de verdachte moeten worden toegepast. De Hoge Raad verduidelijkt dat veranderingen in sanctierecht, zoals het strafmaximum of algemene sanctieregels, voortaan met onmiddellijke ingang moeten worden toegepast indien deze in het voordeel van de verdachte zijn, zonder toetsing aan een gewijzigd inzicht van de wetgever over strafwaardigheid.
De Hoge Raad onderscheidt deze sanctieregelingen van wijzigingen in delictsomschrijvingen of het vervallen van strafbaarstellingen, waarbij de oude regels blijven gelden. De uitspraak volgt op de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Scoppola, waarin het EHRM het beginsel bevestigt dat de gunstigste strafwet moet worden toegepast, ook als die na het delict is ingevoerd.
In de onderliggende zaak werd een verdachte veroordeeld voor het opslaan van brandbare vloeistof en het houden van dieren zonder vergunning, terwijl de vergunningsplicht was vervangen door een meldingsplicht. Het hof verwierp het verweer dat hierdoor het feit niet langer strafbaar was, omdat de wetswijziging geen gewijzigd inzicht in strafwaardigheid betrof. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst op de noodzaak dat bijzondere overgangsbepalingen binnen internationale regelgeving moeten passen.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee de geldende rechtspraak, waarbij het onderscheid tussen wijzigingen in sanctierecht en delictsomschrijvingen centraal staat. Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van het legaliteitsbeginsel en de bescherming van verdachten bij wetswijzigingen in strafzaken.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat gunstigere sanctieregelingen die na het delict zijn ingevoerd direct moeten worden toegepast.